Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BZ4841
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4841
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 11/3388 WWB
Datum uitspraak: 19-03-2013
Wetsartikelen: artt. 17, 31, 54 en 58 Wwb
Essentie: Herziening, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Appellante heeft diverse malen geld op rekeningen van personen in het buitenland gestort. Ten tijde van het overmaken van de gelden in maart 2009, september 2009 en januari 2010 beschikte appellante of kon appellante redelijkerwijs beschikken over die gelden. Het gaat om feiten of omstandigheden waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Door daarvan geen melding te maken bij het college heeft appellante, anders dan zij heeft aangevoerd, de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 11/3388 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 april 2011, 11/264 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college).

Datum uitspraak: 19 maart 2013.




PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. D. Numan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Numan. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Carter.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 14 september 2000 met enkele onderbrekingen bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een bij het college gerezen vermoeden van bijstandsfraude heeft de sociale recherche van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Daarbij is onder meer naar voren gekomen dat appellante diverse malen geld op rekeningen van personen in het buitenland heeft gestort. De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 16 september 2010 de bijstand van appellante over de maanden maart 2009, september 2009 en januari 2010 en over de periode van 28 augustus 2009 tot en met 31 augustus 2009 te herzien (lees: in te trekken) en de kosten van de over die maanden en periode verleende bijstand tot een bedrag van in totaal € 6.030,76 van appellante terug te vorderen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet bij het college te melden dat zij inkomsten had en dat als zij die inkomsten wel had opgegeven aan haar geen bijstand zou zijn verleend.

1.3. Bij besluit van 8 december 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 september 2010 gedeeltelijk gegrond verklaard, met dien verstande dat het college slechts de intrekking en terugvordering van de bijstand over de maanden maart 2009, september 2009 en januari 2010 heeft gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat van schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is. De gelden die zij heeft overgemaakt zijn niet van haar, maar van haar vriendin M.M. [V.] [V.] (V). V heeft appellante gevraagd de gelden naar het buitenland over te maken.
V kon dat zelf niet doen, omdat zij op dat moment niet beschikte over een geldig legitimatiebewijs. Appellante heeft bij wijze van vriendendienst aan het verzoek van V voldaan. Het had appellante niet redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat dit van invloed zou kunnen zijn op haar recht op bijstand.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante via Western Union Money Transfer in maart 2009 € 2.000,--, in september 2009 tweemaal € 1.439,-- en in januari 2010 € 1.300,-- heeft overgemaakt aan personen in het buitenland.

4.2. Indien een betrokkene geld overmaakt aan een ander is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat dit geld ten tijde van het overmaken behoort tot de middelen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellante is daarin niet geslaagd.

4.3. Appellante heeft ter onderbouwing van haar stelling dat het geld niet aan haar maar aan V toebehoorde, gewezen op de verklaring die V als getuige ter zitting van de rechtbank heeft afgelegd. V heeft toen verklaard dat de gelden van haar afkomstig waren en dat zij aan appellante heeft gevraagd die gelden via Western Union Money Transfer naar het buitenland over te maken. V heeft toen ook verklaard dat de geadresseerden van de money transfers die hier aan de orde zijn, kennissen van vriendinnen waren en dat zij die kennissen niet zelf in persoon of bij naam kent en dat het om geldleningen ging. De verklaring van V is ongeloofwaardig. Niet aannemelijk is dat V geld in bedragen als hier aan de orde laat overmaken aan personen in het buitenland die zij zelf niet in persoon of bij naam kent. Appellante heeft gesteld dat V in maart 2009 in totaal € 1.850,-- en ook in september 2009 en januari 2010 aanzienlijke bedragen contant op haar rekening heeft gestort. Anders dan appellante heeft aangevoerd, wijst die omstandigheid er niet op dat de gelden die appellante heeft overgemaakt aan V toebehoorden.

4.4. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, betekent dat appellante ten tijde van het overmaken van de gelden in maart 2009, september 2009 en januari 2010 over die gelden beschikte of redelijkerwijs kon beschikken. Het gaat om feiten of omstandigheden waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Door daarvan geen melding te maken bij het college heeft appellante, anders dan zij heeft aangevoerd, de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het hoger beroep treft daarom geen doel.

4.5. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en J.J.A. Kooijman en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2013.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) M. Sahin