Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BW4481
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2012:BW4481
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 11/4818 WWB
Datum uitspraak: 01-05-2012
Wetsartikelen: artt. 19 en 34 Wwb
Essentie: Vaststelling vermogen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij redelijkerwijs niet over het banksaldo kon beschikken, zodat evenmin aan de voorwaarden voor toepassing van het gemeentelijke beleid was voldaan. Dat appellant kennelijk nadien ertoe is overgegaan alsnog een deel op een depositorekening te storten, doet daar niet aan af, te minder nu de looptijd van die deposito-overeenkomst twaalf maanden bedroeg en volgens zeggen van appellant sedertdien steeds voor eenzelfde termijn wordt verlengd. Ook daarmee werd immers niet aan de gestelde bestedingswaarborg voldaan. Door aan appellant ondanks een vermogensoverschot (en fictieve intering daarvan) bijstand toe te kennen over de periode in geding heeft het college hem derhalve niet tekortgedaan.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 11/4818 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 juli 2011, 11/720 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college).

Datum uitspraak: 1 mei 2012.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2012. Appellant is verschenen. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant, geboren [in] 1946, heeft op 29 december 2008 een aanvraag ingediend om algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 11 mei 2009 is aan appellant met ingang van 7 april 2009 een bijstandsuitkering toegekend. Daarbij is rekening gehouden met een fictieve intering van het bedrag boven het vrijgestelde vermogen (vermogensoverschot). Nadien is, naar aanleiding van een bezwaar tegen een ander besluit, het recht op bijstand van appellant opnieuw beoordeeld en is bij besluit van 3 augustus 2010 de ingangsdatum van de bijstand alsnog op 24 februari 2009 bepaald. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.2. Bij besluit van 13 december 2010 is het bezwaar tegen het besluit van 3 augustus 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 december 2010 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daartoe heeft hij, samengevat, aangevoerd dat bij de vaststelling van zijn vermogen ten onrechte het voor zijn uitvaartkosten bestemde spaartegoed is betrokken, dat hij te zijner tijd naar Aruba wil terugkeren en daar wil worden begraven, dat hij met dat doel een aparte bankrekening heeft geopend en dat dit laatste is gebeurd in overleg met een medewerker van de gemeente.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand indien er geen in aanmerking te nemen vermogen is. Artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bepaalt dat onder vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. In het tweede lid van artikel 34 wordt een opsomming gegeven van middelen die niet als vermogen in aanmerking worden genomen, waaronder het zogenoemde vrijgestelde vermogen. Het vrijgestelde vermogen voor appellant bedroeg ten tijde in geding € 5.325,--.

4.2. Het college hanteerde ten tijde in geding het in het Werkboek WWB neergelegde beleid dat onder bepaalde voorwaarden een bedrag bestemd voor begrafeniskosten bij de vaststelling van het vermogen buiten beschouwing wordt gelaten. Deze voorwaarden luidden als volgt:
1. Het voor de begrafeniskosten bestemde bedrag moet apart van eventuele vermogensbestanddelen zijn weggezet;
2. Er moet voldoende zekerheid zijn dat het bedrag uitsluitend beschikbaar komt in geval van overlijden van de belanghebbende of diens partner. Hiervan is sprake bij:
- een koopsompolis bij een verzekeringsmaatschappij van maximaal € 2.268,90
respectievelijk € 4.537,80 (partner);
- een deposito bij een begrafenisonderneming, onder de voorwaarde dat het bedrag uitsluitend kan worden aangewend voor de begrafeniskosten van de klant en de eventuele partner;
- een spaarrekening met dezelfde voorwaarden.
Als aan deze voorwaarden is voldaan wordt betrokkene geacht redelijkerwijs niet te kunnen beschikken over het desbetreffende bedrag en wordt dat bedrag bij de vaststelling van het vermogen niet meegeteld.

4.3. Uit de stukken blijkt dat appellant ten tijde van de aanvraag in december 2008 beschikte over een bankrekening met een saldo van € 9.576,80. Na aftrek van 1,5 maal de toepasselijke bijstandsnorm (conform gemeentelijk beleid) = € 1.348,05, een aantoonbare belastingschuld van € 295, -- en het vrijgestelde vermogen van € 5.325,-- resteerde een vermogen van € 2.608,75. Dit vermogensoverschot vormde in beginsel een beletsel voor bijstandsverlening aan appellant. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij redelijkerwijs niet over het banksaldo kon beschikken, zodat evenmin aan de voorwaarden voor toepassing van het onder 4.2 weergegeven gemeentelijke beleid was voldaan. Dat appellant kennelijk nadien ertoe is overgegaan alsnog een deel op een depositorekening te storten doet daar niet aan af, te minder nu de looptijd van die deposito-overeenkomst twaalf maanden bedroeg en volgens zeggen van appellant sedertdien steeds voor eenzelfde termijn wordt verlengd. Ook daarmee werd immers niet aan de gestelde bestedingswaarborg voldaan. Door aan appellant ondanks een vermogensoverschot (en fictieve intering daarvan) bijstand toe te kennen over de periode van 24 februari 2009 tot en met 6 april 2009 heeft het college hem derhalve niet tekort gedaan.

4.4. Gelet op het voorgaande treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2012.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.