Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN CA1511
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2013:CA1511
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 12/992 BBZ
Datum uitspraak: 28-05-2013
Wetsartikelen: artt. 78f Wwb / 1 en 2 Bbz 2004 / 8:75 Awb
Essentie: Weigering om appellant in aanmerking te brengen voor de voorbereidingsperiode op grond van het Bbz 2004. Gelet op de bevindingen van twee adviesbedrijven zullen de plannen van appellant naar verwachting niet leiden tot vestiging van een levensvatbaar bedrijf.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 12/992 BBZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 februari 2012, 11/7009 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college).


Datum uitspraak: 28 mei 2013.




PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2013. Appellant is verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft het plan opgevat om een bureau voor mediaproducties op te zetten.
Op 9 augustus 2009 heeft appellant een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor de voorbereidingsperiode op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004).

1.2. Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) verzocht advies uit te brengen over de geschiktheid van appellant voor een traject gericht op zelfstandig ondernemerschap. Op 21 januari 2010 heeft het IMK een negatief advies uitgebracht. Op grond van de bevindingen van het IMK heeft het college bij besluit van 5 april 2010 de aanvraag van appellant afgewezen.

1.3. Het college heeft hangende het bezwaar tegen het besluit van 5 april 2010 de FBA Adviesgroep (FBA) gevraagd een advies uit te brengen over de exploitatievooruitzichten en de financieringsmogelijkheden van het bedrijf van appellant. De FBA heeft appellant in dat kader gevraagd een nieuw ondernemingsplan in te leveren. Appellant heeft dit nagelaten. Op 28 oktober 2010 heeft de FBA een advies uitgebracht.

1.4. Bij besluit van 1 november 2010 heeft het college het besluit van 5 april 2010 ingetrokken.

1.5. Bij besluit van 5 april 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 juli 2011 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat, gelet op de bevindingen van het IMK en de FBA, de plannen van appellant naar verwachting niet zullen leiden tot vestiging van een levensvatbaar bedrijf.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat door afwijzing van de aanvraag en de voortslepende vervolgprocedures de opstart van zijn bedrijf ernstige vertraging heeft opgelopen. Bovendien hebben voorafgaand aan, maar ook tijdens de aanvraagprocedure, de gemeente Leiden en andere overheids- en aanverwante instanties bij voortduring een tegenwerkende rol gespeeld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In dit geding spitst het geschil zich toe op de vraag of het bedrijf dat appellant wil vestigen levensvatbaar is.

4.2. Onder een levensvatbaar bedrijf wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 verstaan het bedrijf waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan. Dit betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan. Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag.

4.3. Een bijstandverlenend orgaan is in zaken als hier aan de orde gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op concrete adviezen van deskundige instanties als het IMK en de FBA. De op verzoek van het college uitgebrachte rapporten van het IMK en de FBA getuigen van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent, zodat het college hiervan mocht uitgaan. Appellant heeft geen objectieve gegevens - zoals een deskundig tegenadvies - overgelegd die zijn standpunt dat sprake is van een levensvatbaar bedrijf ondersteunen. De stelling van appellant dat hij niet de middelen heeft voor het uitbrengen van een contra-expertise houdt geen stand. Op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank de mogelijkheid een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, waaronder de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Dit artikel is gelet op artikel 8:108 van de Awb van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Het is aan appellant om met betrekking tot de vraag of hij een contra-expertise zal laten verrichten in dat licht een afweging te maken.

4.4. Wat appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de tegenwerking van (overheids)instanties en ambtenaren valt buiten de omvang van het geding, zodat deze gronden onbesproken kunnen blijven.

4.5. Gelet op 4.1 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. Hillen en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2013.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) S. Aaliouli