Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BO8241
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2010:BO8241
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 08/4072 WWB
Datum uitspraak: 21-12-2010
Wetsartikelen: art. 44 Wwb
Essentie: Vaststelling ingangsdatum bijstandsuitkering. De Raad is van oordeel dat uit de door betrokkene overgelegde medische verklaringen kan worden afgeleid dat de psychische toestand van betrokkene van dien aard was dat hij het niet kon opbrengen om zelf een aanvraag te doen, dan wel om daarvoor een beroep te doen op derden. Het college heeft daar, in weerwil van de duidelijke inhoud van die verklaringen, om hem moverende redenen geen medische contra-expertise tegenovergesteld, zodat de Raad het ervoor moet houden dat deze verklaringen de psychische toestand van betrokkene ten tijde in geding juist en volledig weergeven. De Raad vindt in de stelling van het college dat uit de giroafschriften blijkt dat betrokkene feitelijk activiteiten heeft verricht, onvoldoende grond voor een ander oordeel. Hij wijst er in dit verband op dat betrokkene ter zitting van de Raad gemotiveerd heeft uiteengezet dat tegenover de bijschrijvingen op deze afschriften ten tijde in geding geen activiteiten hebben gestaan.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 08/4072 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 juni 2008, 07/8384 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

het College.

Datum uitspraak: 21 december 2010.




I. PROCESVERLOOP


Het College heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2010. Voor het College is mr. K.H. Bolhuis, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage, verschenen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Pelle, advocaat te ’s-Gravenhage.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene heeft zich op 19 februari 2007 gemeld voor het aanvragen van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Hij heeft daarbij te kennen gegeven dat de uitkering met ingang van 1 juli 2006 zou moeten ingaan.

1.2. Het College heeft bij besluit van 3 mei 2007 aan betrokkene met ingang van 19 februari 2007 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande toegekend.

1.3. Het College heeft het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 3 mei 2007 bij besluit van 24 september 2007 ongegrond verklaard. Het College stelt zich op het standpunt dat er geen reden is om de uitkering eerder te doen ingaan. Betrokkene is er weliswaar in geslaagd aan te tonen dat hij psychische klachten heeft, maar niet dat hij daardoor niet in staat is geweest op een eerder tijdstip een aanvraag om uitkering te doen. Betrokkene had daarvoor eventueel een beroep kunnen doen op een derde.

2. In de aangevallen uitspraak is het beroep van betrokkene tegen het besluit van 24 september 2007 gegrond verklaard. De rechtbank heeft dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Tevens zijn bepalingen over griffierecht en proceskosten gegeven. De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene een tweetal verklaringen van zijn behandelend zenuwarts A.J.A. Vandecasteele van 8 maart 2007 en 18 juli 2007 heeft overgelegd, inhoudende dat hij ten gevolge van depressie niet in staat is geweest om het initiatief te nemen om een beroep te doen op mogelijke sociale voorzieningen. Verder is een op 30 mei 2008 gedateerde verklaring overgelegd van de psychiater drs. J.J.F.M. de Man dat betrokkene ook niet in staat was om een derde in te schakelen. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene door het overleggen van deze verklaringen een zekere twijfel heeft doen ontstaan over de vraag of het niet eerder aanvragen van een bijstandsuitkering hem volledig kan worden toegerekend. Gelet hierop had het op de weg van het College gelegen nader onderzoek te doen of betrokkene al dan niet in staat was zich eerder te melden om een bijstandsuitkering aan te vragen.

3.1. Het College heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de stukken niet blijkt dat de activiteiten van betrokkene ten tijde in geding geheel stil waren gevallen. Daarbij is verwezen naar afschriften van de girorekening van betrokkene, waaruit blijkt dat bijschrijvingen zijn ontvangen uit de verkoop van kunst en van de Belastingdienst. Het College leidt daaruit af dat door betrokkene nog activiteiten zijn verricht, zodat niet gezegd kan worden dat hij “buiten staat” was om eerder een aanvraag om bijstand in te dienen. Verder is aangevoerd dat betrokkene een accountant heeft die voor hem de financiële zaken regelt. Niet valt in te zien dat deze niet ook een aanvraag voor bijstand voor betrokkene had kunnen doen.

3.2. Betrokkene heeft in hoger beroep uiteengezet dat tegenover de bijschrijvingen op zijn girorekening geen activiteiten hebben gestaan. Het gaat daarbij steeds om betalingen ter zake van in het verleden verrichte activiteiten, dan wel automatische betalingen door de Belastingdienst. Voorts heeft hij aangevoerd dat een derde geen uitkering voor hem kan aanvragen, omdat de sociale dienst wil dat hij zelf aan het loket verschijnt. Met zijn accountant heeft hij slechts sporadisch contact via internet. De voor de accountant noodzakelijke gegevens worden door betrokkene eenmaal per jaar via de email aangeleverd. In de periode in geding was hij tot niets in staat.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, indien door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - bijvoorbeeld de uitspraak van 15 december 2009, LJN BK6840 - inzake de toepassing van deze bepaling wordt in beginsel geen bijstand verleend over de periode voorafgaand aan de datum waarop de melding bij het CWI heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.2. Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de periode van 1 juli 2006 tot 19 februari 2007 niet in staat was om zich bij het CWI te melden voor het aanvragen van bijstand. De Raad is van oordeel dat uit de door betrokkene overgelegde - onder 2 genoemde - medische verklaringen kan worden afgeleid dat de psychische toestand van betrokkene van dien aard was dat hij het niet kon opbrengen om zelf een aanvraag te doen, dan wel om daarvoor een beroep te doen op derden. Het College heeft daar, in weerwil van de duidelijke inhoud van die verklaringen, om hem moverende redenen geen medische contra-expertise tegenover gesteld, zodat de Raad het ervoor moet houden dat deze verklaringen de psychische toestand van betrokkene ten tijde in geding juist en volledig weergeven. De Raad vindt in de stelling van het College dat uit de giroafschriften blijkt dat betrokkene feitelijk activiteiten heeft verricht, onvoldoende grond voor een ander oordeel. Hij wijst er in dit verband op dat betrokkene ter zitting van de Raad gemotiveerd heeft uiteengezet dat tegenover de bijschrijvingen op deze afschriften ten tijde in geding geen activiteiten hebben gestaan.

4.3. De Raad is van oordeel dat het er onder deze omstandigheden voor moet worden gehouden dat zich hier de situatie voordoet dat, als aan alle voorwaarden voor het recht bijstand is voldaan, de uitkering eerder dient in te gaan dan op de datum waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen en wel op 1 juli 2006.

4.4. Dit betekent dat het hoger beroep van het College geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van gronden.

5. De Raad veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat van het College een griffierecht van € 428,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte in tegenwoordigheid van J.R.K.A.M. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2010.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J.R.K.A.M. Waasdorp.