Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BP9870
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2011:BP9870
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 10/2173 WWB
Datum uitspraak: 29-03-2011
Wetsartikelen: artt. 35 en 53a Wwb / 4:2 en 4:5 Awb
Essentie: Buitenbehandelingstelling aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van de bewindvoerder. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college niet bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen, maar inhoudelijk op deze aanvraag had moeten en kunnen beslissen. Aan dit oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het college van betrokkene een bewijsstuk heeft gevraagd dat ten tijde van de primaire besluitvorming niet aanwezig was, waarover betrokkene niet de beschikking had en dat haar daarvan geen verwijt kan worden gemaakt.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 10/2173 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 23 maart 2010, 09/1472 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 29 maart 2011.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat te Tegelen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Ivanovic en mr. A.A.T.M. Brouns, beiden werkzaam bij de gemeente Roermond. Voor betrokkene is verschenen mr. Verstraten.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 7 mei 2009 heeft betrokkene een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van de bewindvoering in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP). Deze kosten betreffen voorschotten op het salaris van de WSNP bewindvoerder ten bedrage van € 47,60 per maand.

1.2. Bij deze aanvraag heeft betrokkene een vonnis van de rechtbank Roermond van 17 maart 2009 overgelegd. Bij dit vonnis is ten aanzien van betrokkene de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Daarbij is, voor zover in dit geding van belang, aan de bewindvoerder gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling, bij toereikend actief, een voorschot op het salaris toegekend ter hoogte van het in het Besluit Salaris Bewindvoerder aangegeven minimum salaris. Tevens heeft betrokkene bij de aanvraag de door haar op 17 maart 2009 ondertekende, zogenoemde 7 spelregels binnen de schuldsaneringsregeling overgelegd. Tot slot is bijgevoegd een Rapport Berekening VTLB Calculator van 24 maart 2009, waarbij is vastgesteld dat de voor betrokkene toepasselijke beslagvrije voet haar maandelijkse inkomsten overschrijdt.

1.3. Ter beoordeling van het recht op bijstand heeft appellant betrokkene bij brief van 7 mei 2009 verzocht de beslissing van de rechter-commissaris dat er een betalingsverplichting is voor het salaris van de bewindvoerder WSNP over te leggen. Daarbij is meegedeeld dat de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld indien de verzochte beslissing niet binnen de daarvoor gestelde termijn wordt overgelegd.

1.4. Betrokkene heeft appellant bij brief van 12 mei 2009 laten weten dat de verzochte beslissing niet voorhanden is en dat de rechter-commissaris van de rechtbank Roermond het beleid heeft vastgesteld dat elke saniet maandelijks een minimale boedelbijdrage dient te voldoen.

1.5. Bij besluit van 15 mei 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 oktober 2009, heeft appellant de aanvraag van betrokkene buiten behandeling gesteld met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat betrokkene in verzuim is gebleven de gevraagde beslissing van de rechter-commissaris over te leggen ten gevolge waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat appellant niet bevoegd was de aanvraag van betrokkene met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen, maar inhoudelijk op deze aanvraag had moeten en kunnen beslissen. Aan dit oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat appellant van betrokkene een bewijsstuk heeft gevraagd dat ten tijde van de primaire besluitvorming niet aanwezig was, waarover betrokkene niet de beschikking had en dat haar daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2009 dan ook - met bepalingen over de proceskosten en het griffierecht - gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte en in strijd met artikel 4:5 van de Awb veronderstelt dat iedere saniet, ongeacht het boedelactief, een verplichting heeft tot betaling van het voorschot op het salaris van de WSNP bewindvoerder en dat in die zin een beslissing van de rechter-commissaris overbodig is. In dat kader heeft appellant erop gewezen dat er in de situatie van betrokkene sprake was van een ontoereikend boedelactief zodat er geen ruimte was voor de hier aan de orde zijnde voorschotbetalingen.

4.3. De Raad volgt het standpunt van appellant, dat uitdrukkelijk ter zitting bij de Raad is gehandhaafd, niet. Onder verwijzing naar het onder 2 weergegeven oordeel van de rechtbank, ziet de Raad niet in dat de aangevallen uitspraak de door appellant genoemde veronderstelling inhoudt. Voorts overweegt de Raad dat in het naar aanleiding van de brief van betrokkene van 12 mei 2009 ingenomen standpunt van appellant, dat in de situatie van betrokkene de boedel geen ruimte bood voor de hier aan de orde zijnde voorschotbetalingen, besloten ligt dat op de aanvraag van betrokkene van 7 mei 2009 wel inhoudelijk kon worden beslist. De Raad is dan ook van oordeel dat de door appellant gevraagde beslissing van de rechter-commissaris geen gegeven betreft als bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, en 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.

4.4. De Raad is op grond van hetgeen onder 4.3 is overwogen met de rechtbank van oordeel dat appellant in dit geval ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4:5, eerste lid, van de Awb. Nu het hoger beroep niet slaagt dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

4.5. In afwachting van de uitkomst van onderhavige hoger beroepszaak is tussen partijen overeengekomen dat er geen besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak wordt genomen. De bevestiging van de aangevallen uitspraak betekent dan ook dat appellant alsnog een inhoudelijk besluit op de aanvraag van betrokkene zal moeten nemen. Met het oog op deze besluitvorming wijst de Raad op de tussen partijen bestaande overeenstemming dat betrokkene geen inkomen had boven de beslagvrije voet zodat er geen sprake was van een toereikend boedelactief waaruit de voorschotten op het salaris van de bewindvoerder WSNP konden worden betaald. Zoals de Raad in zijn uitspraken van 29 juni 2010, LJN BM9799 en BM9804 onderdeel 4.6.4, heeft overwogen, doen de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich in die situatie niet voor en zijn deze, indien deze zijn voldaan, zonder noodzaak betaald. Voor zover namens betrokkene nog is gesteld dat de door haar onder 1.2 genoemde spelregels wel degelijk leiden tot een betalingsverplichting op straffe van het beëindigen van het schuldsaneringstraject, verwijst de Raad naar onderdeel 4.6.5 van de zojuist genoemde uitspraken.

5. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten die betrokkene in hoger beroep heeft moeten maken. Dit bedrag wordt begroot op € 974,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat appellant de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 974,--
vergoedt, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat van appellant een bedrag van € 447,-- aan griffierecht wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.F. Claessens en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) C. de Blaeij.