Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BV6373
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2012:BV6373
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 09/5222 WWB
Datum uitspraak: 14-02-2012
Wetsartikelen: art. 35 Wwb
Essentie: Toekenning bijzondere bijstand. Appellante kan uitsluitend aanspraak maken op vergoeding van kosten die in het kader van de opleiding noodzakelijk zijn. Appellante mocht er niet van uitgaan, ook al was in het toekenningsbesluit geen maximumbedrag van te vergoeden kosten genoemd, dat de kosten van de aanschaf van een pedicuremotor zonder meer door het college zouden worden vergoed. Voor het aannemen van de door appellante gestelde strijd met het vereiste van zorgvuldigheid of rechtszekerheid bestaat geen grondslag. Er is geen grond is om de toekenning van bijzondere bijstand tot een bedrag van €1400,- voor onjuist te houden.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 09/5222 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad 10 augustus 2009, 08/1987 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland (college).

Datum uitspraak: 14 februari 2012.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. C.H. Tjabringa, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Mr. P.T. Pel, kantoorgenoot van mr. Tjabringa, heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 januari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Pel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Velema en K. Stoppels.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sinds april 1999 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van het college van 2 augustus 2007 is aan haar toestemming verleend voor het volgen van de opleiding tot pedicure. In dit besluit is tevens vermeld dat de kosten voor deze opleiding, inclusief reiskosten op basis van tarieven openbaar vervoer, door het college zullen worden vergoed.

1.2. Aan appellante zijn nadien diverse kosten, verbonden aan het volgen van de opleiding tot pedicure, vergoed. Bij besluit van 3 april 2008 heeft het college appellante onder meer het volgende meegedeeld:
"Van Medi Zorg Services ontvingen wij een factuur ad. € 2.796,50 voor een aan u geleverde pedicuremotor. Zoals wij u reeds mondeling hebben meegedeeld zullen wij deze factuur niet betalen. Naar onze mening behoort een pedicuremotor niet tot de noodzakelijke opleidingskosten voor pedicure bij Pediroda. Ook is een eigen pedicuremotor geen voorwaarde voor het deelnemen aan het examen. Door de pedicuremotor zonder overleg met ons aan te schaffen hebt u onverantwoordelijk gehandeld, zeker gelet op het daarmee gemoeide bedrag."

1.3. Bij besluit van 30 september 2008 heeft het college het tegen het besluit van 3 april 2008 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen en aan appellante alsnog een vergoeding verstrekt ter grootte van de helft van de kosten van de door appellante aangeschafte pedicuremotor. Daarbij is het college ervan uitgegaan dat de kosten van een pedicuremotor tot de noodzakelijke opleidingskosten moeten worden gerekend, dat in de opleidingsgids van het Opleidingsinstituut voetverzorging Pediroda (Pediroda) een pedicuremotor vanaf € 700,-- wordt genoemd en dat met een vergoeding van € 1.400,-- sprake is van een rechtvaardige verdeling van de kosten. Het college heeft daarbij aangetekend dat het appellante verweten kan worden dat zij, zonder de gemeente daarin te kennen, heeft gekozen voor de duurste pedicuremotor.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 30 september 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 16, eerste en tweede lid, van de Reïntegratieverordening WWB gemeente Zwartewaterland 2004 (verordening) is bepaald dat het college een vorm van scholing kan aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling en dat in deze scholing kan worden voorzien door middel van een subsidie ter hoogte van de opleidingskosten. Met het onder 1 genoemde besluit van 2 augustus 2007 heeft het college toepassing gegeven aan deze bepalingen door aan appellante voor het volgen van de opleiding tot pedicure toestemming te verlenen en toe te zeggen dat de kosten voor deze opleiding zullen worden vergoed.

4.2. Appellante heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat appellante uit het besluit van 2 augustus 2007 niet had mogen afleiden dat de door haar aangeschafte pedicuremotor (met toebehoren) door het college volledig zou worden vergoed. Zij bestrijdt verder het oordeel van de rechtbank dat het bij het door haar gedeclareerde bedrag van € 2.796,50 gaat om kosten die zijn gemaakt met het oog op de arbeidsinschakeling en niet om kosten die noodzakelijkerwijs ten behoeve van de opleiding zijn gemaakt.

4.2.1. De Raad stelt voorop, gelet op de bewoordingen van het besluit van 2 augustus 2007, dat de rechtbank terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat appellante uitsluitend aanspraak kan maken op vergoeding van kosten die in het kader van de opleiding noodzakelijk zijn.

4.2.2. Tussen partijen is niet in geschil dat in de opleidingsgids van Pediroda gesproken wordt over een aan te schaffen pedicuremotor voor een bedrag vanaf € 700,--. Gelet op dit bedrag mocht appellante er niet van uitgaan, ook al was in het toekenningsbesluit geen maximumbedrag van te vergoeden kosten genoemd, dat de kosten van de aanschaf van een pedicuremotor voor een prijs die vier keer zo hoog ligt, zonder meer door het college zouden worden vergoed.

4.2.3. Appellante stelt zich op het standpunt dat voor een bedrag van € 700,-- geen geschikte pedicuremotor, te weten een motor geschikt voor de toepassing van de zogenoemde nattechniek, kon worden aangeschaft, hetgeen volgens haar ook geldt voor het door het college toegekende bedrag van € 1.400,--. Appellante heeft dat standpunt echter niet voldoende onderbouwd. Haar standpunt wijkt in de eerste plaats af van de in de opleidingsgids genoemde vanafprijs van € 700,-- . Verder heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij met het door het college toegekende bedrag - welk bedrag ook nog twee keer zo hoog is als het in de opleidingsgids genoemde bedrag - niet een voor het volgen van de opleiding adequate pedicuremotor had kunnen aanschaffen. Het overleggen van een viertal prijsopgaven van pedicuresets (met prijzen vanaf € 2.095,--) is daarvoor niet voldoende, mede in aanmerking genomen dat uit de daarbij gegeven productinformatie kan worden afgeleid dat het gaat om professionele apparatuur (met toebehoren) voor een pedicurepraktijk en geschikt voor ambulante werkzaamheden. Dat laatste geldt overigens ook voor de door appellante aangeschafte motor. Tegen de achtergrond van het voorgaande onderschrijft de Raad niet het standpunt van appellante dat de rechtbank door over een eenvoudige pedicuremotor te spreken impliciet een keus heeft gemaakt voor een voor het toepassen van de droogtechniek geschikte motor. De Raad neemt in dit verband ten slotte in aanmerking dat ter zitting van de Raad is gebleken dat zowel de nattechniek als de droogtechniek tijdens de praktijklessen konden worden geleerd en dat Pediroda voor deze lessen ook pedicuremotoren voorhanden had. Verder blijkt uit de eisen voor het praktijkexamen dat bij dat examen een keus mocht worden gemaakt tussen de droogtechniek en de nattechniek.

4.2.4. Anders dan appellante stelt heeft de rechtbank, gelet op het voorgaande, terecht laten meewegen dat appellante (mede) tot de aanschaf van de onderhavige pedicuremotor is overgegaan met het oog op de (eventuele) feitelijke praktijkuitoefening en zich niet uitsluitend heeft laten leiden door de eisen die in het kader van de opleiding werden gesteld.

4.3. Appellante heeft in haar hoger beroepschrift nog naar voren gebracht en ter zitting toegelicht dat, ook indien zou moeten worden aangenomen dat de in geding zijnde kosten door haar mede zijn gemaakt met het oog op de feitelijke uitoefening van het beroep van pedicure, daar eveneens een verantwoordelijkheid lag voor het college. De Raad volgt appellante daarin niet. Bij het aanbieden van scholing op grond van artikel 16, eerste lid, van de verordening wordt voorondersteld dat deze scholing is gericht op arbeidsinschakeling. Het is dus de bedoeling dat, wanneer de bewuste opleiding met goed gevolg is afgerond, de betrokkene grotere kansen heeft op de arbeidsmarkt dan daarvoor. Alleen de eigenlijke opleidingskosten komen voor subsidie in aanmerking. De kosten die vervolgens zijn verbonden aan de feitelijke uitoefening van een beroep of bedrijf, zoals kosten van gereedschappen en andere materialen, kunnen niet worden geacht te vallen onder een subsidie ter hoogte van de opleidingskosten als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de verordening, zodat ter zake daarvan geen verantwoordelijkheid voor het college kan worden aangenomen.

4.4. De Raad volgt appellante ten slotte niet in haar standpunt dat het college achteraf voorwaarden heeft gesteld. Het college heeft immers in bezwaar getoetst tot welk bedrag de kosten van een pedicuremotor voor het volgen van de opleiding tot pedicure noodzakelijk waren en welke vergoeding overigens, gelet op de gang van zaken, redelijk was. Voor het aannemen van de door appellante gestelde strijd met het vereiste van zorgvuldigheid of rechtszekerheid bestaat geen grondslag.

4.5. De Raad komt tot de conclusie dat er geen grond is om de toekenning van bijzondere bijstand tot een bedrag van € 1.400,-- voor onjuist te houden.

4.6. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2012.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R.L.G. Boot.