Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN CA0554
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2013:CA0554
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 12/1546 WWB
Datum uitspraak: 21-05-2013
Wetsartikelen: artt. 11, 17 en 40 Wwb
Essentie: Weigering bijstandsuitkering omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij feitelijk verblijft in de gemeente. Ook van iemand die stelt dakloos te zijn, kan worden gevergd dat hij, voordat hij in aanmerking kan komen voor bijstand, controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Appellant heeft dat niet gedaan.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 12/1546 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 februari 2012, 11/3965 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college).

Datum uitspraak 21 mei 2013.




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. T.P. Boer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.J.M. Schakenraad.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is vanuit Duitsland naar Nederland gekomen en heeft zich op 1 maart 2011 als dakloze bij het UWV werkbedrijf gemeld voor een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 16 maart 2011 afgewezen en dit besluit na bezwaar van appellant gehandhaafd bij besluit van 19 augustus 2011 (bestreden besluit). Aan de afwijzing ligt ten grondslag dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij feitelijk verblijft in de gemeente Arnhem.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. De gronden van appellant komen er in de kern op neer dat hij eerst bijstand moet krijgen, voordat hij zich feitelijk in Nederland kan vestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 maart 2011 tot en met 16 maart 2011.

4.2. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat het recht op bijstand jegens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bijstand aan een belanghebbende zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt verleend door het college van burgemeester en wethouders van een bij die algemene maatregel aan te wijzen gemeente. De gemeente Arnhem is één van de als zodanig aangewezen gemeenten.

4.3. Voorop staat dat controleerbare gegevens over de feitelijke woon- en verblijfplaats van essentieel belang zijn voor de beantwoording van de vraag of iemand recht heeft op bijstand. Ook van iemand die stelt dakloos te zijn, kan worden gevergd dat hij, voordat hij in aanmerking kan komen voor bijstand, controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Appellant heeft dat niet gedaan. Hij is niet ingegaan op het aanbod van de zijde van het college om gebruik te maken van de nachtopvang en had geen postadres. Appellant heeft alleen een nachtregistratieformulier ingeleverd. Uit de door appellant op dat formulier genoteerde overnachtingadressen blijkt niet meer dan dat hij in de periode van 7 maart 2011 tot en met 15 maart 2011 in zijn auto, in een huisje in voormalig Oost-Duitsland, dan wel in een pension heeft geslapen. Appellant heeft op het formulier niet vermeld waar de auto stond en evenmin welk pension het betrof, ondanks dat op het formulier staat dat een exacte omschrijving moet worden gegeven van het overnachtingadres. Van controleerbare gegevens met betrekking tot het feitelijk verblijf was geen sprake.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen, slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) M. Sahin