Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BO9899
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2011:BO9899
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 08/7082 WWB-T
Datum uitspraak: 04-01-2011
Wetsartikelen: artt. 35 Wwb / 7:12 Awb / 21 Bw
Essentie: Tussenuitspraak. Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van een babyfoon, een autostoeltje en geboortekaartjes omdat deze kosten niet als noodzakelijk dienen te worden aangemerkt. Voor de overige kosten van de babyuitzet is bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van €155,-. Appellante heeft onvoldoende onderbouwd dat de aanschaf van een autostoeltje en een babyfoon noodzakelijk waren. Het college heeft onvoldoende onderbouwd dat appellante met het toegekende bedrag aan bijzondere bijstand van €75,- destijds een deugdelijke duowagen heeft kunnen aanschaffen. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 08/7082 WWB-T




T U S S E N U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 4 november 2008, 08/101(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College).

Datum uitspraak: 4 januari 2011.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.S. Özsaran, werkzaam bij Tiebout advocaten te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Mr. B. van Dijk, advocaat bij genoemd kantoor, heeft de Raad bericht dat hij de zaak van mr. Özsaran heeft overgenomen.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 23 november 2010, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geval van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sinds 19 maart 2007 algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Zij heeft op 3 september 2007 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een babyuitzet in ruime zin. Bij besluit van 13 september 2007 (hierna: primair besluit 1) heeft het College de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor de kosten van aanschaf van een babyfoon, een autostoeltje en geboortekaartjes afgewezen. Het College heeft overwogen dat deze kosten niet als noodzakelijk dienen te worden aangemerkt.

1.3. Bij besluit van eveneens 13 september 2007 (hierna: primair besluit 2) heeft het College voor de overige kosten van de babyuitzet aan appellante bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van € 155,--. Daarvan is blijkens het rapport van 13 september 2007 € 25,-- bestemd voor de aanschaf van een matrasje, € 15,-- voor een kinderstoel, € 40,-- voor een babynestje en € 75,-- voor een duowagen.

1.4. Bij besluit van 11 december 2007 is het tegen de primaire besluiten 1 en 2 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 december 2007 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Appellante bestrijdt dat de aanschaf van een babyfoon en een autostoeltje niet noodzakelijk is. De weigering om bijzondere bijstand te verlenen voor de kosten van geboortekaartjes is niet betwist. Voorts heeft appellante aangevoerd dat het aan haar toegekende bedrag van € 155,-- aan bijzondere bijstand voor de aankoop van een matrasje, een kinderstoel, een babynestje en een duowagen te laag is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is - voor zover hier van belang - bepaald dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen, en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.2. Ten aanzien van het onderdeel van het besluit van 14 december 2007 dat betrekking heeft op de weigering van bijzondere bijstand voor een autostoeltje en een babyfoon, overweegt de Raad het volgende.

4.3. Appellante beschikt niet zelf over een auto. Zij heeft bijzondere bijstand voor de aankoop van een autostoeltje aangevraagd omdat zij bij het vervoer naar het consultatiebureau of naar andere afspraken wordt geholpen door iemand die wel een auto heeft. Aangevoerd is dat het duwen van de duowagen haar zwaar viel omdat zij last heeft van bekkeninstabiliteit. Om dezelfde reden kon het openbaar vervoer niet als een alternatief voor het reizen met de auto worden gezien. De aanschaf van een babyfoon was volgens appellante noodzakelijk vanwege haar woonsituatie. Zij kon anders niet haar zoontje van tweeënhalf jaar en de baby in de gaten houden en tegelijk haar huishouden doen. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante hiermee onvoldoende onderbouwd dat de aanschaf van een autostoeltje en een babyfoon noodzakelijk waren. Zo heeft zij niet met medische stukken aannemelijk gemaakt dat zij vanwege haar gezondheidssituatie gebruik moest maken van een auto. Ook de gestelde woonsituatie van appellante acht de Raad niet zodanig onderbouwd, dat daaruit de noodzaak van een babyfoon is gebleken. De Raad onderschrijft daarom het oordeel van de rechtbank dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te oordelen dat in dit geval sprake is van noodzakelijke kosten die voor bijstandsverlening in aanmerking komen.

4.4. Ten aanzien van de toegekende bedrag van € 155,-- aan bijzondere bijstand voor de kosten van een matras, kinderstoel, babynestje en duowagen, overweegt de Raad het volgende.

4.5. Het College heeft zich, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad hierover, op het standpunt gesteld dat de kosten van een babyuitzet tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm door middel van reservering vooraf dan wel gespreide betaling achteraf. Dit betekent dat er in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan er aanleiding zijn om toch bijzondere bijstand te verstrekken. Het College heeft in het geval van appellante aanleiding gezien om bijzondere omstandigheden aanwezig te achten en heeft daarom bijzondere bijstand toegekend voor de hiervoor genoemde artikelen.

4.6. Appellante heeft op verzoek van het College een prijsopgave gedaan van de artikelen die zij nodig achtte. Het College heeft die prijsopgave vergeleken met de normen van het Nibud teneinde te kunnen beoordelen of de opgegeven prijzen reëel zijn. Omdat het College van mening was dat sommige zaken ook tweedehands aangeschaft kunnen worden is ook gekeken op www.Marktplaats.nl (hierna: Marktplaats). Argument hiervoor was dat er een levendige handel in babyspullen bestaat en dat deze spullen slechts tijdelijk worden gebruikt en daarna ook weer verkocht kunnen worden.

4.7. Waar het betreft de kosten van een matrasje, een kinderstoel en een babynestje is het College afgegaan op de prijsopgave van appellante zelf, wat resulteerde in een bedrag van € 25,-- voor het matrasje, € 15,-- voor de kinderstoel en (afgerond) € 40,-- voor een babynestje. De prijzen voor het matrasje en de kinderstoel zijn lager dan de prijzen die op de Nibud-lijst worden vermeld. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat het College de hogere normen van het Nibud had moeten aanhouden. De rechtbank heeft overwogen dat het College zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat, omdat de bijstand een bodemvoorziening is, geldt dat de goedkoopste passende voorziening toereikend is. Daarbij behoeft niet steeds van dezelfde norm te worden uitgegaan. De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank.

4.8. Blijkens het uitgebrachte rapport van 13 september 2007 is geconstateerd dat op Marktplaats diverse tweedehands duowagens werden aangeboden voor bedragen die variëren van € 25,--, via € 50,--/€60,-- en € 80,-- en oplopend tot € 500,--. Gekozen is om voor de duowagen een bedrag aan bijzondere bijstand te verstrekken dat ligt tussen de laagste en hoogste prijs op Marktplaats, waardoor dit bedrag uitkwam op € 75,--. Appellante heeft aangevoerd dat zij zelf een prijsopgave heeft gedaan van € 219,95 voor de duowagen en dat dit bedrag lager is dan de Nibud-norm van € 375,--. Opgemerkt is dat het misschien kan zijn dat een duowagen in Maastricht voor een bepaald bedrag te koop wordt aangeboden, maar dat dit in Groningen volstrekt anders kan zijn. Ook heeft appellante tijdens de hoorzitting aangevoerd dat op artikelen die via Marktplaats verkocht worden geen garantie wordt gegeven.

4.9. Naar het oordeel van de Raad heeft het College onvoldoende onderbouwd dat appellante met het toegekende bedrag aan bijzondere bijstand van € 75,-- destijds een deugdelijke duowagen heeft kunnen aanschaffen. Zo blijkt uit het rapport van 13 september 2007 niet of de zoektocht op Marktplaats zich heeft beperkt tot de woonomgeving van appellante of dat er ook in een (veel) wijdere omgeving is gezocht. In het laatste geval zou sprake kunnen zijn van praktische problemen bij het bezichtigen en ophalen van de koopwaar en van (bijkomende) vervoerskosten. Ook is niet duidelijk wat de kwaliteit is van de op Marktplaats aangeboden duowagens. Naar het oordeel van de Raad mag verlangd worden dat de zoekresultaten waarnaar wordt verwezen en waarop het College besluitvorming baseert controleerbaar zijn. Het had daarom in de rede gelegen de gegevens van de op Marktplaats aangeboden duowagens uit te printen en in het dossier op te nemen.

4.10. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat sprake is van een gebrek in de motivering van het besluit van 14 december 2007 voor zover daarbij het bezwaar tegen primair besluit 1 ongegrond is verklaard. Het besluit van 14 december 2007 is derhalve in zoverre in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.11. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het College op te dragen het gebrek in het besluit van 14 december 2007 te herstellen. Gelet op het hiervoor onder 4.10 weergegeven oordeel van de Raad dient het College, indien het zijn standpunt wil handhaven, alsnog aannemelijk te maken dat appellante met een bedrag van € 75,-- aan bijzondere bijstand ten tijde hier van belang een kwalitatief toereikende en passende duowagen heeft kunnen aanschaffen. Indien het College zijn standpunt niet wil handhaven, zal het dienen te motiveren voor welk bedrag appellante ten tijde hier van belang wel een goed functionerende duowagen had kunnen aanschaffen.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt het College op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 14 december 2007 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) R.L. Venneman.