Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BW5347
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2012:BW5347
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 11/7223 BBZ-T
Datum uitspraak: 08-05-2012
Wetsartikelen: artt. 78f Wwb / 2 en 24 Bbz 2004 / 7:12 Awb / 21 Bw
Essentie: Tussenuitspraak. Weigering Bbz-lening voor bedrijfskapitaal omdat het te starten bedrijf niet levensvatbaar is. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat appellant de deskundigheid van de financieel-economisch adviseur nader dient te onderbouwen, hetgeen leidt tot vernietiging van de aangevallen uitspraken. Appellant heeft zonder inhoudelijk in te gaan op de door betrokkene betwiste specifieke aspecten in het bestreden besluit slechts verwezen naar een deskundigenadvies, waarbij appellant bovendien niet duidelijk heeft gemaakt welk advies wordt bedoeld. Inhoudelijk heeft hij de bezwaren van betrokkene dus niet weerlegd. Hiermee heeft appellant het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Appellant krijgt de opdracht het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 11/7223 BBZ-T




T U S S E N U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 juni 2011, 10/5130 (aangevallen tussenuitspraak),
en
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 oktober 2011, 10/5130 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (betrokkene).

Datum uitspraak: 8 mei 2012.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.W. van de Wege, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens en H.G.J. van Haaren. Namens betrokkene is mr. Van de Wege verschenen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontvangt sinds 11 maart 2009 aanvullende bijstand op grond van de Wet werk en bijstand, naar de norm voor gehuwden.

1.2. Betrokkene heeft in het kader van het Pilotproject Microfinanciering op 22 oktober 2008 een ondernemingsplan voor de exploitatie van een zonnebankstudio ingediend bij adviesbureau Motivity B.V. (Motivity). Betrokkene heeft met een medewerker van Motivity over het ondernemingsplan gesproken. Daarna is een levensvatbaarheidanalyse uitgevoerd. De resultaten van de analyse zijn vastgelegd in een rapport van 9 december 2008. Zij leiden tot de conclusie dat het bedrijf niet levensvatbaar is en betrokkene is geadviseerd niet van start te gaan met het bedrijf.

1.3. Op 19 mei 2009 heeft betrokkene, met het oog op het starten van een zonnestudio, een aanvraag ingediend om bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft hij een aangepast ondernemingsplan ingediend. Betrokkene heeft het ondernemingsplan besproken met een medewerker van het Team Zelfstandigen van de gemeente Eindhoven. De resultaten van het gesprek en de beoordeling van het ondernemingsplan zijn neergelegd in een rapportage van 18 juni 2009 en hebben tot de conclusie geleid dat het te starten bedrijf niet levensvatbaar is.

1.4. Bij besluit van 19 juni 2009 heeft appellant de aanvraag van betrokkene afgewezen. Aan het besluit heeft appellant ten grondslag gelegd dat het te starten bedrijf van betrokkene niet levensvatbaar is. Daarnaast is vastgesteld dat het startkapitaal dat betrokkene nodig heeft hoger is dan het bedrag van € 32.724,-- dat op grond van artikel 24 van het Bbz 2004 maximaal voor dit doel mag worden verstrekt.

1.5. Bij besluit van 30 maart 2010 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen de afwijzing van zijn aanvraag ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat betrokkene verschillende versies van zijn ondernemingsplan voor een zonnebankstudio heeft ingediend. De rechtbank heeft - onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad - overwogen dat voor de beoordeling van de levensvatbaarheid bepalend is de situatie ten tijde van het primaire besluit en dat in dit geval de derde versie van het ondernemingsplan beoordeeld dient te worden. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat appellant in het bestreden besluit heeft verwezen naar een rapport van een deskundige. Aangezien het ondernemingsplan dat Motivity heeft beoordeeld verschilt van het ondernemingsplan dat is ingediend bij de aanvraag om bedrijfskrediet op grond van het Bbz 2004, kan naar het oordeel van de rechtbank het rapport van Motivity niet zonder meer ten grondslag worden gelegd aan het bestreden besluit. Voor zover het bestreden besluit is gebaseerd op de rapportage van 18 juni 2009 heeft de rechtbank, met verwijzing naar de Nota van toelichting bij het Besluit bijstandverlening zelfstandigen van 12 april 1995 (Bbz), overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de medewerker die het rapport van 18 juni 2009 heeft opgesteld, de zogenoemde financieel economisch adviseur, over de benodigde deskundigheid bezit om te bepalen of het door betrokkene beoogde bedrijf levensvatbaar is, zodat ook het rapport van 18 juni 2009 niet zonder meer aan het besluit ten grondslag kan worden gelegd. Hieruit heeft de rechtbank geconcludeerd dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft appellant in de gelegenheid gesteld het gebrek in het bestreden besluit te herstellen door hem te laten onderzoeken of het bestreden besluit van een toereikende motivering kan worden voorzien.

2.1. Bij brief van 6 juli 2011 heeft appellant meegedeeld dat uit de beschrijving van de functie financieel economisch adviseur blijkt dat hij de deskundigheid bezit om de levensvatbaarheid van een bedrijf te beoordelen. Ter staving van deze stelling heeft appellant deze beschrijving meegezonden. Zijns inziens is het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen en deugdelijk gemotiveerd, een en ander onder verwijzing naar het rapport van Motivity omdat het rapport van de financieel economisch adviseur van 18 juni 2009 voortbouwt op het rapport van Motivity.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant met het toezenden van de functiebeschrijving het geconstateerde gebrek niet heeft hersteld. Daartoe heeft zij overwogen dat de functiebeschrijving slechts indicatief is en geen garantie biedt dat alle personen die de functie uitoefenen ook daadwerkelijk over alle vaardigheden en kwaliteiten beschikken. Appellant heeft niet aangetoond dat al zijn ambtenaren met de functie financieel economisch adviseur voldoen aan de in het functieprofiel gestelde eisen. Voorts heeft appellant niet aangetoond dat de functionaris die het rapport van 18 juni 2009 heeft opgesteld financieel economisch adviseur is en evenmin of deze persoon aan de in het functieprofiel gestelde eisen voldoet.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

4. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak. Hij heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd. Uit de wet, regelgeving en jurisprudentie kan niet worden afgeleid dat een verplichting bestaat om bij de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf een externe deskundige in te schakelen. Indien een gemeente ervoor kiest zelf (intern) deskundigen te benoemen, die worden geacht beoordelingen in het kader van het Bbz 2004 uit te voeren, zoals de financieel economisch adviseur, dan dient deze keuze te worden gerespecteerd. De rechtbank heeft, volgens appellant, de deskundigheid van de financieel economisch adviseur miskend. De toets die de rechtbank aanlegt ten aanzien van het vaststellen van die deskundigheid gaat naar de mening van appellant te ver.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, in verbinding met artikel 2, tweede lid, van het Bbz 2004 kunnen algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal worden verleend aan de persoon of de echtgenoot van de persoon die uit hoofde van werkloosheid een uitkering ontvangt en die een bedrijf of zelfstandig beroep begint dat levensvatbaar is.

5.2. In geschil is of de afwijzing van de aanvraag om bedrijfskrediet om reden dat het bedrijf van betrokkene niet levensvatbaar is, voldoende deugdelijk is gemotiveerd. Daarbij spitst het geschil in hoger beroep zich toe op de vraag of afdoende is onderbouwd dat de financieel economisch adviseur van het Team Zelfstandigen voldoende deskundig is om de levensvatbaarheid te beoordelen.

5.3. In verband hiermee heeft de rechtbank in de aangevallen tussenuitspraak verwezen naar de Nota van toelichting bij het Bbz, blz. 25, Stb. 1995, 203. Daaruit blijkt dat voor de levensvatbaarheid van een bedrijf of zelfstandig beroep bepalend is dat naar verwachting inkomen wordt behaald. Of en wanneer het inkomen toereikend zal zijn, zal aan de hand van de gegevens uit het verleden en een reële begroting moeten worden getoetst. In het hiervoor in te stellen onderzoek zal aan de hand van commerciële en bedrijfseconomische gegevens worden bezien wat de perspectieven van het bedrijf of beroep zijn. De hiervoor benodigde deskundigheid is in het algemeen binnen een gemeentelijke sociale dienst of een afdeling sociale zaken niet aanwezig. In dat geval is het nodig dat het onderzoek wordt uitbesteed.

5.4. Uit de in 5.3 vermelde passage van de Nota van toelichting vloeit enkel en alleen voort dat indien de benodigde deskundigheid in de eigen organisatie aanwezig is, het in te stellen onderzoek naar de levensvatbaarheid niet hoeft te worden uitbesteed. De in verweer ingenomen stelling van betrokkene dat dit onderzoek altijd moet worden verricht door een onafhankelijke externe deskundige dient dan ook te worden verworpen.
Met het formeren van een Team Zelfstandigen, dat bestaat uit een aantal financieel economisch adviseurs, die specifiek belast zijn met het maken van beoordelingen in het kader van het Bbz 2004, wordt appellant in beginsel geacht de benodigde deskundigheid in huis te hebben om op adequate wijze de levensvatbaarheid van een bedrijf te beoordelen. De in beroep overgelegde functiebeschrijving van de financieel economisch adviseur en de in hoger beroep overgelegde procesbeschrijving voor de werkzaamheden van het Team Zelfstandigen alsmede het besluit waaruit blijkt dat de medewerker die het rapport van 18 juni 2009 heeft opgesteld als financieel economisch adviseur is aangesteld bevestigen dit. De omstandigheid dat appellant, zoals zijn gemachtigde ter zitting heeft verklaard, in geval van hoge werkdruk of indien zodanige twijfel bestaat dat een second opinion is gewezen, een externe deskundige inschakelt, maakt dat niet anders. De rechtbank heeft dit niet onderkend en ten onrechte geoordeeld dat appellant de deskundigheid van de financieel economisch adviseur nader dient te onderbouwen.

5.5. Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt. Dit betekent dat de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit beoordelen aan de hand van de in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden.

5.6. Betrokkene heeft aangevoerd dat appellant in het bestreden besluit slechts verwezen heeft naar het deskundigenadvies en zijn inhoudelijke bezwaren tegen de afwijzing van het bedrijfskrediet niet heeft behandeld. Betrokkene heeft de rapportage van 18 juni 2009 op een aantal concrete punten betwist, bijvoorbeeld ten aanzien van de passantenstroom, de aanschaf van tweedehands apparatuur, de arbeidsongeschiktheidsverzekering, bouwkundige voorzieningen en de financiering van de huur. Appellant heeft zonder inhoudelijk in te gaan op deze specifieke aspecten in het bestreden besluit slechts verwezen naar een deskundigenadvies, waarbij hij bovendien niet duidelijk heeft gemaakt welk advies wordt bedoeld. Inhoudelijk heeft hij de bezwaren van betrokkene dus niet weerlegd. Hiermee heeft hij het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. De stelling dat betrokkene de bevindingen van het rapport slechts heeft ontkend en zijn bezwaren niet met een ander deskundigenrapport heeft onderbouwd, is daartoe onvoldoende.

5.7. Uit hetgeen in 5.6 is overwogen volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg hij aan deze uitkomst moet geven. In dit geval bestaat geen aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien. Appellant wordt daarom opgedragen om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het gebrek in het bestreden besluit te herstellen door gemotiveerd te reageren op de gronden die in bezwaar zijn aangevoerd met betrekking tot het standpunt van de financieel economisch adviseur dat het bedrijf niet levensvatbaar is.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven op om binnen 6 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 30 maart 2010 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2012.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.