Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BP2290
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2011:BP2290
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 09/7017 WWB
Datum uitspraak: 18-01-2011
Wetsartikelen: artt. 15, 16 en 35 Wwb
Essentie: Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van een tandheelkundige behandeling omdat de Zorgverzekeringswet in beginsel als een aan de Wwb voorliggende, toereikende en passende voorziening wordt beschouwd.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 09/7017 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2008, 09/2678 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 18 januari 2011.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. G.M. Haring, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Haring. Tevens was aanwezig N.P. Pelt-Sidorova, als tolk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft in december 2008 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van tandheelkundige behandelingen tot een bedrag van, voor zover hier van belang, € 176,10.

1.2. Bij besluit van 22 januari 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 mei 2009, heeft het College de aanvraag om bijzondere bijstand van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd, voor zover hier van belang, dat sprake is van een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), zodat appellant geen recht op bijzondere bijstand heeft, en dat er geen zeer dringende redenen zijn als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB om in afwijking daarvan bijzondere bijstand te verlenen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 4 mei 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 17 november 2009, LJN BK4230, dient voor de kosten van een tandheelkundige behandeling sinds 1 januari 2006 de Zorgverzekeringswet (Zvw), mede gelet op artikel 2.7 van het Besluit zorgverzekering, in beginsel als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB te worden beschouwd. In gevallen waarin deze zorg, als zijnde niet noodzakelijk, niet tot de prestaties behoren die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde voor vergoeding in aanmerking komen, staat het bepaalde in artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB aan bijstandsverlening in de weg. Aan het voorgaande doet volgens vaste rechtspraak met betrekking tot kosten als hier aan de orde niet af dat de door betrokkene gemaakte kosten niet (volledig) door de voorliggende voorziening worden vergoed. Dit brengt met zich mee dat artikel 15, eerste lid, van de WWB aan toekenning van de gevraagde bijzondere bijstand in de weg staat.

3.2. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB die noodzaken tot verlening van bijzondere bijstand.

3.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.M. van Gorkum.