Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BY2358
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2012:BY2358
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 11/608 WWB
Datum uitspraak: 23-10-2012
Wetsartikelen: artt. 11, 53a en 54 Wwb
Essentie: Intrekking bijstandsuitkering omdat appellante niet alle gevraagde gegevens heeft verstrekt. De gevraagde stukken zijn van belang om duidelijkheid te verkrijgen over het vermogen van appellante en dus ook voor de beoordeling van het recht op bijstand. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor haar niet mogelijk was de gevraagde documenten vóór de datum in geding te overleggen dan wel vóór die datum om - verder - uitstel te verzoeken.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 11/608 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 december 2010, 10/448 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college).

Datum uitspraak 23 oktober 2012.




PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.J.J. Smeets, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak met registratienummer 11/621 WWB, plaatsgevonden op 11 september 2012. Namens appellante is mr. Smeets verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A.T.M. Brouns. In de gevoegde zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sinds 7 september 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Na een tweetal meldingen dat appellante - onder meer - onroerende zaken in Servië in eigendom zou hebben, heeft het college een onderzoek ingesteld. Op basis van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 18 september 2009 het recht op bijstand van appellante opgeschort met ingang van 1 september 2009. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens over op haar naam staande onroerende zaken te [plaatsnaam] in Servië niet heeft gemeld en heeft haar de gelegenheid gegeven dit verzuim alsnog te herstellen door persoonlijk op 2 oktober 2009 de eigendomsakte en het taxatierapport van deze onroerende zaken alsmede gegevens over inkomsten daaruit over te komen leggen. Appellante heeft echter volstaan met het overleggen van een tweetal onvertaalde documenten. Met appellante is afgesproken dat zij vóór 1 november 2009 alsnog de gevraagde gegevens verstrekt. Op 12 oktober 2009 heeft appellante een kopie van een bladzijde uit een taxatierapport betreffende onroerende zaken te [plaatsnaam] overgelegd. Bij besluit van 10 november 2009 heeft het college de bijstand van appellante ingetrokken op de grond dat zij niet alle gevraagde gegevens heeft verstrekt en daarmee het verzuim niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft hersteld.

1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hangende het bezwaar heeft zij onder meer de volgende stukken ingezonden: een uitspraak van het Kantongerecht te [plaatsnaam] van 5 augustus 1983 en een vertaald taxatierapport betreffende op haar naam staande onroerende zaken te [plaatsnaam].

1.3. Bij besluit van 8 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 november 2009 deels gegrond verklaard en - voor zover van belang - de ingangsdatum van de intrekking van de bijstand bepaald op 1 oktober 2009.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. De gevraagde stukken zijn niet van belang voor de beoordeling van haar recht op bijstand. Uit de uitspraak van het Kantongerecht te [plaatsnaam] van 5 augustus 1983 blijkt namelijk dat appellante niet meer beschikt over de op haar naam staande onroerende zaken te [plaatsnaam]. Daarnaast kon het appellante niet worden verweten dat zij niet alle gevraagde stukken tijdig kon aanleveren. Het college was dan ook niet bevoegd om de bijstand in te trekken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellante heeft tegen het besluit tot opschorting van het recht op bijstand van 18 september 2009 geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand ingaande 1 oktober 2009 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.

4.2. Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.3. Appellante heeft weliswaar gevolg gegeven aan de in het opschortingsbesluit van 18 september 2009 vervatte oproep om op 2 oktober 2009 te verschijnen, maar zij heeft daarbij niet de gevraagde stukken meegenomen. Vervolgens heeft het college de hersteltermijn verlengd tot 1 november 2009. Binnen deze termijn heeft appellante evenmin tijdig alle gevraagde gegevens overgelegd. Immers, appellante heeft op 12 oktober 2009 slechts één enkele onvertaalde bladzijde uit het taxatierapport betreffende de op haar naam staande onroerende zaken te [plaatsnaam] ingezonden.

4.4. De gevraagde stukken zijn van belang zijn om duidelijkheid te verkrijgen over het vermogen van appellante en dus ook voor de beoordeling van het recht op bijstand. Anders dan appellante stelt, kan uit de uitspraak van het Kantongerecht te [plaatsnaam] van 5 augustus 1983 niet worden opgemaakt dat zij niet beschikt over onroerende zaken in Servië. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat uit deze uitspraak weliswaar blijkt dat appellante als kleindochter haar aandeel in de nalatenschap van haar overleden grootmoeder heeft afgestaan aan haar oom, maar dat daaruit niet valt op te maken waaruit de erfenis precies bestond. Uit bedoelde uitspraak blijkt in ieder geval niet dat onder de aan de oom afgestane erfenis ook de op naam van appellante staande onroerende zaken te [plaatsnaam] vallen.

4.5. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor haar niet mogelijk was de gevraagde documenten vóór 1 november 2009 over te leggen dan wel vóór die datum om - verder - uitstel te verzoeken. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat het door appellante hangende het bezwaar overgelegde taxatierapport dateert van 7 oktober 2009 en dat met appellante was afgesproken dat zij vóór 1 november 2009 onder meer een taxatierapport van de aan de hier aan de orde zijnde onroerende zaken te [plaatsnaam] zou inleveren.

4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat aan de in artikel 54, vierde lid, van de WWB gestelde toepassingsvoorwaarden is voldaan. Het college was daarom bevoegd de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2009 in te trekken.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en M. Hillen en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2012.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) A.C. Oomkens