Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BW7029
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2012:BW7029
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 10/2555 BBZ
Datum uitspraak: 23-05-2012
Wetsartikelen: artt. 78f Wwb / 1 en 2 Bbz 2004
Essentie: Weigering Bbz-uitkering ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan omdat het door het college ingeschakelde adviesbureau heeft geconcludeerd dat het bedrijf van appellante niet levensvatbaar is. Het college heeft zich bij zijn besluitvorming op dit advies kunnen baseren.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 10/2555 BBZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 maart 2010, 09/1755 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college).

Datum uitspraak 23 mei 2012.




PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J. Marges, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 11 april 2012. Partijen zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 1 juni 2008 is appellante een uitzendbureau begonnen onder de naam [naam uitzendbureau]. In verband hiermee heeft appellante op 26 september 2008 bij het college een aanvraag ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) ingediend ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan.

1.2. Friedeberg Consultancy B.V. (FCBV) heeft op verzoek van het college op 12 december 2008 een advies uitgebracht. FCBV heeft geconcludeerd dat het door appellante gestarte bedrijf niet levensvatbaar is te achten. Daarbij heeft FCBV overwogen dat sprake is van een zwakke interne ondernemingssituatie en een bedreigende markt, waarvan het bedrijf met name concurrentienadeel ondervindt, alsmede dat sprake is van bij appellante onvoldoende ontwikkelde ondernemerscapaciteiten. De financiële analyse heeft FCBV niet kunnen uitvoeren door een gebrek aan gegevens.

1.3. Het college heeft de aanvraag van 26 september 2008 bij besluit van 30 januari 2009 afgewezen op de grond dat het bedrijf van appellante niet levensvatbaar is. Bij besluit van 8 mei 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 30 januari 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat ten tijde van het besluit op de aanvraag van 30 januari 2009 sprake was van een levensvatbaar bedrijf. Verder heeft appellante aangevoerd dat het advies van FCBV niet op juiste gronden tot stand is gekomen. Zij heeft daarbij gewezen op de overweging van FCBV dat de financiële analyse niet kon worden uitgevoerd door een gebrek aan gegevens. Appellante voert aan dat zij alle gegevens heeft toegezonden waarom is verzocht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In geding is alleen een aanvraag om algemene bijstand. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of het college het advies van FCBV inhoudende dat het uitzendbureau van appellante geen levensvatbaar bedrijf is, aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

4.2. Onder een levensvatbaar bedrijf wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 verstaan het bedrijf waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan. Blijkens de toelichting op deze bepaling impliceert dit dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan.

4.3. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 26 juli 2011, LJN BR3289), is een bijstandsverlenend orgaan gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming over vragen betreffende de levensvatbaarheid van startende ondernemingen te baseren op verkregen adviezen van deskundige instanties. FCBV kan als een zodanige instantie worden aangemerkt. In hetgeen appellante heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat het advies van FCBV op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd. Onder de gedingstukken bevinden zich geen objectieve gegevens - zoals een deskundig tegenadvies - die de stelling van appellante dat wel sprake is van een levensvatbaar bedrijf, kunnen onderbouwen. Appellante heeft tenslotte niet inzichtelijk gemaakt hoe en op grond van welke gegevens FCBV wel een financiële analyse had kunnen uitvoeren.

4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.3 volgt dat het college zich bij zijn besluitvorming op het advies van FCBV heeft kunnen baseren. Het college heeft de aanvraag van appellante van 26 september 2008 dan ook terecht afgewezen.

4.5. Het bovenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en M. Hillen en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.