Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BP7240
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2011:BP7240
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 09/167 WWB
Datum uitspraak: 01-03-2011
Wetsartikelen: artt. 17 en 53a Wwb / 4:5 Awb
Essentie: Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag. Gelet op de aard van de gegevens die nog moesten worden verstrekt, is de Raad van oordeel dat de aanvankelijk geboden hersteltermijn van ongeveer tien dagen op zichzelf kort te noemen is, maar dat de in totaliteit geboden termijn niet als onredelijk kort kan worden aangemerkt. Appellant heeft het geconstateerde verzuim verwijtbaar niet binnen de gestelde termijn hersteld. Het college was derhalve bevoegd de aanvraag van appellant buiten behandeling te stellen.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 09/167 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2008, 08/1851 WWB (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam (hierna: College).

Datum uitspraak: 1 maart 2011.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P.A.M. van Leeuwen, advocaat te Schiedam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2011. Voor appellant is mr. Van Leeuwen verschenen. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 21 november 2007 heeft appellant een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag is tevens een traject gestart om appellant naar werk te begeleiden.

1.2. Voor de afhandeling van de aanvraag heeft het College appellant bij brief van 22 november 2007 uitgenodigd voor een gesprek op 29 november 2007 en hem verzocht bij die gelegenheid een aantal gegevens en bescheiden mee te nemen. Daaraan heeft appellant gehoor gegeven. Bij brief van 30 november 2007 heeft het College aan appellant meegedeeld dat gebleken is dat er voor de beoordeling van de aanvraag onvoldoende gegevens zijn en is hem een hersteltermijn geboden tot 11 december 2007 om alsnog onder meer de liquidatiebalans (eindbalans) en de jaarcijfers over 2006 van zijn voormalig bedrijf "[naam bedrijf]" in te leveren. Daaraan heeft appellant niet voldaan. Bij brief van 19 december 2007 heeft het College appellant een tweede en laatste hersteltermijn gegeven en hem verzocht om onder meer de hiervoor genoemde gegevens te verstrekken vóór 3 januari 2008. Daarbij is onder verwijzing naar artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangegeven dat het niet of niet volledig inleveren van de gevraagde gegevens tot gevolg kan hebben dat de aanvraag niet verder zal worden behandeld.

1.3. Reeds bij brief van 12 december 2007 was appellant daarnaast uitgenodigd voor een gesprek op 18 december 2007 met het oog op begeleiding van appellant naar werk. Deze afspraak heeft appellant afgebeld. Bij brief van 27 december 2007 is appellant nogmaals uitgenodigd voor een gesprek op 3 januari 2008. Deze afspraak heeft appellant op 3 januari 2008 wegens ziekte wederom afgebeld.

1.4. Bij besluit van 4 januari 2008 heeft het College met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb de aanvraag om bijstand buiten behandeling gesteld.

1.5. Bij besluit van 26 maart 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 januari 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 maart 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 4:5, eerste lid, van de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

4.2. De Raad stelt voorop dat een hersteltermijn als hier aan de orde afgestemd moet zijn op de aard en omvang van de gevraagde gegevens en bescheiden. De lengte van die termijn dient zodanig te zijn dat een aanvrager in beginsel in staat kan worden geacht alle gevraagde gegevens en bescheiden voor de afloop van de hersteltermijn bij het bestuursorgaan aan te leveren.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant niet binnen de laatstelijk tot 3 januari 2008 gestelde termijn de jaarcijfers over 2006 en de liquidatiebalans heeft verstrekt. Tussen partijen is evenmin in geschil dat deze gegevens nodig zijn voor een juiste beoordeling van de aanvraag.

4.4. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de gestelde termijn redelijk is en of appellant verwijtbaar heeft nagelaten de gevraagde gegevens tijdig over te leggen.

4.5. Gelet op de aard van de gegevens die nog moesten worden verstrekt, is de Raad van oordeel dat de aanvankelijk geboden hersteltermijn van ongeveer tien dagen op zichzelf kort te noemen is, maar dat de in totaliteit geboden termijn niet als onredelijk kort kan worden aangemerkt. Appellant heeft het geconstateerde verzuim verwijtbaar niet binnen de gestelde termijn hersteld. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat niet aannemelijk is geworden dat appellant vóór 3 januari 2008 het College heeft laten weten niet (tijdig) over de gevraagde gegevens te (kunnen) beschikken dan wel om uitstel heeft verzocht, zodat er geen grond is voor het oordeel dat het College hem het ongebruikt verstrijken van de termijn niet had mogen tegenwerpen.

4.6. Naar aanleiding van het feit dat appellant een gedeelte van de gevraagde gegevens, de (kennelijk eerst op 16 januari 2008 opgemaakte) jaarcijfers over 2006, in bezwaar alsnog heeft overgelegd merkt de Raad op dat naar zijn vaste rechtspraak, aard en inhoud van het primaire besluit, strekkende tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag om bijstand, meebrengt dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan zou moeten worden aangenomen dat belanghebbende redelijkerwijs niet in staat is geweest om ter zake informatie binnen de gestelde (herstel)termijn te verstrekken. Hiervan is, gelet op hetgeen onder 4.5 is overwogen, geen sprake. Dienaangaande merkt de Raad op dat appellant ook nog bij zijn ziekmelding op 3 januari 2008 de gelegenheid had kunnen benutten voor het vragen van uitstel voor het inleveren van de gevraagde gegevens. Niet gebleken is dat appellant van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt.

4.7. Op grond van het vorenstaande komt de Raad met de rechtbank tot de conclusie dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb is voldaan, zodat het College bevoegd was de aanvraag van appellant buiten behandeling te stellen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken. Daarbij merkt de Raad op dat hij de stelling van appellant dat bij hem verwarring is ontstaan rondom de uitnodiging voor een gesprek op 3 januari 2008 niet kan volgen. Daargelaten dat appellant ook op dat moment (nog) niet over die gegevens beschikte, had het gesprek van 3 januari 2008 enkel betrekking op het begeleiden van appellant naar werk, waarover voorts gelet op de inhoud van de onder 1.3 genoemde brief van 27 december 2007 naar het oordeel van de Raad in redelijkheid geen misverstand kon bestaan.

4.8. Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R. Scheffer.