Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Algemene nabestaandenwet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2010

 

INKOMENS-  EN  SAMENLOOPBESLUIT  ANW

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2011
(art. 5:7:1a Ivsv)

 
 

10 juni 1996, Stb. 1996, 306
Inwerkingtreding: 1 juli 1996
(T.a.v. artt. 10:2 en 20 Anw)

 

 

 

 
BESLUIT van 10 juni 1996 tot vaststelling van regels met betrekking tot het inkomen van de nabestaande (Inkomens- en samenloopbesluit Anw)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 juli 1995, Directie Sociale Verzekeringen nr. SV/VP/95/3496;
     Gelet op de artikelen 10, tweede lid, en 20 van de Algemene nabestaandenwet;
     De Raad van State gehoord (advies van 15 augustus 1995);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 juni 1996, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/VP/96/2142;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

§ 1.  Begripsbepalingen

 

Art. 1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Algemene nabestaandenwet;
b. een loondervingsuitkering: een uitkering krachtens de verplichte verzekering op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, alsmede een uitkering of inkomensvoorziening krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, krachtens hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen;
c. een stamrecht: een recht op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon.

 

 

§ 2.  Inkomen uit arbeid

 

Art. 2.
Voor de toepassing van artikel 10, eerste lid, van de wet wordt onder inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven verstaan:
a. opbrengst van arbeid;
b. winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep.

 

Art. 3.
-1. Onder opbrengst van arbeid als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt, voor zover bedoelde arbeid door een werknemer in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen wordt verricht, verstaan het loon in de zin van die wet.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt niet als opbrengst van arbeid beschouwd:
a. een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde één of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen, voor zover deze niet wordt gedekt door stortingen van de werknemer;
b. een loondervingsuitkering;
c. vakantie-uitkering.
-3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel b, worden voor zolang de dienstbetrekking voortduurt, uitkeringen op grond van de verplichte verzekering van de Ziektewet, op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wet, en op grond van de verplichte verzekering van de Werkloosheidswet als opbrengst van arbeid beschouwd.

 

Art. 4.
-1. Onder opbrengst van arbeid als bedoel in artikel 2, onderdeel a, worden, voor zover bedoelde arbeid in dienstbetrekking wordt verricht doch niet door een werknemer in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen, verstaan de gelden en alle andere voordelen die als beloning voor die arbeid worden genoten.
-2. Ten aanzien van de gelden en alle andere voordelen uit de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, is het bepaalde bij of krachtens artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen van overeenkomstige toepassing.
-3. In afwijking van het tweede lid wordt niet als opbrengst van arbeid beschouwd:
a. een uitkering die naar aard en strekking met een loondervingsuitkering overeenkomt;
b. vakantie-uitkering.
-4. In afwijking van het derde lid, onderdeel a, worden voor zolang de dienstbetrekking voortduurt, uitkeringen ter zake van werkloosheid als opbrengst van arbeid beschouwd.

 

Art. 5.
-1. Onder opbrengst van arbeid als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt, voor zover bedoelde arbeid niet in dienstbetrekking wordt verricht, verstaan het belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in hoofdstuk 3 en 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdeel a en b, en 3.92 van die wet.
-2. Het bij of krachtens artikel 13 van de Wet op de loonbelasting 1964 bepaalde is met betrekking tot het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
-3. Voor zover over de opbrengst van arbeid, zoals vastgesteld op grond van het eerste en tweede lid, geen aanspraak op vakantie-uitkering bestaat, wordt van dit inkomen slechts een deel in aanmerking genomen. Dit deel is gelijk aan het quotiënt van 100 en de som van 100 en het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

 

Art. 5a.
-1. Onverminderd de artikelen 3, 4 en 5 wordt tevens onder opbrengst van arbeid verstaan:
a. een uitkering op grond van een particuliere verzekering wegens derving van inkomen welke ten behoeve van de werknemer in het kader van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst is afgesloten;
b. een uitkering op grond van een pensioenregeling met uitzondering van een weduwen-, weduwnaars- en partnerpensioen;
c. een uitkering op grond van een regeling voor vervroegde uittreding of een regeling die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
d. een uitkering op grond van een regeling voor functioneel leeftijdsontslag of op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen;
e. loon dat uit vroegere dienstbetrekking van de nabestaande wordt genoten.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt niet onder opbrengst van arbeid verstaan:
a. een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde één of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen, voor zover deze niet worden gedekt door stortingen van degene die het betreffende inkomen geniet;
b. een eenmalige uitkering die na beëindiging van de dienstbetrekking aan een werknemer in verband met die beëindiging wordt betaald;
c. vakantie-uitkering over de in het eerste lid genoemde inkomensbestanddelen;
d. een vakantiebon, verstrekt naast een loondervingsuitkering, voor zover niet begrepen onder c;
e. periodieke uitkeringen uit hoofde van een stamrecht, dat is verkregen uit een eenmalige uitkering welke na beëindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer in verband met die beëindiging is toegekend, mits de werknemer aantoont dat de eenmalige uitkering door de werkgever betaalbaar is gesteld om naar eigen inzicht van de werknemer te besteden.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, wordt onder pensioenregeling verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan voor de toepassing van de Wet op de loonbelasting 1964.
-4. Voor zover over een inkomen, genoemd in het eerste lid, geen aanspraak op vakantie-uitkering bestaat, wordt dit inkomen slechts voor een deel in aanmerking genomen. De laatste volzin van artikel 5, derde lid, is voor het vaststellen van dit deel van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 6.
-1. Onder winst als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt verstaan de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die wet, en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, onderdeel a, b en c, van die wet, niet geacht worden te behoren tot die winst.
-2. Indien de berekening van de in het eerste lid bedoelde winst leidt tot een negatief bedrag, wordt die winst op nihil gesteld.
-3. Van de winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep, zoals vastgesteld op grond van het eerste en tweede lid, wordt slechts een deel in aanmerking genomen. De laatste volzin van artikel 5, derde lid, is voor het vaststellen van dit deel van overeenkomstige toepassing.

 

 

§ 3.  Inkomen in verband met arbeid

 

Art. 7.
-1. Voor de toepassing van artikel 10, eerste lid, van de wet wordt onder inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven verstaan:
a. een loondervingsuitkering alsmede uitkeringen die naar aard en strekking daarmee overeenkomen, met uitzondering van de uitkeringen die op grond van artikel 3, derde lid, en artikel 4, vierde lid, als opbrengst van arbeid worden beschouwd;
b. een basisbeurs en een aanvullende beurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000 alsmede een beurs die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
c. een bedrijfsbeëindigingsvergoeding van de door Onze Minister van Economische Zaken opgerichte Stichting ontwikkeling en sanering midden- en kleinbedrijf;
d. een maandelijkse bedrijfsbeëindigingsvergoeding van de door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij opgerichte Stichting ontwikkelings- en saneringsfonds voor de landbouw;
e. een uitkering ingevolge de wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of van Nederland ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een volkenrechtelijke organisatie of een andere mogendheid, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in dit lid, voor zover niet al begrepen onder a, met uitzondering van een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering op grond van de Algemene Kinderbijslagwet of met zorg waarop aanspraak bestaat ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet of op grond van artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten; en
f. het bedrag van de uitkering, bedoeld in onderdeel e, waarop recht bestaat, maar die niet wordt uitbetaald omdat onder de toepasselijke wetgeving gebruik is gemaakt van het daarin voorziene recht af te zien van het recht op die uitkering of de uitbetaling daarvan.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen in verband met arbeid beschouwd:
a. het bedrag waarmee de arbeidsongeschiktheidsuitkering of inkomensvoorziening is verhoogd met toepassing van artikel 10 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 2:51 of 3:9 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, artikel 22 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 53 of 63 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of een combinatie van deze artikelen;
b. vakantie-uitkering over de in het eerste lid genoemde inkomensbestanddelen;
c. een vakantiebon, verstrekt naast een loondervingsuitkering, voor zover niet begrepen onder b;
d. een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een loondervingsuitkering, toegekend aan een directeur-grootaandeelhouder die niet als werknemer in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen wordt beschouwd.
-3. Voor zover over een inkomen, genoemd in het eerste lid, geen aanspraak op vakantie-uitkering bestaat, wordt dit inkomen slechts voor een deel in aanmerking genomen. De laatste volzin van artikel 5, derde lid, is voor het vaststellen van dit deel van overeenkomstige toepassing.
-4. Indien een uitkering als bedoeld in het eerste lid gekort of geweigerd is op grond van een bestuurlijke boete of maatregel, wordt voor de toepassing van dit besluit als inkomen beschouwd de uitkering zonder deze korting of weigering.

 

 

§ 4.  Bepaling van het inkomen

 

Art. 8.
-1. Het inkomen uit of in verband met arbeid uit het bedrijfs- of beroepsleven wordt vastgesteld op het tot een bedrag per maand herleide inkomen, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 7, dat de uitkeringsgerechtigde in de maand waarover het recht op uitkering wordt vastgesteld, verwerft.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de maand gesteld op 21,75 dagen.
-3. Bij per maand wisselende inkomsten kan op basis van een geschat inkomen een gemiddeld inkomen per maand worden bepaald, waarna per periode van zes maanden een herberekening plaatsvindt.

 

Art. 9.
-1. De bij de toepassing van de voorgaande artikelen noodzakelijke omrekening in euro van het niet in euro uitgedrukte inkomen uit of in verband met arbeid geschiedt met behulp van de door de Europese Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen.
-2. Een wijziging van de in het eerste lid bedoelde koers beïnvloedt het op grond van artikel 8 vastgestelde inkomen niet, met dien verstande dat:
a. bij wijziging van het inkomen uit of in verband met arbeid, anders dan tengevolge van de koersmutaties, een omrekening plaatsvindt; en
b. ten minste eens per jaar een omrekening plaatsvindt.

 

Art. 10.
Het bepaalde in dit besluit ten aanzien van de onderscheiden inkomensbestanddelen is van overeenkomstige toepassing op de overhevelingstoeslag, bedoeld in de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies, voor zover die inkomensbestanddelen met die overhevelingstoeslag zijn vermeerderd.

 

 

§ 5.  Samenloop met buitenlandse uitkeringen aan nagelaten betrekkingen

 

Art. 11.
-1. Een op grond van de wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of van Nederland ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een volkenrechtelijke organisatie of een andere mogendheid toegekende uitkering, waaronder mede begrepen een verhoging van een uitkering, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in artikel 14, een uitkering als bedoeld in artikel 22 of een uitkering als bedoeld in artikel 26 van de wet anders dan op grond van de vrijwillige verzekering, wordt op de uitkering, bedoeld in artikel 14, respectievelijk op de uitkering, bedoeld in artikel 22, of op de uitkering, bedoeld in artikel 26, in mindering gebracht.
-2. Indien bij de vaststelling van de hoogte van een toegekende uitkering als bedoeld in het eerste lid, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in artikel 14 van de wet, rekening wordt gehouden met tot het gezin van de nabestaande behorende kinderen, worden voor de toepassing van het eerste lid de uitkeringen, bedoeld in artikel 14 en artikel 22 van de wet, samengeteld en als één uitkering beschouwd.
-3. Indien een op grond van de wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of van Nederland ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een volkenrechtelijke organisatie of een andere mogendheid toegekende uitkering als bedoeld in het eerste en tweede lid gekort of geweigerd is op grond van een bestuurlijke boete of maatregel, wordt voor de toepassing van het eerste en tweede lid als uitkering beschouwd de uitkering zonder deze korting of weigering.
-4. Indien een uitkering waarop recht bestaat op grond van de wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of van Nederland ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een volkenrechtelijke organisatie of een andere mogendheid, niet wordt uitbetaald omdat onder de toepasselijke wetgeving gebruik is gemaakt van het daarin voorziene recht af te zien van het recht op die uitkering of de uitbetaling daarvan, wordt voor de toepassing van het eerste en tweede lid uitgegaan van het bedrag van de uitkering indien geen gebruik zou zijn gemaakt van het recht af te zien van het recht op uitkering of de uitbetaling daarvan.

 

Art. 12.
Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing op de noodzakelijke omrekening van de in een buitenlandse munteenheid uitgedrukte uitkering, bedoeld in artikel 11.

 

 

§ 6.  Slotbepalingen

 

Art. 13.
Indien de toepassing van artikel 8, eerste lid, of artikel 11 van dit besluit tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, bepaalt de Sociale verzekeringsbank het inkomen of de wijze waarop een uitkering als bedoeld in artikel 11 op een uitkering als bedoeld in artikel 14, artikel 22 of artikel 26 in mindering wordt gebracht, op andere wijze.

 

Art. 14.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de Algemene nabestaandenwet in werking treedt.

 

Art. 15.
Dit besluit wordt aangehaald als: Inkomens- en samenloopbesluit Anw.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 10 juni 1996

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten

 

Uitgegeven de vijfentwintigste juni 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[10 juni 1996]

 

Algemeen

 

     De Algemene nabestaandenwet voorziet erin dat de uitkering van de nabestaande gekort wordt indien deze inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven heeft. Op grond van artikel 10, tweede lid, van de wet worden regels gesteld voor de vaststelling van het inkomen en de periode waarop die vaststelling betrekking heeft. Dit besluit, aan te halen als het Inkomens- en samenloopbesluit Anw, strekt daartoe. Bij de opstelling van dit besluit is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het Inkomensbesluit AOW 1996 en het Inkomensbesluit Toeslagenwet. Uitgangspunt is dat het totale netto-inkomen, dus het inkomen uit of in verband met arbeid en de gekorte of tot nul gereduceerde Anw-uitkering, steeds ten minste op het niveau van het sociaal minimum is.

     Dit besluit regelt ook de samenloop van de Anw-uitkering met een buitenlandse nabestaandenuitkering. Op grond van artikel 20 van de wet kunnen regels gesteld worden voor de samenloop met een buitenlandse uitkering. Op grond van de AWW was een dergelijk samenloopbesluit getroffen. In de situatie van de Anw wordt de samenloop met een buitenlandse uitkering niet in een apart samenloopbesluit geregeld, maar als een paragraaf van het onderhavige besluit.
     Het oude samenloopbesluit is nog van belang voor twee situaties. Dit betreft mensen met een AWW-uitkering en een buitenlandse nabestaandenuitkering die hun recht op uitkering ontlenen aan een overlijden vóór respectievelijk na 20 maart 1968 (de datum van het oude samenloopbesluit). Het is de bedoeling dat deze nabestaanden hun uitkering behouden. Omdat zij pas in 1998 met de werking van de gevolgen van dit besluit worden geconfronteerd, is het van belang dat zij hun geprorateerde uitkering tot dat moment behouden, berekend volgens de methodiek van het oude samenloopbesluit. Dit is geregeld in artikel 67 van de wet, waardoor de bepalingen van het samenloopbesluit van toepassing verklaard blijven tot 1998. Hierdoor wordt tevens bereikt dat als de buitenlandse uitkering wijzigingen ondergaat, de hoogte van de Nederlandse uitkering wordt bepaald aan de hand van het oude samenloopbesluit.

     Om de arbeidsparticipatie niet te ontmoedigen, wordt een gedeelte van het inkomen uit arbeid (niet van het inkomen in verband met arbeid) vrijgelaten. De vrijlatingsregeling houdt in dat van het inkomen uit arbeid een bedrag ter hoogte van 50% van het brutominimumloon buiten aanmerking wordt gelaten, vermeerderd met een derde gedeelte van het inkomen boven deze 50%. Het inkomen minus de vrijlating wordt vervolgens van de nabestaandenuitkering afgetrokken. Voor de volledigheid zij toegevoegd dat in het wetsvoorstel Wijziging Algemene nabestaandenwet (Kamerstukken II 1995-1996, 24 693) wordt voorgesteld nabestaanden met een AWW-uitkering ook een vrijlating te geven bij het inkomen in verband met arbeid, en wel ter hoogte van 50% minimumloon.

     Tot het inkomen worden niet gerekend het vermogen of de inkomsten uit vermogen, niet een particulier afgesloten verzekering en ook niet het aanvullende nabestaandenpensioen. De Anw-uitkering is namelijk de bodem voor het aanvullende nabestaandenpensioen. In deze beperktere invulling van het inkomensbegrip onderscheidt het inkomensbegrip in de Algemene nabestaandenwet zich van de middelentoets in de Algemene bijstandswet. Voor de volledigheid zij vermeld dat ook de halfwezenuitkering geen inkomen in de zin van dit besluit is.

     In de artikelen 2 tot en met 6 wordt aangegeven wat verstaan wordt onder inkomen uit arbeid. Op dit inkomen is de vrijlating zoals geregeld in artikel 18 van de wet van toepassing.
     In artikel 7 wordt aangegeven wat als inkomen in verband met arbeid moet worden beschouwd.
     Paragraaf 4 gaat over de bepaling van het inkomen. Artikel 8 geeft aan hoe het inkomen moet worden herleid tot een inkomen per maand en hoe moet worden omgegaan met per maand wisselende inkomsten. In artikel 9 wordt bepaald hoe inkomen dat is uitgedrukt in een buitenlandse munteenheid, moet worden omgerekend in de Nederlandse munteenheid. Artikel 10 geeft aan hoe moet worden omgegaan met de overhevelingstoeslag.
     In paragraaf 5 wordt aangegeven hoe gehandeld moet worden in geval van samenloop met buitenlandse uitkeringen aan nagelaten betrekkingen. In artikel 13 wordt bepaald dat de Sociale Verzekeringsbank in bepaalde gevallen tot een andere inkomensvaststelling kan komen.

     In het algemeen kan het volgende gesteld worden over het onderscheid tussen inkomen uit en inkomen in verband met arbeid. Voor personen die in dienstbetrekking werkzaam zijn (al dan niet in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV)) of een daarmee te vergelijken arbeidsverhouding hebben, dient al hetgeen uit die dienstbetrekking genoten wordt als opbrengst van arbeid te worden aangemerkt. Als inkomen in verband met arbeid dient te worden aangemerkt al het inkomen dat wordt genoten uit of is gerelateerd aan die dienstbetrekking, nadat de dienstbetrekking is geëindigd. Hierbij kan gedacht worden aan loondervingsuitkeringen op grond van de wettelijke verplichte werknemersverzekeringen, VUT-uitkeringen, pensioenen, aanvullingen op loondervingsuitkeringen, enzovoort. Een loondervingsuitkering die wordt verstrekt tijdens het bestaan van de dienstbetrekking zoals een ziektewetuitkering, wordt gezien als inkomen uit arbeid. Een eenmalige uitkering die na afloop van de dienstbetrekking aan de werknemer wordt betaald, wordt niet als inkomen in de zin van dit besluit beschouwd.
     Voor personen die werkzaam zijn in het kader van bedrijf of zelfstandig uitgeoefend beroep dient als inkomen uit arbeid te worden aangemerkt de winst. Inkomen in verband met arbeid voor deze categorie wordt gevormd door uitkeringen in geval van arbeidsongeschiktheid (echter niet op grond van een particulier afgesloten verzekering) en periodieke uitkeringen in verband met bedrijfsbeëindiging.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 2

     Dit artikel geeft een globale aanduiding van al hetgeen onder inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven moet worden verstaan. Het gaat om enerzijds opbrengst van arbeid (arbeid al dan niet in dienstbetrekking) en anderzijds winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep.

 

Artikel 3. Personen werkzaam in dienstbetrekking in de zin van artikel 3a, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV)

     In het eerste lid wordt bepaald wat de opbrengst van arbeid is voor personen werkzaam in dienstbetrekking in de zin van artikel 3a, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). Aansluiting is conform de Inkomensbesluiten TW en AOW [zie Inkomensbesluit Toeslagenwet en Inkomensbesluit AOW 1996, red.] gezocht bij het loonbegrip in de CSV. Indien de bedrijfsvereniging [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en uitvoeringsinstellingen, red.] de loonbetalingsverplichting op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet overneemt, is er eveneens sprake van loon.
     In het tweede lid wordt een aantal inkomensbestanddelen die wel als loon in de zin van de CSV worden beschouwd, uitgezonderd van het begrip inkomen uit arbeid (onderdelen b en c) dan wel van het inkomensbegrip in de zin van dit besluit (onderdelen a en d).


Onderdeel a

     Een aanspraak, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de CSV, om na verloop van tijd of onder een voorwaarde één of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen, wordt niet als loon beschouwd. Indien een dergelijke aanspraak tot het loon zou worden gerekend, zou de Anw-uitkering onvoldoende zijn om het relevante sociaal minimum te garanderen.


Onderdelen b en c

     Sinds de invoering van de Wet premieheffing over uitkeringen worden ZW-, WW- en WAO-uitkeringen, al dan niet vermeerderd met aanvullingen, beschouwd als loon. In het kader van dit besluit moeten deze uitkeringen echter als inkomen in verband met arbeid worden beschouwd (waarop geen vrijlating van toepassing is). Om die reden wordt in de onderdelen b en c bepaald dat deze inkomensbestanddelen niet als loon worden beschouwd.
     Een uitzondering op de onderdelen b en c staat in het derde lid. Dit heeft betrekking op het geval dat deze uitkeringen worden verstrekt terwijl het dienstverband voortduurt.


Onderdeel d

     Voor de bepaling van de hoogte van de Anw-uitkering dient de vakantie-uitkering (wat loon in de zin van de CSV is) buiten beschouwing te blijven. De reden hiervoor is de volgende.
     Voor de bepaling van de hoogte van de vakantie-uitkering over de Anw-uitkering is artikel 32 van de wet van belang. Hierin wordt bepaald dat als de nabestaandenuitkering met toepassing van artikel 18 van de wet wordt verminderd, op de vakantie-uitkering een evenredige vermindering wordt toegepast.
     Door het bepaalde in dit onderdeel d wordt nu voorkomen dat de vakantie-uitkering als bedoeld in dit onderdeel ook betrokken zou worden bij de korting van de Anw-uitkering zelf. Dit zou ertoe leiden dat de Anw-gerechtigde niet het sociaal minimum zou ontvangen.

     Het derde lid regelt een afwijking van het tweede lid. Dit tweede lid bepaalt dat een Ziektewet-uitkering en een werkloosheidsuitkering en de eventuele aanvullingen daarop, in beginsel als inkomen in verband met arbeid beschouwd worden. Indien deze uitkeringen echter worden verstrekt terwijl de dienstbetrekking nog voortduurt, worden zij beschouwd als inkomen uit arbeid. De uitkeringen worden dan dus gelijkgesteld aan het loon. Dit is van belang voor de vrijlating. Hierdoor wordt bereikt dat bij ziekteverzuim bij een dienstbetrekking en bij werkloosheid bij een dienstbetrekking (bijvoorbeeld in geval van buitengewone natuurlijke omstandigheden) er geen terugval in inkomen optreedt.

 

Artikel 4. Personen werkzaam in dienstbetrekking, maar niet in de zin van de CSV

     Dit artikel bepaalt wat de opbrengst van arbeid is van degene die wel in dienstbetrekking werkzaam is, maar niet in dienstbetrekking, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, van de CSV. Het betreft ambtenaren, militairen en huispersoneel. Teneinde te bereiken dat de gelden en alle andere voordelen die uit die dienstbetrekking zijn genoten, op dezelfde wijze worden gewaardeerd als de voordelen genoten uit een dienstbetrekking in de zin van de CSV, wordt in het tweede lid van dit artikel geregeld dat het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5 tot en met 8 van de CSV van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.
     In het derde lid is op grond van dezelfde overwegingen als bij artikel 3, tweede lid, onderdeel b, c en d, bepaald dat een met een loondervingsuitkering overeenkomende uitkering en de vakantie-uitkering niet worden beschouwd als opbrengst van arbeid. Een overeenkomende uitkering is inkomen in verband met arbeid waarop de vrijlating niet van toepassing is. Een uitzondering hierop staat in het vierde lid: zolang de dienstbetrekking voortduurt, wordt de werkloosheidsuitkering beschouwd als opbrengst van arbeid waarop de vrijlating wel van toepassing is.
     De vakantie-uitkering is geen inkomen in de zin van dit besluit.
     De hier bedoelde uitkeringen zijn onder meer: de WAO-conforme uitkering, het bovenwettelijk invaliditeitspensioen, het invaliditeitspensioen voor militairen, het Rijkswachtgeldbesluit 1959, de Uitkeringsregeling 1966, andere werkloosheids- en ontslaguitkeringsregelingen en de suppletie.

 

Artikel 5. Personen niet werkzaam in dienstbetrekking

     In dit artikel wordt het inkomen uit arbeid bepaald van degenen die niet in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking werkzaam zijn en waarvan geen sprake is van arbeid als zelfstandige. Het betreft personen die niet op basis van een arbeidsovereenkomst werken, terwijl hun arbeidsverhouding ook niet ingevolge de loondervingsverzekeringswetten met een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking is gelijkgesteld.
     Zij verrichten arbeid in het economisch verkeer, waarmee het behalen van enig voordeel wordt beoogd, zonder dat er sprake is van hetzij een dienstbetrekking, hetzij een onderneming. In dit verband moet bijvoorbeeld gedacht worden aan thuiswerkers die per week doorgaans minder dan twee vijfde van het minimumloon verdienen, aan huishoudelijke hulpen die wekelijks doorgaans op minder dan drie dagen in een bepaald huishouden werken of aan politieke ambtsdragers.
     Het derde lid is van belang voor die personen, bedoeld in het eerste lid, die over hun arbeidsinkomen geen recht op vakantiebijslag hebben. Het totale inkomen per maand (inkomen en Anw-uitkering) is op het niveau van het sociaal minimum, maar het totale inkomen per jaar inclusief vakantiegeld is dat niet, omdat over de Anw-uitkering wel vakantietoeslag wordt verleend, maar over de andere inkomsten niet. Door het hier bedoelde arbeidsinkomen slechts voor een deel (100/108) in aanmerking te nemen, wordt voorkomen dat het totale inkomen op jaarbasis lager is dan het sociaal minimum.

 

Artikel 6. Winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep

     Artikel 6 verduidelijkt wat is gesteld bij artikel 2, onderdeel b, namelijk winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep. Een inkomstenbron die reeds als opbrengst van arbeid, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 5 van dit besluit, of als inkomen in verband met arbeid, bedoeld in artikel 7, is aangemerkt, kan niet ook onder het winstbegrip begrepen worden.

     In het eerste lid is bepaald wat onder winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep dient te worden verstaan. Dit winstbegrip is overgenomen uit de Wet op de inkomstenbelasting 1964 [zie Wet inkomstenbelasting 2001, red.], komt overeen met het in die wet gehanteerde begrip winst uit onderneming en dient dan ook overeenkomstig te worden uitgelegd. In de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt eerst aangegeven waaruit gedurende het bestaan van een onderneming de winst bestaat (het zgn. "totale-winstbegrip" van artikel 7) en vervolgens hoe de winst moet worden toegerekend aan de respectieve kalenderjaren (het zgn. "jaarwinstbegrip" van de artikelen 9 en volgende). De "totale winst" is een ruim begrip: het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit onderneming. Hieronder vallen ook min of meer incidentele voordelen die uit de onderneming voortvloeien, zoals de winst behaald bij de verkoop van een bedrijfsauto. De winst wordt "nominalistisch" berekend, volgens het zgn. gulden-is-guldenstelsel, dat wil zeggen er wordt geen rekening gehouden met de waardeverandering die de munteenheid kan hebben ondergaan.
     De "jaarwinst" wordt bepaald volgens "goed koopmansgebruik", met inachtneming van een bestendige gedragslijn die onafhankelijk is van de vermoedelijke uitkomst en die slechts gewijzigd kan worden als goed koopmansgebruik dit rechtvaardigt. Dit biedt de ondernemer de mogelijkheid zelf binnen zekere grenzen een bepaald systeem van jaarlijkse winstberekening te kiezen. Een systeem dat in overeenstemming is met de bedrijfseconomische theorie, is in het algemeen in overeenstemming met goed koopmansgebruik, tenzij het niet strookt met de belastingwet, de algemene opzet van de belastingwet casu quo een beginsel van de belastingwet. Op dit gebied is een uitgebreide jurisprudentie ontwikkeld.
     De bestendige gedragslijn houdt in dat een eenmaal gekozen systeem dat in overeenstemming is met goed koopmansgebruik niet zonder meer mag worden vervangen door een ander, één en ander teneinde te voorkomen dat willekeur of uitsluitend fiscale motieven een rol zouden kunnen spelen.

     Teneinde uit de jaarlijkse winsten uiteindelijk de totale winst te kunnen berekenen, dient gedurende het bestaan van de onderneming de eindbalans van ieder jaar gelijk te zijn aan de beginbalans van het volgend jaar. Dit wordt het beginsel van de belanscontinuïteit genoemd. De winst behaald met of bij het staken van een onderneming dan wel met of bij overdracht of liquidatie van een gedeelte van de onderneming, winst genoten ter vervanging van door een onteigening gederfde of te derven voordelen uit onderneming en voorts voordelen uit onderneming die niet reeds op de voet van de artikelen 9 tot en met 15 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in aanmerking zijn genomen als bedoeld in artikel 16 van die wet, vallen niet onder het winstbegrip voor de toepassing van de Algemene nabestaandenwet.

 

Artikel 7. Inkomen in verband met arbeid

     In artikel 7 wordt aangegeven wat moet worden verstaan onder inkomen in verband met arbeid. In het eerste lid wordt een limitatieve opsomming van inkomensbestanddelen gegeven die volledig met de uitkering worden verrekend.
     Voor de volledigheid zij vermeld dat een toeslag op grond van de Toeslagenwet niet als inkomen in de zin van dit besluit wordt beschouwd. In het Inkomensbesluit Toeslagenwet wordt een Anw-uitkering als inkomen in verband met arbeid aangeduid. De Anw-uitkering wordt gekort met de loondervingsuitkering; betrokkene heeft dan in ieder geval een totaalinkomen op minimumniveau, zodat een toeslag op grond van de Toeslagenwet niet toegekend zal worden.
     Afkoopsommen op grond van de Liquidatiewet invaliditeitswetten en de ongevallenwetten zijn geen inkomen in de zin van dit besluit.


Onderdeel a

     In dit onderdeel wordt bepaald dat loondervingsuitkeringen als inkomen in verband met arbeid moeten worden beschouwd. Met de toevoeging "die naar aard en strekking daarmee overkomen" worden uitkeringen bedoeld op grond van de "oude" Werkloosheidswet, op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening voor zover die nog voorkomen, vergelijkbare uitkeringen voor overheidspersoneel en militairen (zie de voorbeelden bij de toelichting op artikel 4), vergelijkbare buitenlandse socialeverzekeringsuitkeringen, bovenwettelijke uitkeringen en aanvullingen op loondervingsuitkeringen.
     Zoals hierboven in de toelichting bij artikel 3 reeds is uiteengezet, worden een Ziektewet-uitkering en een werkloosheidsuitkering, zolang de dienstbetrekking voortduurt, alsmede aanvullingen op die uitkeringen, als inkomen uit arbeid beschouwd, waarop de vrijlatingsregeling van toepassing is.


Onderdeel b

     Bij een uitkering op grond van een particuliere verzekering wegens inkomensderving, gesloten ten behoeve van de werknemer in het kader van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst, gaat het om een uitkering die vergelijkbaar is met aanvullingen op loondervingsuitkeringen en bovenwettelijke uitkeringen. Uitkeringen op grond van particuliere verzekeringen, gesloten door zelfstandigen of door werknemers "los" van de arbeidsovereenkomst in de privésfeer, worden niet als inkomen in de zin van dit besluit beschouwd.


Onderdeel c en derde lid

     In het derde lid is de definitie van een pensioenregeling gegeven. Het betreft een toezegging door de werkgever, een verplichtstelling of een vrijwillige voorziening of een vrijwillige voortzetting. In dit besluit gaat het alleen om aanvullend ouderdomspensioen of invaliditeitspensioen. Aanvullend nabestaandenpensioen is bij onderdeel c uitgezonderd en is dus geen inkomen in de zin van dit besluit.


Onderdelen d en e

     Hierbij gaat het om uitkeringen op grond van vrijwillige en verplichte regelingen voor vervroegde uittreding. Deze uitkeringen en uitkeringen die daarmee naar aard en strekking overeenkomen, zijn inkomen in verband met arbeid.


Onderdeel f

     Onder loon uit vroegere dienstbetrekking van de nabestaande worden alle voordelen verstaan die een werknemer uit vroegere dienstbetrekking geniet, zoals periodieke uitkeringen die voortvloeien uit een stamrecht dat als schadeloosstelling voor gederfd inkomen is toegekend, voor zover deze inkomensbestanddelen niet al op grond van de onderdelen a, b, c, d, e, j of k als inkomen in verband met arbeid worden beschouwd. Het gaat alleen om loon uit vroegere dienstbetrekking van de nabestaande zelf en niet om dat van de overleden echtgenoot.


Onderdeel g

     Het recht op studiefinanciering gaat voor op het recht op Anw-uitkering. Dit wordt geregeld in onderdeel g, waarin is aangegeven dat een beurs en een aanvullende beurs op grond van de Wet op de studiefinanciering ten behoeve van studerenden van 18 jaar of ouder die volledig onderwijs volgen, alsmede beurzen die daarmee naar aard en strekking overeenkomen, als inkomen in verband met arbeid worden beschouwd.


Onderdelen h en i

     De hier genoemde bedrijfsbeëindigingsvergoedingen worden als inkomen in verband met arbeid beschouwd, omdat zij het karakter van inkomensdervingsuitkeringen hebben.


Onderdelen j en k

     Deze onderdelen betreffen alle sociale wettelijke uitkeringen van de Nederlandse Antillen, Aruba, een andere mogendheid of een volkenrechtelijke organisatie, dan wel een aanspraak daarop in het geval men de uitkering niet daadwerkelijk ontvangt omdat daarvan is afgezien, met uitzondering van de buitenlandse nabestaandenuitkeringen op grond van verplichte verzekering en met uitzondering van een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering op grond van de AKW of de AWBZ.


Tweede lid

     In het tweede lid wordt een opsomming gegeven van inkomensbestanddelen die geen inkomen in verband met arbeid zijn. Voor de volledigheid zij vermeld dat deze onderdelen ook geen inkomen uit arbeid zijn, zodat zij geen inkomen in de zin van dit besluit zijn.


Onderdeel a

     In het eerste lid van artikel 7 is via onderdeel f loon uit vroegere dienstbetrekking als inkomen in verband met arbeid aangeduid. Dit zou betekenen dat ook aanspraken die tot het loon uit vroegere dienstbetrekking behoren, tot het loon worden gerekend; wat ertoe zou kunnen leiden dat de Anw-uitkering onvoldoende is om het relevante sociaal minimum te garanderen. Daarom is bepaald dat dergelijke aanspraken (zoals bijvoorbeeld het werkgeversaandeel ten behoeve van de premieheffing voor de werknemersverzekeringen) niet tot inkomen in verband met arbeid worden gerekend.


Onderdeel b

     Een eenmalige uitkering die na beeindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer wordt betaald, wordt buiten beschouwing gelaten. Deze eenmalige uitkering moet wel ter vrije besteding van de werknemer komen.


Onderdeel c

     In dit geval gaat het om een verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met hulpbehoevendheid van de arbeidsongeschikte, waardoor oppassing en verzorging nodig is.


Onderdeel d

     Op grond van de overwegingen genoemd in de toelichting op artikel 3, tweede lid, onderdeel d, dienen ook vakantie-uitkeringen over inkomensbestanddelen die als inkomen in verband met arbeid beschouwd worden, niet in aanmerking te worden genomen.


Onderdeel e

     Bij een aantal bedrijfsverenigingen (met name de Bedrijfsvereniging voor het Agrarisch Bedrijf en de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid) wordt een vakantiebon verstrekt naast de loondervingsuitkering. Op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, zou een dergelijke vakantiebon als inkomen in verband met arbeid moeten worden beschouwd. Aangezien de vakantiebon pas op een later tijdstip wordt verzilverd, zou dit ertoe kunnen leiden dat degene die een vakantiebon naast een loondervingsuitkering ontvangt, een totaalinkomen zou genieten dat minder bedraagt dan het relevante sociaal minimum. Om die reden wordt de vakantiebon niet als inkomen in verband met arbeid beschouwd.


Onderdeel f

     Op grond van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 oktober 1985 (RSV, 1986, 21) wordt de directeur-grootaandeelhouder niet als werknemer in de zin van de werknemersverzekeringen beschouwd indien de feitelijke gezagsverhouding ontbreekt. In het kader van dit besluit worden de arbeidsinkomsten van deze directeur-grootaandeelhouder beschouwd als inkomen uit arbeid uit een dienstbetrekking, doch niet in de zin van artikel 3a, eerste lid, van de CSV. Dit betekent dat uitkeringen in geval van loonderving op grond van een (aanvullende) verzekering die door de vennootschap ten behoeve van deze directeur-grootaandeelhouder wordt afgesloten, als loon uit vroegere dienstbetrekking zouden moeten worden beschouwd. Het gaat hier om uitkeringen op grond van een vrijwillige verzekering ZW/WAO of op grond van een particuliere verzekering. In het kader van dit besluit worden deze inkomensbestanddelen buiten beschouwing gelaten. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat loondervingsuitkeringen zelf (met name AAW-uitkeringen) wel als inkomen in verband met arbeid worden beschouwd.

     Voor een toelichting op het vierde lid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5, derde lid.

     Het vijfde lid heeft betrekking op de situatie dat een uitkering die als inkomen in verband met arbeid wordt beschouwd, gekort of geweigerd wordt op grond van een boete of maatregel. Zonder nadere regeling zou een lagere andere uitkering leiden tot een hogere (minder gekorte) nabestaandenuitkering. Dit is niet de bedoeling, omdat dan de gevolgen van de boete of maatregel tenietgedaan zouden worden. Een gekorte of geweigerde uitkering wordt daarom beschouwd als een ongekorte uitkering en als zodanig bij de korting betrokken.

 

Artikel 8. Bepaling van het inkomen per maand


Eerste lid

     In dit onderdeel wordt bepaald over welke periode het inkomen uit of in verband met arbeid in beschouwing wordt genomen. Hoofdregel is daarbij het tot een bedrag per maand herleidde inkomen dat de Anw-uitkeringsgerechtigde in die maand verdient.


Derde lid

     In geval van wisselende inkomsten die leiden tot een per maand andere Anw-uitkering of periodieke betalingen (bijvoorbeeld eenmaal per kwartaal), is het niet zinvol per maand een voorschot te betalen en vervolgens iedere maand tot een beschikking met betrekking tot de afrekening te komen. Dit zou namelijk tot een verhoging van de werklast bij de SVB leiden, terwijl de inzichtelijkheid van de uitkeringsbedragen voor de uitkeringsgerechtigde evenredig afneemt.
     Om deze redenen is daarom bepaald dat (binnen de algemene systematiek van uitbetaling per maand van de uitkering) in bepaalde gevallen de uitkeringsgerechtigde zelf een schatting maakt van de inkomsten in de komende periode van zes maanden. Op basis van deze schatting wordt de uitkering berekend en uitbetaald. Vervolgens wordt ieder halfjaar de uitkering over de afgelopen maanden herberekend en in één keer verrekend.
 
 
 
Artikel 9

     Deze bepalingen zijn conform die in de andere inkomensbesluiten in de sociale zekerheid en behoeven dus geen toelichting. Om uitvoeringstechnische redenen is bepaald dat bij gelijkblijvend inkomen uit het buitenland de uitkering één keer per jaar herberekend wordt op grond van koersverschillen. In bijzondere gevallen kan de Sociale Verzekeringsbank dit ook vaker doen.
 
 
 
Artikel 10

     De verrekening van inkomensbestanddelen vindt inclusief de overhevelingstoeslag plaats. Dit artikel regelt dat een overhevelingstoeslag als inkomen uit of in verband met arbeid (afhankelijk van de vraag wat het betreffende inkomensbestanddeel is) moet worden beschouwd.
 
 
 
Artikel 11

     In dit artikel wordt geregeld hoe gehandeld moet worden indien de nabestaande ook een wettelijke uitkering aan nagelaten betrekkingen ontvangt uit het buitenland. Dit artikel komt qua resultaat in grote lijnen overeen met het oude AWW-samenloopbesluit. Nieuw is dat op grond van artikel 11 ook de wezenuitkering geanticumuleerd wordt met een buitenlandse wezenuitkering. Dit sluit aan bij de regeling van Verordening (EEG) 1408/71, ingevolge welke één lidstaat gehouden is wezenuitkering te betalen, waar louter nationaalrechtelijk aanspraak op wezenpensioen in verschillende lidstaten bestaat.
     Dit artikel ziet op de situatie van overlijden van een Nederlandse verzekerde, terwijl ook recht bestaat op een uitkering aan nagelaten betrekkingen uit een ander land.


Eerste lid

     Een nabestaanden-, halfwezen- of wezenuitkering uit dat andere land wordt in mindering gebracht op de overeenkomstige Nederlandse Anw-uitkering. Om vast te stellen welk soort uitkering het betreft, wordt naar de inhoud van de betreffende regeling gekeken, eerder dan alleen naar de naam.


Tweede lid

     Indien het gaat om een uitkering aan de overgebleven partner waarbij rekening wordt gehouden met het aanwezig zijn van kinderen in het huishouden, worden de nabestaandenuitkering en de halfwezenuitkering als één geheel beschouwd voor de berekening van de daadwerkelijke uitkering. Zo wordt bereikt dat de situatie onder de AWW in grote lijnen wordt voortgezet.


Derde lid

     Voor de toelichting op het derde lid wordt verwezen naar de toelichting op artikel 7, vijfde lid.


Vierde lid

     Voor de toelichting op het vierde lid wordt verwezen naar de toelichting op artikel 7, eerste lid, onderdeel k.

 

Artikel 12

     Voor de toelichting op artikel 12 wordt verwezen naar de toelichting op artikel 9.

 

Artikel 13

     Bij een kennelijk onredelijk resultaat kan aan de volgende situaties gedacht worden. De Sociale Verzekeringsbank kan tot een andere inkomensvaststelling komen als toepassing van het eerste lid van artikel 8, gelet op het tijdstip van verwerving van het inkomensbestanddeel, tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt. De Bank kan dan bepalen op welke periode het inkomensbestanddeel geacht wordt betrekking te hebben en hoe dit verdeeld moet worden over deze periode.
     Een tweede situatie doet zich voor als er ook sprake is van buitenlandse nabestaandenuitkering. Het kan gaan om wederzijdse vermindering van uitkeringen of om het door verschillende staten in mindering brengen van eenzelfde inkomen op de verschillende uitkeringen. Dit artikel geeft de mogelijkheid dat de Sociale Verzekeringsbank in samenspraak met de buitenlandse uitkeringsinstanties tot een voor allen aanvaarde berekeningswijze komt, in gevallen dat hierin niet in verdragen is voorzien.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x