Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BM9292
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2010:BM9292
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 08/4457 WWB
Datum uitspraak: 22-06-2010
Wetsartikelen: artt. 17, 32, 34, 54 en 58 Wwb
Essentie: Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) inkomsten en vermogen boven de vermogensgrens. De besluitvorming berust op de overweging dat de gestorte bedragen in de maand van ontvangst als inkomsten over die maand dienen te worden aangemerkt en voor zover de bedragen hoger zijn dan de bijstand over die maand, het meerdere als vermogen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de op de bankrekening van appellante gestorte bedragen moeten worden gerekend tot de middelen waarover zij beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gelden vanaf het moment van de opname buiten haar beschikkingsmacht zijn geraakt.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 08/4457 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 juni 2008, 07/8985 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College).

Datum uitspraak: 22 juni 2010.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. S. Salhi, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2010. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Punter, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Uit onderzoek is gebleken dat appellante al een aantal jaren beschikt over een niet bij het College bekende rekening bij de Banque Populaire du Maroc. Voorts is gebleken dat op die rekening - voor zover hier van belang - op 11 september 2003 een bedrag van 34.268,10 Dirham (€ 3.200,--) en op 13 juli 2005 een tweetal bedragen met een totaal van 190.000,-- Dirham (€ 17.283,60) zijn gestort. Op basis van de bevindingen van het onderzoek heeft het College bij besluit van 11 juli 2007 de bijstand van appellante over de periodes van 1 september 2003 tot en met 30 september 2003 en van 1 juli 2005 tot en met 5 mei 2006 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periodes gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 11.032,28 van haar teruggevorderd. De besluitvorming berust op de overweging dat de gestorte bedragen in de maand van ontvangst als inkomsten over die maand dienen te worden aangemerkt en voor zover de bedragen hoger zijn dan de bijstand over die maand, het meerdere als vermogen.

1.3. Bij besluit van 22 oktober 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 11 juli 2007 gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat de intrekking is beperkt tot de tijdvakken van 1 september 2003 tot en met 30 september 2003 en van 1 juli 2005 tot en met 30 april 2006 en het terug te vorderen bedrag nader is bepaald op € 10.876,92.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daartoe is aangevoerd dat zij niet feitelijk kon beschikken over de in de maanden september 2003 en juli 2005 gestorte bedragen. Het in september 2003 gestorte bedrag behoorde toe aan haar dochter en met betrekking tot de stortingen in juli 2005 heeft appellante aangevoerd dat deze zijn gedaan door [S.], in die periode de verloofde van haar dochter. De gelden waren bedoeld als bruidsschat voor haar dochter en zijn na de verbreking van de verloving terugbetaald aan [S.].

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vaststaat dat in de in geding zijnde periode met enige regelmaat stortingen zijn gedaan op een bankrekening van appellante bij de Banque Populaire du Maroc. Appellante heeft het College nimmer van het bestaan van deze rekening noch van de stortingen in kennis gesteld. Appellante heeft derhalve de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een bijstandontvanger de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

4.3. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de op de bankrekening van appellante gestorte bedragen moeten worden gerekend tot de middelen waarover zij beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken. De Raad kent in dit geval beslissende betekenis toe aan de omstandigheid dat verifieerbare gegevens ontbreken omtrent de herkomst van de bedragen die op de bankrekening zijn gestort. De enkele stelling van appellante dat het in september 2003 gestorte bedrag toebehoorde aan haar dochter en was bedoeld voor haar verloving en vakantie acht de Raad niet voldoende. Ook met betrekking tot de stortingen in juli 2005 heeft appellante op geen enkele wijze met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat de gelden niet aan haar toebehoorden. Zo is er geen enkel document voorhanden waaruit blijkt dat de bedragen zijn gestort door [S.] en waren bedoeld als bruidsschat of waaruit de feitelijke terugbetaling van de vermeende bruidsschat valt af te leiden. Uit de bankafschriften blijkt weliswaar dat op 19 juli 2005 een bedrag van 50.000,-- Dirham (€ 4.545,--) en op 20 juli 2005 een bedrag van 179.000,-- Dirham (€ 16.272,--) is opgenomen, maar appellante heeft geen met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwde verklaring gegeven omtrent (de bestemming van) deze opnames. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante evenmin aannemelijk gemaakt dat de gelden vanaf het moment van de opname buiten haar beschikkingsmacht zijn geraakt.

4.4. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat de betreffende stortingen op de bankrekening van appellante aangemerkt moeten worden als inkomsten in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB, over de maanden waarin de stortingen hebben plaatsgevonden. Gelet op de hoogte van de inkomsten staat vast dat appellante in de maanden september 2003 en juli 2005 geen recht had op bijstand. De Raad volgt het College en de rechtbank tevens in hun oordeel dat appellante in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 30 april 2006 beschikte over een vermogen boven het voor haar geldende vrij te laten bescheiden vermogen, hetgeen in die periode een beletsel voor bijstandsverlening was.

4.5. Aangezien aan appellante ten onrechte bijstand is verstrekt als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante over de periodes van 1 september 2003 tot en met 30 september 2003 en van 1 juli 2005 tot en met 30 april 2006 in te trekken. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6. De Raad stelt vast dat appellante evenals tijdens de procedure in eerste aanleg geen zelfstandige grieven heeft aangevoerd tegen de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand, zodat dit geen bespreking behoeft.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en het verzoek van appellante om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2010.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) J.M. Tason Avila.