Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BZ3247
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3247
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 11/3131 WWB en 11/3132 WWB
Datum uitspraak: 05-03-2013
Wetsartikelen: art. 35 Wwb
Essentie: Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van het eigen risico van de zorgverzekering over de jaren 2009 en 2010. Het verplicht eigen risico voor de Zorgverzekeringswet geldt voor alle zorgverzekerden. Alle zorgverzekerden kunnen daarmee dus te maken krijgen. Dat appellanten vanwege hun medische omstandigheden de kosten van het eigen risico telkens volledig moeten dragen en andere zorgverzekerden mogelijk niet, maakt dat niet anders.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 14 april 2011, 10/1457 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

(appellant) en (appellante), beiden wonende te [woonplaats],

het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas (college).

Datum uitspraak 5 maart 2013.




PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verstraten. Voor appellant is verschenen mr. Verstraten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door S.R. Schipperheijn.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 27 april 2010 heeft het college de aanvraag van appellanten van 4 januari 2010 om bijzondere bijstand voor de kosten van het eigen risico van de zorgverzekering over de jaren 2009 en 2010 afgewezen.

1.2. Bij besluit van 8 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 27 april 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 15 van de Wet werk en bijstand. De rechtbank heeft overwogen dat binnen de voorliggende voorziening voor de kosten van medische zorg een bewuste keuze van de wetgever tot het opleggen van een eigen risico aan de verzekerden ten grondslag ligt, zodat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor deze kosten geen bijzondere bijstand kan worden verleend en dat appellanten deze kosten uit hun inkomen moeten voldoen.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat in hun situatie bijzondere bijstand voor deze kosten wordt verleend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In hetgeen is aangevoerd is geen grond gelegen om tot een ander oordeel te komen dan dat waartoe de rechtbank is gekomen, zoals hiervoor onder 2 weergegeven. Dat oordeel is in overeenstemming met de vaste rechtspraak, zoals onder meer neergelegd in de door de rechtbank aangehaalde uitspraak (CRvB 21 december 2010, LJN BO9361).

4.2. Met betrekking tot de beroepsgrond van appellanten dat zij allebei hun eigen risico voor de zorgverzekering steeds volledig opsouperen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 21 februari 2012, LJN BV6493. Het verplicht eigen risico voor de Zorgverzekeringswet geldt voor alle zorgverzekerden. Alle zorgverzekerden kunnen daarmee dus te maken krijgen. Dat appellanten vanwege hun medische omstandigheden de kosten van het eigen risico telkens volledig moeten dragen en andere zorgverzekerden mogelijk niet, maakt dat niet anders.

4.3. Wat appellanten verder hebben aangevoerd over (de oorzaak van) hun slechte financiƫle positie, leidt niet tot een ander oordeel.

4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) P.C. de Wit