Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BP0586
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2011:BP0586
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 09/3483 WWB
Datum uitspraak: 11-01-2011
Wetsartikelen: art. 10 Wwb
Essentie: Weigering toestemming voor het volgen van een opleiding tot schilder met behoud van zijn uitkering omdat de gevraagde voorziening niet noodzakelijk is voor appellant om als schilder aan het werk te komen.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 09/3483 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2009, 08/4258 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 11 januari 2011.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. S. Mathoerapersad, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 30 november 2010. Partijen zijn niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 23 november 2007 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Tijdens een gesprek met zijn klantmanager op 16 mei 2008 heeft appellant verzocht om toestemming voor het volgen van een opleiding tot schilder met behoud van zijn uitkering.

1.2. Bij besluit van 19 mei 2008 heeft het College geweigerd appellant de
gevraagde toestemming te verlenen.

1.3. Bij besluit van 15 september 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 mei 2008 ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat de opleiding naar het oordeel van het College niet noodzakelijk is voor appellant om als schilder aan het werk te komen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover in dit geding van belang, het beroep tegen het besluit van 15 september 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover van belang, maken personen die algemene bijstand ontvangen, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

4.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Re-integratieverordening WWB van de gemeente Amsterdam draagt het College zorg voor het aanbieden van voorzieningen aan personen behorende tot de doelgroep in het kader van ondersteuning bij arbeidsinschakeling gericht op de kortste weg naar duurzame arbeid.

4.3. Het College heeft zich naar het oordeel van de Raad in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevraagde voorziening voor appellant niet noodzakelijk is om als schilder aan het werk te komen. In dit verband acht de Raad van belang dat appellant in Algerije als schilder werkzaam is geweest. Verder komt uit het verslag van het gesprek op 16 mei 2008 naar voren dat de klantmanager appellant heeft beloofd hem naar een reguliere baan als schilder te bemiddelen en zich daartoe ook heeft ingespannen. De klantmanager is na afloop van het gesprek met appellant naar de vacaturebalie gegaan om te zoeken naar vacatures voor schilders en heeft contact opgenomen met een aantal schildersbedrijven. Eén van de schildersbedrijven heeft zich bereid verklaard appellant gedurende een week als schilder op proef te laten meedraaien en hem bij gebleken geschiktheid een contract aan te bieden. Gelet op de hier genoemde feiten en omstandigheden acht de Raad, anders dan appellant, niet aannemelijk dat een opleiding tot schilder voor appellant de kortste weg naar duurzame arbeid is.

4.4. Ten aanzien van de stelling van appellant dat de klantmanager hem geen concreet schriftelijk aanbod heeft gedaan om bij een schildersbedrijf gedurende een week als schilder proef te draaien, overweegt de Raad dat, wat daarvan verder ook zij, dit op zichzelf niet afdoet aan hetgeen in onderdeel 4.3 is overwogen. De Raad volstaat voor het overige met de vaststelling dat tussen appellant en zijn klantmanager blijkens het verslag van een telefoongesprek op 19 mei 2008 sprake is geweest van miscommunicatie.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het College de gevraagde voorziening op goede gronden heeft afgewezen. Het hoger beroep slaagt dus niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) C. de Blaeij.