Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BV1989
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2012:BV1989
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 10/4052 WWB
Datum uitspraak: 25-01-2012
Wetsartikelen: art. 8:75 Awb
Essentie: Proceskostenveroordeling. De rechtbank heeft ten onrechte geen proceskostenveroordeling uitgsproken. De raadsman is advocaat en neef van appellant. In dit geval is geen sprake van een zodanig nauwe familierelatie dat niet meer gesproken kan worden van door een derde beroepsmatig verleende rechtshulp op zakelijke basis. In dat verband is mede van belang dat de raadsman advocaat is en in die hoedanigheid namens appellante beroep heeft ingesteld en dat die raadsman niet behoort tot het huishouden van appellante. Er is sprake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat het hoger beroep slaagt.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 10/4052 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 20 mei 2010, 09/1752 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: College).

Datum uitspraak: 25 januari 2012.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.G. Wattilete, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 30 november 2011 heeft appellante nadere informatie verstrekt.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 14 december 2011, waar partijen, met bericht van verhindering, niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 augustus 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren en het besluit van 24 april 2009 te herroepen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het College te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken nu niet is gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

2. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij geen veroordeling in de proceskosten wegens verleende rechtsbijstand is uitgesproken. Appellante heeft aangevoerd dat zij zich in de procedure bij de rechtbank heeft laten bijstaan door [naam raadsman], die advocaat is. Het feit dat de raadsman dezelfde naam heeft als appellante maakt volgens appellante nog niet dat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Bij brief van 30 november 2011 heeft appellante de Raad desgevraagd laten weten dat Wattilete haar neef is.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Vast staat dat [naam raadsman] werkzaam is als advocaat en dat hij een neef is van appellante. Van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is geen sprake als tussen degene aan wie de rechtsbijstand wordt verleend en de rechtsbijstandverlener een nauwe familierelatie bestaat. De Raad is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een zodanig nauwe familierelatie dat niet meer gesproken kan worden van door een derde beroepsmatig verleende rechtshulp op zakelijke basis. De Raad acht in dat verband mede van belang dat [naam raadsman] advocaat is en in die hoedanigheid namens appellante beroep heeft ingesteld en dat [naam raadsman] niet behoort tot het huishouden van appellante. De Raad is dan ook van oordeel dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb, zodat het hoger beroep slaagt.

3.2. Uit hetgeen onder 3.1 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden voor zover de rechtbank daarbij geen veroordeling in de proceskosten heeft uitgesproken. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het College veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellante in beroep wegens verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 322,--. Voorts ziet de Raad aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 437,--, eveneens wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 759,--;
Bepaalt dat het College aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 111,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.J.M. Crombach.