Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BY1390
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2012:BY1390
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 10/6046 WWB
Datum uitspraak: 16-10-2012
Wetsartikelen: artt. 9 en 18 Wwb
Essentie: Oplegging maatregel van 50% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende twee maanden omdat appellant heeft geweigerd deel te nemen aan een re-integratietraject. Het is aan het college om te bepalen welke re-integratievoorziening aangewezen is om het uiteindelijk beoogde doel van arbeidsinschakeling te bereiken. Er is voldaan aan de vereisten van op de persoon toegesneden maatwerk en afweging. Door medewerking aan de voorziening te weigeren, heeft appellant niet voldaan aan de ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb op hem rustende verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 10/6046 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 september 2010, 10/985 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college).

Datum uitspraak: 16 oktober 2012.




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.A.C. van Etten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2012. Namens appellant is mr. Van Etten verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.J. de Feijter.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt vanaf 31 oktober 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij aanvang van de bijstand verrichtte appellant nog werkzaamheden in een tijdelijke parttimebaan voor 16 uur per week. Op 1 januari 2008 is dit dienstverband beëindigd. Appellant heeft vanaf 1 januari 2008 een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangen. Bij besluit van 26 juni 2008 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 1 juli 2008 geen recht meer heeft op deze uitkering. De Raad heeft bij uitspraak van 17 augustus 2011, LJN BR5854, geoordeeld dat dit besluit op goede gronden berust. Omdat appellant lopende de bezwaar- en beroepsprocedure bleef volhouden niet arbeidsgeschikt te zijn, heeft het college op 24 september 2008 aan het bureau Ausems en Kerkvliet, arbeidsmedisch adviseurs (Ausems en Kerkvliet), verzocht een medisch belastbaarheidsonderzoek te verrichten. Een verzekeringsarts van Ausems en Kerkvliet heeft appellant daartoe op 27 oktober 2008 gezien. Op 2 april 2009 heeft Ausems en Kerkvliet een rapport uitgebracht. De conclusie daarin is dat appellant ondanks de gezondheidsklachten en problemen belastbaar is met arbeid. Zijn in acht te nemen beperkingen zijn opgenomen in een functionele mogelijkhedenlijst.

1.2. Hierna heeft de casemanager op 9 april 2009 een gesprek gevoerd met appellant, waarbij de casemanager hem te kennen heeft gegeven dat appellant wordt aangemeld bij het Arbeid Training Centrum (ATC). Bij brief van 9 april 2009 heeft het college schriftelijk aan appellant bevestigd dat hij op woensdag 22 april 2009 wordt verwacht voor het intakegesprek. Aangezien appellant zonder bericht niet is verschenen op dit gesprek, heeft het college het recht op bijstand vanaf 22 april 2009 opgeschort. Aan appellant is een hersteltermijn geboden en hij is opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 18 mei 2009.

1.3. Bij besluit van 28 mei 2009 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 mei 2009 voor de duur van twee maanden verlaagd met 50% op de grond dat appellant geweigerd heeft deel te nemen aan het ATC-traject. Daarmee heeft hij niet of onvoldoende meegewerkt aan het traject dat nodig is om zijn kans op werk te vergroten.

1.4. Bij besluit van 1 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad verwijst voor de hier van toepassing zijnde bepalingen van de WWB en de Maatregelverordening Gemeente Arnhem (Maatregelverordening) naar de aangevallen uitspraak. Tot deze bepalingen behoort artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, op grond waarvan - voor zover van belang - de belanghebbende verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

4.2. Appellant was ten tijde hier van belang niet van de onder 4.1 genoemde verplichting ontheven. Niet in geschil is dat het ATC-traject dient te worden aangemerkt als een voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

4.3. Appellant betoogt dat hem geen concreet aanbod is gedaan. Hij heeft daarom niet een aangeboden voorziening geweigerd. Met appellant is echter op 9 april 2009 gesproken over deelname aan het ATC-traject en is hem meegedeeld dat hij voor dit traject wordt aangemeld. Vervolgens is aan hem diezelfde dag een uitnodiging voor een intakegesprek verstuurd. In die brief heeft het college aan appellant laten weten dat het ATC voor hem een passende voorziening is om zijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten en dat deelname hieraan één van de voorwaarden is om voor bijstand in aanmerking te komen. Het ATC leidt direct tot inschakeling in de arbeid. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat met appellant op 18 mei 2009 het ATC-traject en de in het kader van dat traject aangeboden werkzaamheden - waarbinnen voor belanghebbende een keuze bestaat - zijn besproken. Appellant heeft immers zelf in zijn bezwaarschrift van 7 juli 2009 concreet aangegeven welk werk hem is aangeboden. Daaruit volgt dat hem op 18 mei 2009 een concreet aanbod is gedaan om deel te nemen aan het ATC-traject. Uit de gedingstukken, zoals nog nader toegelicht ter zitting, blijkt dat appellant zich in het gesprek op 18 mei 2009 zeer negatief opstelde en aangaf niet in staat te zijn tot deelname aan het traject. Hij heeft dan ook geen keuze willen maken tussen werken intern of werken in het groen en zo doende medewerking aan het traject geweigerd. Aldus heeft hij geen gebruik gemaakt van de hem aangeboden voorziening. Daarom faalt het betoog van appellant.

4.4. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het college niet vooraf heeft vastgesteld dat deze voorziening voor hem, gelet op de omstandigheden en zijn persoon, noodzakelijk is om te komen tot uitstroom naar de reguliere arbeidsmarkt en dat het college met het aangeboden traject niet de juiste keuze heeft gemaakt.

4.5. De Raad onderschrijft allereerst het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat rust dat het niet aan betrokkene maar aan het college is om te bepalen welke re-integratievoorziening aangewezen is om het uiteindelijk beoogde doel van arbeidsinschakeling te bereiken. Wel dient het college maatwerk te leveren en moet de voorziening het resultaat zijn van een zorgvuldige, op de persoon toegesneden afweging die, kort gezegd, aan de betrokkene kenbaar moet zijn gemaakt.

4.6. Aan deze vereisten is voldaan. Het college heeft zich, gelet op de zich onder de gedingstukken bevindende rapportages, op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant arbeidsritme moest opdoen omdat hij vanaf 2007 niet meer had gewerkt, dat ondersteuning diende te worden geboden bij het solliciteren en dat duidelijkheid moest worden verkregen over wat appellant wil en kan. Van belang is dat het college voor appellant heeft gekozen voor het ATC-traject omdat hij over voldoende startkwalificaties beschikt, nog niet zo lang werkloos was en in dit arbeidtrainingscentrum direct aan de slag kon. Daarbij zou met appellant een trajectplan worden opgesteld. Met het verrichten van werkzaamheden bij het ATC-traject kan de belanghebbende werknemersvaardigheden verkrijgen of behouden, zoals het opdoen van arbeidsritme en het op tijd komen. Er wordt interne begeleiding geboden, ook bij het solliciteren. De duur van het traject is afhankelijk van het individuele verloop. Als het werk goed verloopt, wordt belanghebbende begeleid naar regulier werk. Gelet hierop heeft het college het ATC-traject kunnen aanmerken als een voor appellant passende voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het college heeft voldoende toegelicht dat het werk voor Werken voor de stad, dat appellant wilde verrichten op therapeutische basis, voor hem niet passend werd geacht, omdat hij normaal belastbaar is met arbeid.

4.7. Appellant heeft nog een beroep gedaan op zijn gezondheidsklachten, waardoor hij niet in staat is deel te nemen aan de voorziening. Uit het medisch belastbaarheidsonderzoek van Ausems en Kerkvliet van 2 april 2009 is gebleken dat appellant lichamelijke beperkingen ondervindt, zoals aangegeven in de functionele mogelijkhedenlijst, maar dat hij belastbaar is met arbeid. De rechtbank heeft op grond van de door haar gebezigde motivering terecht geoordeeld dat het college bij zijn besluitvorming op deze rapportage mocht afgaan. Aangezien appellant zijn standpunt dat het rapport van Ausems en Kerkvliet onzorgvuldig tot stand is gekomen en onjuist is, niet heeft onderbouwd met medische stukken, bestaat geen grond om, zoals appellant heeft bepleit, een onafhankelijke deskundige in te schakelen voor een nader medisch onderzoek.

4.8. Door tijdens het gesprek op 18 mei 2009 medewerking aan de voorziening te weigeren heeft appellant niet voldaan aan de ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB op hem rustende verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Voorts kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het college was dan ook gehouden met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand te verlagen. Dit leidt, ingevolge de door de rechtbank aangehaalde artikelen van de Maatrelegelverordening, tot een maatregel van 50% van de bijstandsnorm voor de duur van twee maanden. In wat appellant heeft aangevoerd wordt geen grond gezien voor het oordeel dat de maatregel, gelet op de ernst van de gedraging, de mate waarin appellant de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert, dient te worden gematigd.

4.9. Gezien 4.1 tot en met 4.8 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2012.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) V.C. Hartkamp