Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BP8093
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2011:BP8093
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 08/6781 WWB
Datum uitspraak: 15-03-2011
Wetsartikelen: artt. 11, 17, 40, 54 en 58 Wwb
Essentie: Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante haar hoofdverblijf niet op het opgegeven adres heeft gehad. Appellante heeft haar stelling dat zij in de te beoordelen periode hoofdverblijf op het opgegeven adres heeft gehad niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Met name het uitzonderlijk lage waterverbruik in de woning en het ontbreken van een genoegzame verklaring daarvoor ondersteunen de conclusie dat appellante ten tijde hier in geding niet feitelijk haar hoofdverblijf in de woning heeft gehad.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 08/6781 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 november 2008, 07/4351 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 15 maart 2011.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. R.H.P. Feiner, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2011. Namens appellante is verschenen mr. P.M. Iwema, kantoorgenoot van mr. Feiner. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Cevik, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante woonde sinds 1992 samen met haar vriend, de heer [V.], aan de [adres 1] te [plaatsnaam]. In juli 1998 is de relatie tussen appellante en [V.] beëindigd, waarna [V.] is verhuisd naar de [adres 2] te [plaatsnaam]. Appellante is op het voornoemde adres [adres 1] blijven wonen. Vanaf 1 augustus 1998 ontving appellante een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. In verband met twijfels van het College over de feitelijke woonsituatie van appellante heeft de afdeling Bijzondere Onderzoeken van de gemeente Rotterdam in 2006 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand.
In dat kader zijn stelselmatig observaties verricht bij de beide onder 1.1 genoemde adressen in de periode van 23 maart 2007 tot en met 19 april 2007, is informatie opgevraagd bij het energie- en waterbedrijf en zijn appellante en [V.] verhoord.

1.3. Op basis van de resultaten van dat onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 24 juli 2007 en een proces-verbaal van 31 juli 2007, heeft het College bij besluit van 2 augustus 2007 de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2007 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat is gebleken dat appellante het voornoemde adres [adres 2] sinds 1 oktober 2001 als hoofdverblijf heeft en daar een gezamenlijke huishouding voert met [V.] en dat appellante daarvan ten onrechte geen mededeling aan het College heeft gedaan. Bij afzonderlijk besluit van eveneens 2 augustus 2007 heeft het College voorts de bijstand van appellante over de periode van 1 oktober 2001 tot en met 30 juni 2007 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van in totaal € 73.560,71 van appellante teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 2 augustus 2007 ongegrond verklaard, met dien verstande dat het College de intrekking van de bijstand van appellante niet langer heeft gegrond op het hebben van een gezamenlijke huishouding, maar op de bevinding dat appellante haar hoofdverblijf niet in [plaatsnaam] heeft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep tegen deze uitspraak met name aangevoerd dat de beschikbare gegevens onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat zij in de in geding zijnde periode haar hoofdverblijf niet op het opgegeven adres in [plaatsnaam] heeft gehad.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5142 - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een geval als dit de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 oktober 2001 tot en met 2 augustus 2007.

4.2. Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het College op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Abw en artikel 40, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

4.3. De vraag waar iemand zijn woonplaats heeft, als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Het ligt op de weg van een bestuursorgaan dat een besluit tot toekenning van bijstand intrekt om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. In dit geval dient het College voldoende aannemelijk te maken dat appellante onjuiste informatie heeft verstrekt over haar woon- en leefsituatie over de te beoordelen periode.

4.4. De Raad merkt allereerst op dat ter zitting bij de rechtbank namens appellante is erkend dat zij sinds een jaar gedeeltelijk buiten [plaatsnaam] verbleef en dat het samenzijn met [V.] op het adres de [adres 2] te [plaatsnaam] in de maanden van de observaties vast staat, maar dat een en ander niet geëxtrapoleerd mag worden naar de jaren daarvoor. Daarvan uitgaande en nu appellante ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat in haar woonsituatie na de periode waarin de observaties hebben plaatsgevonden (tot 2 augustus 2007) wijziging is gekomen, is de Raad van oordeel dat in hoger beroep ter beantwoording voorligt de vraag of appellante in de periode van 1 oktober 2001 tot 23 maart 2007 haar hoofdverblijf op het adres [adres 1] in [plaatsnaam] heeft gehad.

4.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een voldoende grondslag bieden voor bevestigende beantwoording van die vraag. Daarbij hecht de Raad evenals de rechtbank in het bijzonder betekenis aan de door appellante en [V.] op 10 juli 2007 tegenover de Sociale Recherche afgelegde en ondertekende verklaringen. Uit die verklaringen, die naar het oordeel van de Raad voldoende concreet en onderling consistent zijn, komt naar voren dat appellante in elk geval sinds de pensionering van [V.] op 1 oktober 2001 ongeveer vier tot vijf dagen in de week bij [V.] op het adres in [plaatsnaam] heeft verbleven. De Raad heeft in de stukken geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling van appellante dat de verklaringen onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd of dat anderszins gebruik is gemaakt van een ongebruikelijke methode van verhoor. Met verwijzing overigens naar hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen, ziet ook de Raad geen aanleiding deze verklaringen buiten beschouwing te laten.

4.6. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de juistheid van de verklaringen van appellante en [V.] bevestiging vinden in de van het energie- en waterbedrijf Eneco verkregen gegevens over de hier in geding zijnde periode. Die gegevens laten vanaf eind 2001 een belangrijke daling zien van het energie- en watergebruik. Uit deze gegevens blijkt dat met name het waterverbruik in de woning aan de [adres 1] in [plaatsnaam] over het overgrote deel van de te beoordelen periode extreem laag is geweest en dat reeds daarom niet aannemelijk is dat appellante haar hoofdverblijf had in die woning.

4.7. Appellante heeft haar stelling, dat zij in de te beoordelen periode hoofdverblijf op het opgegeven adres in [plaatsnaam] heeft gehad, niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Op grond van de stukken acht de Raad op zichzelf aannemelijk dat appellante de woning in [plaatsnaam] gebruikte om haar administratie en spullen te bewaren en dat zij de woning regelmatig heeft bezocht om er schoon te maken en de post af te halen. Dit kan echter, gelet op het uitzonderlijk lage waterverbruik in de woning en het ontbreken van een genoegzame verklaring daarvoor, niet leiden tot de conclusie dat appellante ten tijde hier in geding feitelijk haar hoofdverblijf in de woning heeft gehad. De omstandigheid dat appellante in de te beoordelen periode aantoonbaar regelmatig kasopnames in de onmiddellijke omgeving van de woning in [plaatsnaam] heeft verricht en het feit dat zij haar huisarts in [plaatsnaam] heeft aangehouden, acht de Raad, mede bezien in het licht van het voornoemde regelmatige bezoek aan de woning, ontoereikend ter onderbouwing van appellantes stelling.

4.8. Nu het College reeds op grond van de verklaringen van appellante en [V.] en het waterverbruik terecht heeft aangenomen dat appellante haar woonplaats vanaf 1 oktober 2001 niet had op het door haar opgegeven adres, ligt daarin besloten dat de beroepsgrond dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest door niet tevens een huisbezoek of huuronderzoek te verrichten geen doel treft. In de omstandigheid dat het onderzoek primair was gericht op het hebben van een gezamenlijke huishouding ziet de Raad, om dezelfde reden en gelet op het feit dat een zodanig onderzoek naar zijn aard mede gericht is op de feitelijke woonsituatie van de betrokkene, evenmin aanleiding daartoe te concluderen.

4.9. Nu appellante gedurende de hier te beoordelen periode niet in de gemeente [plaatsnaam] haar woonplaats had, had zij jegens het College van die gemeente gedurende dat tijdvak geen recht op bijstand.

4.10. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante, door onjuiste informatie te verstrekken over haar werkelijke woonadres, de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Ten gevolge daarvan is aan appellante over de hier ter beoordeling staande periode ten onrechte bijstand verleend. Het College was derhalve op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand in te trekken vanaf 1 oktober 2001. Over de wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt zijn geen gronden aangevoerd. Hiermee is tevens voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB voor terugvordering van appellante van de gedurende het tijdvak van 1 oktober 2001 tot en met 30 juni 2007 gemaakte kosten van bijstand. Ten aanzien van de gebruikmaking van deze bevoegdheid zijn evenmin gronden aangevoerd.

5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R.L.G. Boot.