Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BO0479
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2010:BO0479
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 10/364 WWB en 10/1860 WWB
Datum uitspraak: 28-09-2010
Wetsartikelen: artt. 36 Wwb / 6:18, 6:19 en 6:24 Awb
Essentie: Weigering langdurigheidstoeslag. Voor het bepalen van de hoogte van het inkomen in de referteperiode dient naar vaste rechtspraak (o.a. LJN AY0262) als regel te worden uitgegaan van het netto-inkomen zoals dat feitelijk in die periode is ontvangen. In dit geval is aanleiding om, in afwijking van deze hoofdregel, voor het inkomen van betrokkene uit te gaan van de door haar ontvangen WAO-uitkering zonder daarbij de door het UWV ingetrokken en teruggevorderde toeslag te betrekken. Betrokkene heeft voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb neergelegde inkomenseis.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 10/364 WWB en 10/1860 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2009, 09/2353 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 28 september 2010.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. G.J. de Kaste, advocaat te Soest, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.A. Bouter, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Voor betrokkene is, met voorafgaand bericht, niemand verschenen.




II. OVERWEGINGEN


1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Betrokkene ontving geruime tijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) wegens een inwonende minderjarige dochter. Bij besluit van 8 december 2008 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) de toeslag van betrokkene met ingang van 25 februari 2007 ingetrokken en de over de periode van 25 februari 2007 tot 1 november 2008 verleende toeslag tot een bedrag van € 4.522,05 van haar teruggevorderd wegens het bereiken van de 18-jarige leeftijd van de inwonende dochter op 25 februari 2007. Genoemd bedrag is verrekend door middel van inhouding op de lopende WAO-uitkering. Op 29 oktober 2008 heeft betrokkene onder meer een aanvraag om een langdurigheidstoeslag bij appellant ingediend. Bij besluit van 18 november 2008 is deze aanvraag afgewezen op de grond dat betrokkene tijdens de zogenoemde referteperiode van 5 jaar eenmalig of over een langere periode een inkomen heeft genoten dat hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm.

1.2. Bij besluit van 26 mei 2009 heeft appellant - voor zover hier van belang - het tegen het besluit van 18 november 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 26 mei 2009 ingestelde beroep - met een beslissing inzake griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard, het besluit van 26 mei 2009 voor zover dat ziet op de langdurigheidstoeslag vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat onder feitelijk inkomen ook dient te worden verstaan wat aan een periode kan worden toegerekend aan alsnog ontvangen dan wel - zoals hier - terug te betalen bedragen. Bij dat oordeel heeft de rechtbank tevens betrokken dat blijkens het verhandelde ter zitting appellant tot terugvordering van verleende langdurigheidstoeslag overgaat indien later blijkt dat een betrokkene een hoger, aan de referteperiode toe te rekenen inkomen heeft genoten, waardoor achteraf bezien geen recht op langdurigheidstoeslag bestond.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

4. Bij besluit van 3 maart 2010 heeft appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak aan betrokkene alsnog een langdurigheidstoeslag toegekend. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en zal, gelet op artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, tevens een oordeel geven over dat besluit.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zoals dit luidde ten tijde in geding, verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de WWB heeft.

5.2. Artikel 36, derde lid, van de WWB bepaalt dat de langdurigheidstoeslag wordt verleend met ingang van de datum waarop een periode als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is bereikt.

5.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 4 juli 2006, LJN AY0263) houdt dit in dat de ingangsdatum van de langdurigheidstoeslag de peildatum is waarop de periode van 60 maanden is bereikt. Dit betekent dat artikel 36 van de WWB er niet toe dwingt om de datum waarop de aanvraag is gedaan als peildatum aan te merken. Voor een in 2008 gedane aanvraag geldt 1 januari 2008 als eerst mogelijke peildatum. Nu het in de systematiek van de hier aan de orde zijnde wettelijke regeling gaat om een eenmalige, jaarlijks op aanvraag toe te kennen toeslag, is voor toetsing van het besluit op bezwaar ter zake bepalend of gezegd kan worden dat de betrokkene op 1 januari 2008 dan wel (uiterlijk) ten tijde van het nemen van dat besluit gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden heeft voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, van de WWB gestelde voorwaarden.

5.4. In dit geding staat derhalve ter beoordeling of in de periode van 1 januari 2003 tot en met 26 mei 2009 een tijdvak valt aan te wijzen waarin betrokkene 5 jaar ononderbroken een inkomen heeft gehad dat lager is dan of gelijk is aan de voor haar van toepassing zijnde bijstandsnorm. Voor de beantwoording van de vraag hoe hoog het inkomen van betrokkene in de referteperiode is geweest dient naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 4 juli 2006, LJN AY0262) als regel te worden uitgegaan van het netto-inkomen zoals dat feitelijk in die periode is ontvangen.

5.5. De Raad ziet in dit geval aanleiding om, in afwijking van de onder 5.4 vermelde hoofdregel, voor het inkomen van betrokkene uit te gaan van de door haar ontvangen WAO-uitkering zonder daarbij de (door het UWV ingetrokken en teruggevorderde) toeslag te betrekken. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat ruim vóór het bereiken van de uiterlijk in aanmerking te nemen peildatum, en wel reeds op 12 december 2008, het UWV tot intrekking van de eerder over de periode van 25 februari 2007 tot en met 31 oktober 2007 verleende toeslag is overgegaan, waarna het teveel ontvangen bedrag is teruggevorderd en verrekend met de lopende WAO-uitkering. Onder die omstandigheden moet worden aangenomen dat is voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB neergelegde inkomenseis.

5.6. Nu de WAO-uitkering zonder toeslag van betrokkene over de in aanmerking te nemen periode de voor haar geldende bijstandsnorm niet te boven ging, was in de hoogte van haar inkomen geen beletsel gelegen voor toekenning van een langdurigheidstoeslag. Het beroep van appellant op de uitspraak van de Raad van 28 oktober 2008, LJN BG1808, treft geen doel, reeds omdat in die zaak een geheel andere kwestie aan de orde was, namelijk de vraag of verleende en later teruggevorderde studiefinanciering als een voorliggende voorziening in de zin van artikel 15, eerste lid, van de WWB kan worden aangemerkt.

5.7. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient dan ook met verbetering van gronden te worden bevestigd.

6. Ten aanzien van het nadere besluit van appellant van 3 maart 2010 overweegt de Raad als volgt.

6.1. Appellant heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak betrokkene de gevraagde langdurigheidstoeslag toegekend. Daarbij heeft appellant, anders dan voordien, geen enkel voorbehoud (meer) gemaakt ten aanzien van de inkomenssituatie van betrokkene in de referteperiode, in het bijzonder over de jaren 2004 tot en met 2006. Dit is door de gemachtigde van appellant ter zitting ook bevestigd. Gelet op het voorgaande betekent dit dat er geen beletsel bestaat voor toekenning van een langdurigheidstoeslag over 2008. Uit een en ander vloeit voort dat het besluit van 3 maart 2010 in rechte stand kan houden. Het beroep dat mede daartegen gericht wordt geacht dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 3 maart 2010 ongegrond;
Bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 447,--.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R.L.G. Boot.