Geschiedenis van dit besluit:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-01-2015   Intrekking Stb. 2014, 520 Stb. 2014, 521
  Wijziging Stb. 2014, 420 Stb. 2014, 486
01-01-2014   Wijziging Stb. 2013, 535 Stb. 2013, 535
  Wijziging Stcrt. 2013, 32335 Stcrt. 2013, 32335
  Wijziging Stb. 2013, 423 Stb. 2013, 423
18-12-2013 01-01-2013 Wijziging Stb. 2013, 535 Stb. 2013, 535
01-01-2013 01-01-2012
art. 14
Wijziging Stb. 2012, 628 Stb. 2012, 628
  Wijziging Stcrt. 2012, 20401 Stcrt. 2012, 20401
  Wijziging Stb. 2012, 362 Stb. 2012, 329
  Wijziging Stb. 2012, 4 Stb. 2012, 646
01-01-2012   Wijziging Stb. 2011, 652 Stb. 2011, 651
  Wijziging Stcrt. 2011, 20236 Stcrt. 2011, 20236
01-01-2011   Wijziging Stcrt. 2010, 18021 Stcrt. 2010, 18021
  Wijziging Stb. 2010, 764 Stb. 2010, 764
07-07-2010 01-07-2009
art. 22
21-06-2010
art.16d
Wijziging Stb. 2010, 260 Stb. 2010, 260
01-01-2009 Wijziging Stb. 2010, 261 Stb. 2010, 261
21-06-2010   Wijziging Stb. 2009, 555 Stb. 2009, 555
01-01-2010   Wijziging Stb. 2009, 615 Stb. 2009, 615
  Wijziging Stb. 2009, 555 Stb. 2009, 555
  Wijziging Stcrt. 2009, 17868,
samen met
Stcrt. 2009, 18877
Stcrt. 2009, 17868
01-10-2009   Wijziging Stb. 2009, 284 Stb. 2009, 283
01-01-2009   Wijziging Stb. 2008, 607 Stb. 2008, 608
01-01-2007 Wijziging Stb. 2008, 571 Stb. 2008, 572
  Wijziging Stcrt. 2008, 230 Stcrt. 2008, 230
02-09-2008 01-01-2008
artt. 4 en 14
Wijziging Stb. 2008, 346 Stb. 2008, 346
01-01-2008   Wijziging Stcrt. 2007, 207 Stcrt. 2007, 207
  Wijziging Stb. 2006, 433 Stb. 2006, 433
  Wijziging Stb. 2005, 690 Stb. 2005, 690,
samen met
Stb. 2006, 630
01-07-2007   Wijziging Stb. 2007, 221 Stb. 2007, 221
01-01-2007   Wijziging Stb. 2006, 655 Stb. 2006, 655
  Wijziging Stcrt. 2006, 224 Stcrt. 2006, 224
  Wijziging Stb. 2006, 450 Stb. 2006, 450
  Wijziging Stb. 2006, 433 Stb. 2006, 433
14-12-2006 01-10-2006 Wijziging Stb. 2006, 635 Stb. 2006, 635
01-01-2006   Wijziging Stb. 2005, 690 Stb. 2005, 690
  Wijziging Stb. 2005, 628 Stb. 2005, 628
  Wijziging Stcrt. 2005, 220
Rectificatie in
Stcrt. 2005, 227
Stcrt. 2005, 220
01-10-2005   Wijziging Stb. 2005, 471 Stb. 2005, 471
01-01-2005   Wijziging Stb. 2004, 675 Stb. 2004, 675
  Wijziging Stcrt. 2004, 222 Stcrt. 2004, 222
15-10-2004   Wijziging Stb. 2004, 257 Stb. 2004, 500
01-01-2004   Wijziging Stb. 2003, 504 Stb. 2003, 504
  Wijziging Stb. 2003, 388 Stb. 2003, 388
29-12-2003   Wijziging Stb. 2003, 549 Stb. 2003, 549
  Wijziging Stb. 2003, 504 Stb. 2003, 504
01-04-2003   Wijziging Stb. 2002, 527 Stb. 2002, 625
01-01-2003   Wijziging Stcrt. 2002, 223 Stcrt. 2002, 223
  Wijziging Stb. 2002, 327 Stb. 2002, 327
01-07-2002   Wijziging Stb. 2002, 327 Stb. 2002, 327
01-01-2002   Wijziging Stb. 2001, 543 Stb. 2001, 678
  Wijziging Stcrt. 2001, 211 Stcrt. 2001, 211
  Wijziging Stb. 2001, 415 Stb. 2001, 415
12-09-2001 01-08-2001 Wijziging Stb. 2001, 404 Stb. 2001, 404
01-08-2001   Wijziging Stb. 2001, 341 Stb. 2001, 341
06-07-2001 01-04-2001 Wijziging Stb. 2001, 311 Stb. 2001, 311
01-07-2001   Wijziging Stcrt. 2001, 70 Stcrt. 2001, 70
  Wijziging Stb. 2000, 582 Stb. 2000, 582
01-01-2001   Wijziging Stb. 2000, 582 Stb. 2000, 582
  Wijziging Stcrt. 2000, 225 Stcrt. 2000, 225
  Wijziging Stb. 2000, 221 Stb. 2000, 341
01-09-2000   Wijziging Stb. 2000, 329 Stb. 2000, 329
01-07-2000   Wijziging Stcrt. 2000, 70 Stcrt. 2000, 70
01-01-2000   Wijziging Stcrt. 1999, 216 Stcrt. 1999, 216
08-12-1999 01-07-1999 Wijziging Stb. 1999, 506 Stb. 1999, 506
11-08-1999 01-07-1999 Wijziging Stb. 1999, 335 Stb. 1999, 335
01-07-1999   Wijziging Stb. 1999, 221 Stb. 1999, 221
  Wijziging Stcrt. 1999, 93 Stcrt. 1999, 93
01-01-1999   Wijziging Stb. 1998, 672 Stb. 1998, 672
  Wijziging Stcrt. 1998, 218 Stcrt. 1998, 218
  Wijziging Stb. 1998, 626 Stb. 1998, 700
01-07-1998   Wijziging Stcrt. 1998, 83 Stcrt. 1998, 83
01-01-1998   Wijziging Stb. 1997, 530 Stb. 1997, 530
  Wijziging Stb. 1997, 508 Stb. 1997, 714
  Wijziging Stb. 1996, 595 Stb. 1996, 683
19-09-1997 01-01-1997 Wijziging Stb. 1997, 388 Stb. 1997, 388
01-01-1997   Wijziging Stb. 1996, 595 Stb. 1996, 683
  Nieuwe regeling Stb. 1996, 486 Stb. 1996, 540,
samen met
Stb. 1996, 607

 

 

BESLUIT van 26 september 1996, houdende regeling van de bijdragen in de kosten van zorg ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en in de kosten van verzorging door een verzorgingshuis als bedoeld in de Overgangswet verzorgingshuizen (Bijdragebesluit zorg)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 juli 1996, VPZ/VU-961475, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie en in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 6, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, artikel 6a van de Wet persoonsregistraties en artikel 15 van de Overgangswet verzorgingshuizen;
     De Raad van State gehoord (advies van 16 augustus 1996, nr. W13.96.0305);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 september 1996, VPZ/VU-962243, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie en in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

HOOFDSTUK  I

Algemene bepalingen

 

Art. 1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
b. besluit: Besluit zorgaanspraken AWBZ;
c. instelling: een instelling als bedoeld in de artikelen 9, 13 en 14 van Besluit zorgaanspraken AWBZ;
d.dag: een kalenderdag;dag: een kalenderdag;
e. peiljaar: het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin de verzekerde zijn aanspraak op zorg tot gelding brengt;
f. inkomen:
1º. indien over het peiljaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 1º, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
2º. in de overige gevallen: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 2º, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
g. belasting:
1º. indien over het peiljaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: de over dat jaar verschuldigde inkomstenbelasting, bedoeld in artikel 2.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde premie voor de volksverzekeringen, bedoeld in artikel 9 van de Wet financiering sociale verzekeringen;
2º. in de overige gevallen: de in dat jaar ingehouden loonbelasting, bedoeld in artikel 20 van de Wet op de loonbelasting 1964, vermeerderd met de in dat jaar ingehouden premie voor de volksverzekeringen, bedoeld in artikel 9 van de Wet financiering sociale verzekeringen;
h. grondslag sparen en beleggen: de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
i. zorgverzekering: een verzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet;
j. zorgtoeslag: een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de zorgtoeslag;
k. standaardpremie: het bedrag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag;
l. vermogen: vermogen als bedoeld in artikel 1a.

 

Art. 1a.
-1. Het vermogen van een verzekerde is het verschil tussen zijn vermogensgrondslag en de op grond van het vierde tot en met het zesde lid voor hem toegepaste verminderingen, met dien verstande dat het ten minste nihil bedraagt.
-2. De vermogensgrondslag van een verzekerde is zijn grondslag sparen en beleggen, over het peiljaar, of indien over het peiljaar artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 op de verzekerde van toepassing is, het aan hem toegerekende gedeelte van de toepasselijke gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in dat lid.
-3. In afwijking van het tweede lid is de vermogensgrondslag van een verzekerde bij toepassing jegens hem van artikel 8, artikel 10, eerste lid, artikel 15, derde lid, of artikel 16e, derde lid, de te verwachten grondslag sparen en beleggen over het lopende jaar, of indien artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 vermoedelijk op de verzekerde van toepassing zal zijn, het te verwachten aan hem toe te rekenen deel van de toepasselijke te verwachten gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
-4. Op aanvraag wordt voor de verzekerde een vermindering toegepast voor een bedrag ter grootte van door hem in het peiljaar of enig eerder jaar ontvangen eenmalige uitkeringen die krachtens artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn aangewezen.
-5. Het deel van het bedrag, bedoeld in het vierde lid, dat de vermogensgrondslag van de verzekerde overtreft, wordt voor zijn echtgenoot als vermindering toegepast.
-6. Er wordt voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, en artikel 15, eerste lid, een vermindering van €|10 000,00 toegepast voor de verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en van €|10 000,00 voor zijn echtgenoot die:
a. de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;
b. de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en geen bijdrage als bedoeld in artikel 4, eerste lid, of artikel 14, eerste lid, verschuldigd is.

 

 

HOOFDSTUK  II

Bijdrage bij verblijf in een instelling

 

§ 1.  Bijdrageplicht

 

Art. 2.
-1. De verzekerde van 18 jaar of ouder draagt bij in de kosten van de zorg verleend door een instelling.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt afwezigheid uit de instelling, anders dan in verband met beëindiging van de zorgverlening, buiten beschouwing gelaten.
-3. Een wijziging in de burgerlijke staat van de verzekerde en het bereiken van een voor de toepassing van dit besluit van belang zijnde leeftijd door de verzekerde of zijn echtgenoot wordt in aanmerking genomen met ingang van de datum waarop de bijdrage wordt vastgesteld, met dien verstande dat bij de jaarlijkse herziening, bedoeld in artikel 5 of 15, derde lid, een verzekerde als pensioengerechtigde wordt beschouwd indien hij uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar waarop de herziening betrekking heeft, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt.

 

Art. 3.
-1. De verzekerde is de bijdrage, bedoeld in artikel 2, verschuldigd aan het CAK.
-2. De verzekerde betaalt de eigen bijdrage binnen 30 dagen nadat de beschikking is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

 

Art. 3a.
-1. De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 2, wordt vastgesteld uiterlijk 24 maanden na het tijdstip waarop het CAK ervan in kennis is gesteld dat ten aanzien van de verzekerde zorg als bedoeld bij of krachtens de wet wordt verleend.
-2. Indien het CAK heeft verzuimd de eigen bijdrage vast te stellen binnen de in het eerste lid bedoelde periode, kan op een later tijdstip alsnog de eigen bijdrage worden vastgesteld, met dien verstande dat de ingangsdatum van de periode waarover de eigen bijdrage door de verzekerde moet worden betaald niet kan worden gesteld op een datum die is gelegen meer dan 24 maanden vóór de dag waarop het besluit waarin de eigen bijdrage wordt vastgesteld aan de verzekerde is verzonden.

 

 

§ 2.  Inkomensafhankelijke bijdrage

 

Art. 4.
-1. De bijdrage bedraagt per maand voor de ongehuwde verzekerde die gedurende het etmaal in een instelling verblijft en voor de gehuwde verzekerden die beiden gedurende het etmaal in een instelling verblijven tezamen, een twaalfde gedeelte van het bijdrageplichtig inkomen.
-2. De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan €|2284,60 per maand.
-3. Over een gedeelte van een maand is de bijdrage gelijk aan het vastgestelde bedrag per maand, vermenigvuldigd met twaalfmaal het aantal dagen waarover de bijdrage binnen die maand verschuldigd is en gedeeld door 365.
-4. Van de voor gehuwde verzekerden gezamenlijk berekende bijdrage is ieder van de echtgenoten een gedeelte verschuldigd naar rato van ieders aandeel in het inkomen.

 

Art. 5. Vervallen.

 

Art. 6.
-1. Het bijdrageplichtig inkomen wordt als volgt berekend:
a. het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde onderscheidenlijk de gehuwde verzekerden tezamen wordt verminderd met de door die verzekerde onderscheidenlijk die verzekerden verschuldigde of ingehouden belasting;
b. op het met toepassing van onderdeel a berekende bedrag worden in mindering gebracht:
1º. 15% van de redelijkerwijs te verwachten netto-opbrengst van in het lopende kalenderjaar verrichte arbeid, van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een uitkering ingevolge de Ziektewet;
2º. zak- en kleedgeld, premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd voor de zorgtoeslag, een aftrekpost die verschillend kan zijn voor een verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt en een verzekerde die die leeftijd nog niet heeft bereikt of extra vrijlatingen, één en ander volgens bij ministeriële regeling te bepalen regels;
3º. op aanvraag van de verzekerde, de uitkering op grond van artikel 14 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 of de uitkering op grond van artikel 20 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945;
c. het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde verzekerden.
-2. Inkomen dat in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen. Op aanvraag van de verzekerde wordt daarop de in het buitenland verschuldigde belasting in mindering gebracht.
-3. De verzekerde meldt aan het CAK wijzigingen als bedoeld in artikel 2, derde lid.

 

Art. 7.
-1. Indien ten aanzien van de ongehuwde of gehuwde verzekerden geen inkomen beschikbaar is, wordt de bijdrage vastgesteld op het minimumbedrag, bedoeld in artikel 14, eerste lid.
-2. Indien na de vaststelling van de eigen bijdrage uit een alsnog beschikbaar gekomen inkomen of uit een wijziging van een inkomen blijkt dat de eigen bijdrage op een te hoog of te laag bedrag is vastgesteld, herziet het CAK de eigen bijdrage met inachtneming van het beschikbaar gekomen inkomen dan wel van die wijziging.

 

Art. 8.
-1. Voor de berekening van het bijdrageplichtig inkomen over het jaar waarin een verzekerde of zijn echtgenoot voor het eerst inkomen geniet, wordt, in afwijking van artikel 6, eerste lid, uitgegaan van het inkomen dat de verzekerde of zijn echtgenoot over het desbetreffende kalenderjaar naar verwachting zal genieten alsmede van het te verwachten vermogen van dat kalenderjaar, verminderd met de naar verwachting over dat kalenderjaar verschuldigde of ingehouden belasting.
-2. Voor de berekening van het bijdrageplichtig inkomen over het jaar volgende op het jaar waarin een verzekerde of zijn echtgenoot voor het eerst inkomen geniet, wordt, in afwijking van artikel 6, eerste lid, uitgegaan van het inkomen dat de verzekerde of zijn echtgenoot over het dan lopende kalenderjaar naar verwachting zal genieten alsmede van het te verwachten vermogen van dat kalenderjaar, verminderd met de naar verwachting over dat kalenderjaar verschuldigde of ingehouden belasting.
-3. Voor de berekening van het bijdrageplichtig inkomen over het tweede jaar volgend op het jaar waarin een verzekerde of zijn echtgenoot voor het eerst inkomen geniet, wordt niet van het bedrag, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, uitgegaan, maar wordt uitgegaan van de in het tweede lid bedoelde bedragen.

 

Art. 9.
-1. Indien artikel 8, eerste of tweede lid, of artikel 10, eerste lid, van toepassing is, worden, in afwijking van artikel 6, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2, twaalfmaal het bedrag vermeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en bijstand en de bedragen in verband met de in het lopende kalenderjaar te betalen premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd voor de zorgtoeslag en, indien van toepassing, de in het lopende jaar geldende jonggehandicaptenkorting onderscheidenlijk ouderenkorting alsmede extra vrijlatingen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2, in mindering gebracht.
-2. Indien artikel 8, eerste lid, van toepassing is en de werkzaamheden in de loop van het kalenderjaar aanvangen, worden de bedragen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, naar rato van het deel van het kalenderjaar waarover de inkomsten worden verworven, in mindering gebracht.

 

Art. 10.
-1. In afwijking van artikel 6, eerste lid, onderdeel a en c, vindt op aanvraag van de verzekerde een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen plaats op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen, het te verwachten vermogen en de over dat kalenderjaar te verwachten belasting indien toepassing van artikel 6, eerste lid, onderdeel a en c, ertoe zou leiden dat na afdracht van de bijdrage maandelijks gemiddeld minder over zou blijven dan het van toepassing zijnde bedrag, vermeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en bijstand, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie gecorrigeerd met de zorgtoeslag. Het aldus berekende bijdrageplichtig inkomen wordt, om de per maand verschuldigde bijdrage vast te stellen, gedeeld door twaalf.
-2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.
-3. Indien het eerste lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar definitieve vaststelling plaats. Indien daaruit blijkt dat niet voldaan is aan het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats met toepassing van artikel 6.

 

Art. 11.
-1. De hoogte van de bijdrage wordt jaarlijks opnieuw berekend voor de periode van de eerste dag van januari tot en met de eenendertigste dag van de daaropvolgende maand december.
-2. In afwijking van artikel 7, eerste lid, geldt, indien het inkomen bij de jaarlijkse herziening nog moet worden vastgesteld, als eigen bijdrage de bijdrage die over de laatste maand in het vorige kalenderjaar verschuldigd was.

 

Art. 11a.
-1. De eigen bijdrage wordt herzien uiterlijk 24 maanden na het tijdstip waarop het CAK in kennis is gesteld van de omstandigheid die aanleiding geeft tot de wijziging.
-2. De herziene bijdrage wordt voor zover mogelijk verrekend met de eerder vastgestelde bijdrage.
-3. Indien het CAK heeft verzuimd de eigen bijdrage te herzien binnen de in het eerste lid bedoelde periode, kan op een later tijdstip alsnog de eigen bijdrage worden herzien, met dien verstande dat de ingangsdatum van de periode waarvoor de herziene eigen bijdrage door de verzekerde moet worden betaald niet kan worden gesteld op een datum die is gelegen meer dan 24 maanden vóór de dag waarop het besluit waarin de eigen bijdrage is herzien aan de verzekerde is verzonden.
-4. Voor zover de bevoegdheid tot herziening van de eigen bijdrage over een periode is vervallen op grond van het eerste lid, wordt de over die periode eerder vastgestelde eigen bijdrage van rechtswege definitief.

 

Art. 12.
Op een aanvraag als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 15, derde lid, wordt beslist door het CAK.

 

Art. 13. Vervallen.

 

 

§ 3.  Inkomensafhankelijke bijdrage in bijzondere gevallen

 

Art. 14.
-1. In afwijking van artikel 4 bedraagt de bijdrage 12,5% van het bijdrageplichtig inkomen met een minimum van €|158,60 en een maximum van €|832,60 per maand voor:
a. de gehuwde verzekerde wiens echtgenoot niet verblijft in een instelling;
b. de ongehuwde verzekerde gedurende de eerste zes maanden van verblijf in een instelling;
c. de gehuwde verzekerden die beiden in een instelling verblijven, zolang niet ten aanzien van elk van hen een periode van zes maanden is verstreken, tezamen;
d. de ongehuwde verzekerde die moet of gehuwde verzekerden tezamen die moeten voorzien in de kosten van onderhoud van eigen, aangehuwde of pleegkinderen, mits voor die kinderen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet recht op een uitkering bestaat of aan die kinderen, voor zover ze de leeftijd van 27 jaar nog niet hebben bereikt, studiefinanciering is toegekend krachtens de Wet studiefinanciering 2000;
e. de ongehuwde verzekerde of de gehuwde verzekerden tezamen indien de zorgverzekeraar het waarschijnlijk acht dat het verblijf in de instelling voor de ongehuwde verzekerde, voor beide of voor één van de beide gehuwde verzekerden binnen een halfjaar kan worden beëindigd en terugkeer naar de maatschappij mogelijk is en zal worden bewerkstelligd;
f. de ongehuwde verzekerde en de gehuwde verzekerde ten aanzien van wie artikel 14 van het besluit toepassing vindt;
g. de gehuwde verzekerden tezamen indien artikel 14 van het besluit ten aanzien van beiden toepassing vindt dan wel indien artikel 14 van het besluit toepassing vindt ten aanzien van één van hen en de ander in een instelling verblijft.
-2. De onderdelen b en c van het eerste lid zijn niet van toepassing indien het verblijf aanvangt binnen zes maanden na beëindiging van een verblijf in een instelling waarvoor de ongehuwde verzekerde of de gehuwde verzekerden tezamen een bijdrage als bedoeld in artikel 4 verschuldigd was of waren.
-3. Voor de berekening van de periode van zes maanden worden perioden van verblijf in instellingen samengeteld, tenzij tussen twee zodanige perioden meer dan 60 dagen zijn verlopen. De eerste volzin is niet van toepassing op verzekerden die maximaal twee weken per twee maanden in een instelling verblijven.
-4. Op aanvraag van de verzekerde is de bijdrage niet verschuldigd indien hij een uitkering als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en bijstand ontvangt.

 

Art. 15.
-1. Voor de toepassing van artikel 14 bestaat het bijdrageplichtig inkomen uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk van de gehuwde verzekerden tezamen, vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde verzekerden.
-2. De artikelen 4, derde en vierde lid, 7, 11 en 11a zijn van toepassing en artikel 8 is van overeenkomstige toepassing.
-3. Op aanvraag van de verzekerde vindt, in afwijking van het eerste lid, een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen plaats op grond van het inkomen en het vermogen van het lopende jaar, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste €|2540,00 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, dan wel algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand betreft.
-4. De aanvraag, bedoeld in het derde lid, wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.
-5. Indien het vierde lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar definitieve vaststelling plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar minder dan €|2540,00 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.

 

 

§ 4.  Inkomensonafhankelijke bijdrage in bijzondere gevallen

Vervallen

 

Art. 15a. Vervallen.

 

 

HOOFDSTUK  III

Bijdrage in andere gevallen

 

§ 1.  Bijdrageplicht

 

Art. 16. Vervallen.

 

Art. 16a.
De verzekerde van 18 jaar of ouder draagt bij in de kosten van de zorg, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6 van het besluit, voor zover voor die zorg niet reeds op grond van de artikelen 4 of 14 een bijdrage is verschuldigd.

 

Art. 16b.
-1. De verzekerde is de bijdrage, bedoeld in artikel 16a, verschuldigd aan het CAK.
-2. De verzekerde betaalt de eigen bijdrage binnen 30 dagen nadat de beschikking is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

 

Art. 16c.
-1. De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 16a, wordt vastgesteld uiterlijk 24 maanden na het tijdstip waarop het CAK ervan in kennis is gesteld dat ten aanzien van de verzekerde zorg als bedoeld bij of krachtens de wet wordt verleend.
-2. Indien het CAK heeft verzuimd de eigen bijdrage vast te stellen binnen de in het eerste lid bedoelde periode, kan op een later tijdstip alsnog de eigen bijdrage worden vastgesteld, met dien verstande dat de ingangsdatum van de periode waarover de eigen bijdrage door de verzekerde moet worden betaald niet kan worden gesteld op een datum die is gelegen meer dan 24 maanden vóór de dag waarop het besluit waarin de eigen bijdrage wordt vastgesteld aan de verzekerde is verzonden.

 

 

§ 2.  Bijdragen voor persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding indien er geen sprake is van verblijf

 

Art. 16d.
-1. De bijdrage voor de zorg, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6 van het besluit, bedraagt €|14,20 per uur of per dagdeel van maximaal vier uur indien de zorg, bedoeld in artikel 6, wordt verleend in groepsverband. Indien er sprake is van zorgverlening, niet zijnde zorg in groepsverband, gedurende een deel van een uur, wordt de bijdrage naar evenredigheid berekend.
-2. De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan:
a. voor de ongehuwde verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt €|19,40 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan €|22 331,00, het bedrag van €|19,40 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat inkomen en €|22 331,00;
b. voor de ongehuwde verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt €|19,40 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan €|16 634,00, het bedrag van €|19,40 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat inkomen en €|16 634,00;
c. voor de gehuwde verzekerden indien één van beiden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt of beiden die leeftijd nog niet hebben bereikt, €|27,60 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan €|27 917,00, het bedrag van €|27,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en €|27 917,00;
d. voor de gehuwde verzekerden die beiden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hebben bereikt €|27,60 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan €|23 046,00, het bedrag van €|27,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en €|23 046,00.
-3. Bij de toepassing van het tweede lid wordt per kalenderjaar uitgegaan van twaalf perioden van vier weken en een periode die, afhankelijk van resterende dagen, vier of vijf weken bedraagt.
-4. Op het op grond van het eerste en tweede lid vastgestelde bedrag worden de eigen bijdrage die voor maatschappelijke ondersteuning verschuldigd is ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning en het aandeel in de kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming ingevolge die wet voor eigen rekening komt, in mindering gebracht.
-5. De bijdrage is niet verschuldigd:
a. indien de verzekerde of zijn echtgenoot een bijdrage ingevolge de artikelen 4 of 14 verschuldigd is;
b. in die gevallen dat de zorgverzekeraar, op advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk of de raad voor de kinderbescherming, van oordeel is dat het verschuldigd zijn van de bijdrage ertoe leidt dat de zorg niet wordt verstrekt en dit mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of ontwikkeling van een minderjarige verzekerde tot gevolg heeft;
c. voor advies, instructie en voorlichting door een aan een instelling verbonden gespecialiseerde verpleegkundige;
d. door de verzekerde die in de periode, bedoeld in het derde lid, meer dan één nacht verblijft in een maatschappelijke opvang of vrouwenopvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c of d, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

 

Art. 16e.
-1. Het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 16d, tweede lid, bedraagt het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk van de gehuwde verzekerden tezamen, vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde verzekerden.
-2. Inkomen dat in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen.
-3. Op aanvraag van de verzekerde vindt, in afwijking van het eerste lid, een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen plaats op grond van het inkomen en het vermogen van het lopende jaar, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste €|2540,00 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid.
-4. De aanvraag, bedoeld in het derde lid, wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.
-5. Indien het derde lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar definitieve vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen over dat jaar plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar minder dan €|2540,00 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.

 

Art. 16f.
-1. Indien ten aanzien van de ongehuwde of gehuwde verzekerden geen inkomen beschikbaar is, wordt de bijdrage vastgesteld op het bedrag per vier weken, genoemd in artikel 16d, tweede lid.
-2. Indien na de vaststelling van de eigen bijdrage uit een alsnog beschikbaar gekomen inkomen of uit een wijziging van een inkomen, blijkt dat de eigen bijdrage tot een te hoog of te laag bedrag is vastgesteld, herziet het CAK de eigen bijdrage met inachtneming van het beschikbaar gekomen inkomen dan wel van die wijziging.

 

Art. 16g.
Op bijdragen ingevolge deze paragraaf is artikel 11a van overeenkomstige toepassing.

 

 

§ 3.  Andere bijdragen

Vervallen

 

Art. 16f. Vervallen.

 

Art. 16g. Vervallen.

 

 

HOOFDSTUK  IV

Slot- en overgangsbepalingen

 

Art. 17. Vervallen.

 

Art. 18. Vervallen.

 

Art. 19.
-1. Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in de artikelen 4, tweede lid, 14, eerste lid, 15, derde en vijfde lid, 16d, eerste en tweede lid, voor zover het betreft de in dat lid genoemde bedragen per vier weken, en 16e, derde en vijfde lid, jaarlijks gewijzigd aan de hand van de prijsindex van de gezinsconsumptie.
-2. Bij ministeriële regeling wordt het bedrag, genoemd in artikel 1a, zesde lid, jaarlijks gewijzigd aan de hand van het indexcijfer waarmee het bedrag, genoemd in artikel 5.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, jaarlijks wordt gewijzigd.
-3. De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van €|0,20.
-4. Bij de jaarlijkse toepassing van het eerste lid wordt de afronding, bedoeld in het tweede lid, buiten beschouwing gelaten.
-5. In afwijking van het eerste lid worden de overige bedragen, genoemd in artikel 16d, jaarlijks bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de ontwikkelingen van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing.

 

Art. 20.
Voor de berekening van enige in dit besluit genoemde periode worden zodanige perioden voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit mede in aanmerking genomen.

 

Art. 21. Vervallen.

 

Art. 22.
In geval van artikel 3, eerste lid, en artikel 16b, eerste lid, is het CAK bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens de wet van of op de verzekerde met vorderingen van of op de verzekerde krachtens deze wet of de Wet maatschappelijke ondersteuning.

 

Art. 23.
Het CAK maakt voor de vaststelling van de bijdrage, bedoeld in de artikelen 4, 14 en 16d, gebruik van het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en van andere door de inspecteur, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, verstrekte gegevens.

 

Art. 23a. Vervallen.

 

Art. 24. Vervallen.

 

Art. 25. Vervallen.

 

Art. 26. Vervallen.

 

Art. 27.
Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

 

Art. 28.
Dit besluit wordt aangehaald als: Bijdragebesluit zorg.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 26 september 1996

 

BEATRIX


De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E.G. Terpstra

De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager

 

Uitgegeven achtste oktober 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[26 september 1996]

 

1.  Algemeen


1.1. Inleiding


     Dit besluit strekt ertoe uitvoering te geven aan de voornemens van de regering om te komen tot een harmonisatie van de eigen bijdragen die verzekerden verschuldigd zijn in geval van opneming en verblijf in een ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) toegelaten instelling. Voorts wordt met dit besluit de bijdrage verschuldigd voor zorg door een verzorgingshuis geregeld overeenkomstig de voor de AWBZ geldende systematiek. Verder strekt dit besluit ook tot regeling van de overige op grond van artikel 6, derde lid, van de AWBZ vast te stellen eigen bijdragen.

 

1.2. Achtergrond van de maatregel


     In de brief van 20 maart 1995 inzake Zorg in het regeerakkoord (Kamerstukken II 1994-1995, 24 124, nrs. 1-2) is aangegeven dat de regering een harmonisatie van de bijdrageregelingen ingevolge de AWBZ zal bezien. Hoofdlijn daarbij is het streven om te komen tot twee typen van bijdragen; één voor langdurig verblijf in AWBZ-instellingen, die overeenkomt met de huidige eigenbijdrageregeling in het kader van de AWBZ en één voor kortdurend verblijf in AWBZ-instellingen alsmede voor de geïntegreerde aanspraak op thuiszorg waarvoor de huidige eigenbijdrageregeling voor de gezinsverzorging de basis zal vormen. Bevorderd zal worden dat de totstandkoming van een geïntegreerde aanspraak voor de thuiszorg per 1 januari 1997 kan worden gerealiseerd. Hieraan zal met een afzonderlijke algemene maatregel van bestuur (AMvB) tot wijziging van onder meer het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering uitvoering worden gegeven. Met ingang van die datum zal er sprake zijn van een inkomensafhankelijke bijdrage, zowel voor de kortdurende intramurale zorg als voor de thuiszorg. Voor de geïntegreerde aanspraak op thuiszorg blijft daarnaast een vaste bijdrage bestaan, die overeenkomt met de huidige contributie voor de hulp vanwege een kruisorganisatie.
     In de brief van 1 september 1995 inzake modernisering ouderenzorg (Kamerstukken II 1994-1995, 24 333, nr. 1) zijn de afspraken in het regeerakkoord met betrekking tot de ouderenzorg uitgewerkt. Onderdeel van deze afspraken vormt het financieren van verzorgingshuizen uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. Tevens is in die brief door de regering aangegeven op welke wijze aan de in dat kader te hanteren systematiek vorm zal worden gegeven. De conclusie dat het verpleeghuis, het verzorgingshuis en de thuiszorg nauw samenhangen, is de voornaamste reden geweest om te komen tot een geharmoniseerd systeem van eigen bijdragen. Vanaf de thuiszorg, via het verzorgingshuis tot en met het verpleeghuis zou op die wijze een continuüm van zorgverlening ontstaan, waarbij steeds intensievere vormen van zorg onderdeel zouden vormen van één financieringssysteem.
     Voor de gewijzigde financiering van de verzorgingshuizen is gekozen voor een overgangsmaatregel; tot 2001 vindt financiering plaats op basis van een door de Ziekenfondsraad [zie College voor zorgverzekeringen, red.] uit te voeren subsidieregeling. Bij koninklijke boodschap van 10 februari 1996 is bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal daartoe het voorstel van Overgangswet verzorgingshuizen ingediend (Kamerstukken II 1995-1996, 24 606, nrs. 1-2 e.v.). Het voorstel van wet is op 25 juni 1996 door de Tweede Kamer der Staten-Generaal aanvaard. Het is de bedoeling dat deze wet op 1 januari 1997 in werking treedt.
     Het voorstel van wet regelt in artikel 15, eerste lid, dat degene aan wie zorg wordt verleend, aan de Ziekenfondsraad een bijdrage verschuldigd is. In het tweede lid van artikel 15 is geregeld dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld ten aanzien van de hoogte van de bijdrage; bepaald is voorts dat de bijdrage kan verschillen al naar gelang de groep waartoe betrokkene behoort, de zorg en voorzieningen die verstrekt worden en dat deze mede afhankelijk gesteld kan worden van het inkomen van degene aan wie zorg wordt geboden en dat van zijn echtgenoot.

 

1.3. De eigen bijdragen


     In de brieven van 1 september 1995, 21 december 1995 (Kamerstukken II 1994-1995, 24 333, nr. 6), 12 februari 1996 (Kamerstukken II 1995-1996, 24 124, nr. 27), 12 maart 1996 (Kamerstukken II 1995-1996, 24 124, nr. 32), 10 mei 1996, (Kamerstukken II 1995-1996, 24 333, nr. 12) en 31 mei 1996 (Kamerstukken II 1995-1996, 24 333, nr. 14) is de Tweede Kamer der Staten-Generaal uitvoerig geïnformeerd over de concretisering van de harmonisatie van de eigen bijdragen in het kader van de AWBZ, respectievelijk de Overgangswet verzorgingshuizen. In die brieven is het doel van de harmonisatie uiteengezet. Het gaat om het volgende.
     De huidige bijdrageregelingen lopen sterk uiteen. Voor vergelijkbare voorzieningen gelden verschillende regelingen, zonder dat daarvoor vanuit de aard van de voorziening een goede verklaring kan worden geboden. De bestaande verschillen tussen de eigen bijdragen bij verblijf in een verzorgingshuis en een verpleeghuis zijn vanuit de historie te verklaren, doch stemmen niet meer overeen met de huidige inzichten. In een verzorgingshuis betaalt de bewoner tot 1 januari 1997 in beginsel zelf de kosten van zijn verblijf. Daarbij is sprake van een vermogens- en inkomensafhankelijk systeem. In de AWBZ geldt daarentegen een, in beginsel, inkomensafhankelijke eigenbijdragesystematiek. Zoals in het voorgaande reeds is aangeduid, maakt de overheveling van de verzorgingshuizen naar de AWBZ een harmonisatie van de verschuldigde eigen bijdragen noodzakelijk. Daarbij is van belang dat het karakter van de AWBZ als volksverzekering zich slecht verdraagt met een vermogensafhankelijk bijdragesysteem. Ten behoeve van de harmonisatie is daarom aangesloten op het in het kader van de AWBZ geldende systeem. Dit betekent enerzijds een afschaffing van de vermogenstoets. Anderzijds houdt dit in dat het eigenbijdrageregime zoals dat is geregeld in de Bijdrageregeling intramurale zorg AWBZ van toepassing is.
     Teneinde de afschaffing van de vermogenstoets budgettair neutraal te kunnen laten verlopen, is besloten de huidige bijdrage van ƒ210,- vanaf 1 januari 1997 te wijzigen in een inkomensafhankelijk systeem, afgestemd op de huidige bijdrageregeling voor de gezinsverzorging. Bovendien is het maximale inkomensafhankelijke bedrag per maand voor verblijf in AWBZ-instellingen van ƒ1350,-, respectievelijk ƒ2200,-, verhoogd tot ƒ3150,-. Voor de verzorgingshuizen is dit bedrag eveneens uitgangspunt, zij het dat voor bewoners van deze instellingen daarboven een toeslag van ƒ300,- zal gelden, zodat de bijdrage bij verblijf in een verzorgingshuis is vastgesteld op ƒ3450,-.
     Volledigheidshalve zij aan het voorgaande toegevoegd dat de keuze van de regering om aan te sluiten bij de AWBZ-systematiek niet alleen als voordeel heeft dat de vermogenstoets wordt afgeschaft. Ook heeft daarbij het volgende meegewogen.

     De Ziekenfondsraad heeft de eerste ondergetekende desgevraagd bij brief van 3 mei 1996, kenmerk BU/20297/96, over de technische uitwerking van de verschillen van de bijdrageregelingen in het kader van de Wet op de bejaardenoorden (Wbo) en AWBZ meegedeeld dat de systematiek van de Bijdrageregeling intramurale zorg AWBZ zodanig uitwerkt dat de AWBZ-bijdrage in alle gevallen lager zal zijn dan de Wbo-bijdrage. Dit betekent dus voor de bewoners van verzorgingshuizen in het algemeen een verbetering ten opzichte van de situatie zoals die met toepassing van het Bijdragebesluit bewoners van bejaardenoorden gold.

     Ten behoeve van het bieden van inzicht in de werking van het eigenbijdragesysteem wordt hierna aangegeven hoe dit systeem in de onderscheiden situaties zal werken. Daarbij kunnen drie categorieën worden onderscheiden, te weten alleenstaanden, echtparen waarvan één partner is opgenomen en echtparen waarvan beide partners zijn opgenomen. Voorts is de uitwerking beperkt tot verpleeghuizen en verzorgingshuizen. Met de lage eigen bijdrage wordt bedoeld de bijdrage van ƒ1085,-, de hoge bijdrage betreft het bedrag van ƒ3150,- of ƒ3450,-. Afhankelijk van het inkomen zal deze bijdrage lager zijn.

     Ten aanzien van alleenstaanden geldt de volgende situatie:
a. in verpleeghuis met wachttijd: lage bijdrage
b. in verpleeghuis na wachttijd: hoge bijdrage
c. in verzorgingshuis duurzaam: hoge bijdrage
d. in verzorgingshuis kort: lage bijdrage

     Ten aanzien van een echtpaar van wie slechts één partner is opgenomen, ziet de situatie er als volgt uit:
a. in verpleeghuis met wachttijd: lage bijdrage
b. in verpleeghuis na wachttijd: lage bijdrage
c. in verzorgingshuis duurzaam: lage bijdrage
d. in verzorgingshuis kort: lage bijdrage

     Ten aanzien van echtparen waarbij beide partners (A en B) zijn opgenomen, geldt de volgende situatie:
a. beiden in verpleeghuis met wachttijd: lage bijdrage
b. beiden in verpleeghuis na wachttijd: hoge bijdrage
c. beiden duurzaam in een verzorgingshuis: hoge bijdrage
d. beiden in een verzorgingshuis kort: lage bijdrage
e. A in verpleeghuis gedurende wachttijd, B in verpleeghuis na wachttijd: lage bijdrage
f. A in verpleeghuis na wachttijd, B duurzaam in verzorgingshuis: hoge bijdrage
g. A in verpleeghuis met wachttijd, B in verzorgingshuis kort: lage bijdrage
h. A in verpleeghuis na wachttijd, B in verzorgingshuis kort: lage bijdrage
i. A duurzaam in verzorgingshuis, B in verpleeghuis na wachttijd: hoge bijdrage
j. A duurzaam in verzorgingshuis, B in verzorgingshuis kort: lage bijdrage
k. A in verzorgingshuis kort, B duurzaam in verzorgingshuis: lage bijdrage
l. A in verzorgingshuis kort, B in verzorgingshuis kort: lage bijdrage

     Hierbij zij nog het volgende aangetekend. Onder kortdurend verblijf in een verzorgingshuis wordt ook begrepen de situatie waarin sprake is van verblijf gedurende de dag of de nacht, minimaal vijf keren per week. Voorts geldt dat zolang één van beide partners nog in de wachttijd verkeert, de lage bijdrageregeling geldt. De wachttijd betreft in beginsel een periode van zes maanden.

 

1.4. Gebruik sociaal-fiscaal nummer


Tijdens de behandeling van de regeringsplannen met betrekking tot de modernisering van de ouderenzorg in de Tweede Kamer der Staten-Generaal is reeds bevestigd dat het sociaal-fiscaal nummer gebruikt zal worden bij de uitvoering van de eigenbijdrageregeling, bedoeld in de AWBZ en de Overgangswet verzorgingshuizen. Het gebruik van het nummer wordt noodzakelijk geacht voor de controle van het inkomen en de uitvoering van de regeling.

     Met de inwerkingtreding van artikel 6a van de Wet persoonsregistraties (Wpr) [zie Wet bescherming persoonsgegevens, red.] is het mogelijk geworden dat aan organisaties en personen die ingevolge enige wettelijke regeling met de uitvoering van een (publieke) taak zijn belast, kan worden toegestaan het sociaal-fiscaal nummer te gebruiken indien dit noodzakelijk is met het oog op de bestrijding en het tegengaan van fraude met overheidsgelden en gelden verzameld ten behoeve van de socialezekerheidswetgeving. Het gebruik kan voorts worden toegestaan met het oog op de structurele gegevensuitwisseling van persoonsgegevens met andere (particuliere) instanties en personen die gerechtigd zijn het nummer te gebruiken voor zover de uitwisseling van gegevens met die instanties bij of krachtens wet is voorzien.
     Het thans voorgestelde gebruik voldoet aan beide criteria, waarvan het eerste, kortweg het belang van fraudebestrijding, het zwaarste weegt.

     Met behulp van de sociaal-fiscale nummers worden, indien dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de eigenbijdrageregeling in verband met de AWBZ en de Overgangswet verzorgingshuizen, onder andere bij de Belastingdienst, de Sociale Verzekeringsbank en pensioenfondsen relevante gegevens verkregen van personen die zorg verkrijgen als bedoeld in de AWBZ en de Overgangswet verzorgingshuizen.
     De sociaal-fiscale nummers zijn uitermate belangrijk voor de koppeling van de juiste eigen bijdrage aan de juiste persoon. Berekening, herberekeningen, betaling en terugvordering van de eigen bijdragen, alsmede de controle op de rechtmatigheid op de geïnde en te innen eigen bijdragen zijn - mede door de opbouw van het uitvoeringssysteem na de overgang van het eigenbijdragesysteem van de Wet op de bejaardenoorden naar het eigenbijdragesysteem zoals dat wordt gehanteerd in de AWBZ - in hoge mate afhankelijk van het gebruik van sociaal-fiscale nummers. Het gebruik van het sociaal-fiscaal nummer draagt zo bij tot een doelmatige inrichting van het administratieve proces en beperkt daardoor mede de administratieve last van alle betrokkenen tot het hoogst noodzakelijke.

     De opsomming van instanties is beperkt tot alleen die instanties die in het kader van de AWBZ en de Overgangswet verzorgingshuizen bij de uitvoering van de onderhavige eigenbijdrageregeling betrokken zijn. Het is niet nodig het gebruik van het sociaal-fiscaal nummer ten behoeve van de uitvoering van de onderhavige eigenbijdrageregeling te faciliteren voor instanties en personen die reeds bij of krachtens wet over het nummer mogen beschikken in de door hen bijgehouden persoonsregistraties die worden geraadpleegd ten behoeve van onderhavige uitvoering.
     Het tweede lid van artikel 22 beoogt te waarborgen dat het sociaal-fiscaal nummer niet buiten de kring van personen en instanties komt die gemachtigd zijn tot het gebruik van dat nummer. Artikel 6a Wpr verbiedt het sociaal-fiscaal nummer te gebruiken in het verkeer met anderen buiten het doel waarvoor het mag worden gebruikt, tenzij dat uitdrukkelijk is toegestaan.

     Het regeringsstandpunt over het gebruik van het sociaal-fiscaal nummer is neergelegd in de nota naar aanleiding van het verslag bij het voorstel van Wet sociaal-fiscaal nummer Ziekenfondswet (Kamerstukken II 1995-1996, 24 142, nr. 5, blz. 3-5). Dat standpunt houdt onder meer in dat het gebruik van het sociaal-fiscaal nummer bij voorkeur in een formele wet die de desbetreffende materie regelt moet worden genormeerd. Op deze wijze kan in het juiste kader de benodigde afweging worden gemaakt over de noodzaak van het gebruik van het sociaal-fiscaal nummer en de voorwaarden waaronder zulks geschiedt. Niettemin is er thans omwille van navolgende redenen voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 6a van de Wet persoonsregistraties biedt om bij algemene maatregel van bestuur het gebruik van het nummer toe te staan.
     De regelgeving waarop de uitvoering van de onderhavige eigenbijdrageregeling is gebaseerd, heeft nog niet haar eindvorm gekregen. De Eerste Kamer der Staten-Generaal moet het voorstel Overgangswet verzorgingshuizen nog behandelen. Eerst nadat de Overgangswet verzorgingshuizen tot wet is verheven en in werking is getreden, kan aan de eigenbijdrageregeling in het kader van die wet een wettelijke basis worden gegeven. Een regeling bij wet van het gebruik van het sociaal-fiscaal nummer in een dergelijke onzekere situatie is niet gewenst. Zo’n situatie biedt niet de mogelijkheid om - indien nodig - in te spelen op onverwachte ontwikkelingen. Een regeling bij algemene maatregel van bestuur biedt dat wel.
     Een wettelijke regeling zou uit oogpunt van wetgevingskwaliteit bovendien moeten leiden tot de oplossing van een groter aantal gesignaleerde knelpunten in de bepalingen met betrekking tot informatievoorziening in de sociale ziektekostenverzekering. Die omstandigheid leidt tot gerede twijfel of bij het volgen van die weg het gebruik van het sociaal-fiscaal nummer voor de uitvoering van de onderhavige eigenbijdrageregeling met ingang van 1 januari 1997, tevens de beoogde datum van inwerkingtreding van de Overgangswet verzorgingshuizen, wel zou zijn gegarandeerd.
     Eén en ander wil niet zeggen dat de ondergetekenden nu afwijken van het eerder aangehaalde regeringsstandpunt. Integendeel, zodra het wetsvoorstel Overgangswet verzorgingshuizen tot wet is verheven en in werking is getreden en ook de onderhavige algemene maatregel van bestuur in werking treedt, zal worden begonnen met de voorbereiding van een voorstel van wet waarbij het gebruik van het sociaal-fiscaal nummer bij de uitvoering van eigenbijdrageregelingen bij wet wordt geregeld. Dat voorstel zal dan tevens een aantal andere gesignaleerde knelpunten in de bepalingen met betrekking tot informatievoorziening in de sociale ziektekostenverzekering tot onderwerp hebben. Met name vanwege de betrokkenheid van de Registratiekamer [zie College bescherming persoonsgegevens, red.] bij die laatste knelpunten zal het voorstel van wet aan die Kamer worden voorgelegd. Vanwege de hierboven aangetoonde noodzaak en de expliciete opvatting van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat het sociaal-fiscaal nummer bij de uitvoering van de onderhavige eigenbijdrageregeling moet worden gebruikt en het feit dat de Registratiekamer zal worden gehoord over het komende voorstel van wet, is het niet noodzakelijk thans aan de Registratiekamer de onderhavige algemene maatregel van bestuur voor te leggen. De ondergetekenden achten in het onderhavige geval voldoende bijzondere omstandigheden aanwezig om daar thans van af te zien.

 

 

2.  Artikelsgewijs

 

Artikel 1

     Eerste lid, onderdeel g. Dit onderdeel bevat de begripsomschrijving "bijdrageplichtig inkomen". Daarvoor is gekozen om te voorkomen dat in de regeling veelvuldig de omvangrijke beschrijving "het inkomen van de ongehuwde verzekerde of het inkomen van de gehuwde verzekerde en zijn echtgenoot tezamen" moet worden opgenomen.
     De begrippen "ongehuwd" en "gehuwd" zijn gedefinieerd in artikel 1 van de AWBZ en artikel 1 van de Overgangswet verzorgingshuizen.
     Het gaat om het inkomen van de ongehuwde verzekerde of het inkomen van de gehuwde verzekerde en zijn echtgenoot tezamen. Dat voor de vaststelling van de verschuldigde bijdrage uitgegaan kan worden van het inkomen van de gehuwde verzekerde en zijn echtgenoot tezamen, is in de Overgangswet verzorgingshuizen nadrukkelijk bepaald, niet alleen voor de verzorgingshuizen, maar door wijziging van artikel 6, derde lid, van de AWBZ is dit uitgangspunt ook in de AWBZ geëxpliciteerd.

     Tweede lid. In het tweede lid is geregeld dat onder verzekerde in de zin van dit besluit ook de bewoner van een verzorgingshuis wordt begrepen om te voorkomen dat in diverse bepalingen steeds zowel verzekerde als bewoner moet worden vermeld.

     Derde lid. In het onderhavige artikellid is geregeld dat voor de vaststelling en inning van de bijdrage ingevolge dit besluit de Ziekenfondsraad gelijk wordt gesteld met een uitvoeringsorgaan om te voorkomen dat in de diverse bepalingen steeds zowel uitvoeringsorgaan als Ziekenfondsraad moet worden vermeld.

 

Artikel 2

     Eerste lid. In het eerste lid is geregeld dat de verzekerde van 18 jaar of ouder bijdraagt in de kosten van de zorg verleend door een instelling of verzorgingshuis. Welke bijdrage dat is, is geregeld in artikel 4 en 14.

     Tweede lid. Ingevolge het tweede lid is de verzekerde bij tijdelijke afwezigheid de bijdrage verschuldigd zolang de zorgverlening niet is beëindigd. Het gaat hier om afwezigheid in verband met weekend- of vakantieverlof, proefverlof of onderbrekingen van het verblijf wegens ongeoorloofde afwezigheid, zoals bij ontsnapping uit tbs-instellingen of bij vertrek uit een psychiatrisch ziekenhuis zonder toestemming van de behandelend arts door een patiënt die daar verblijft op grond van een rechterlijke machtiging en dergelijke. In al deze situaties wordt de plaats van de verzekerde opengehouden en worden er dus kosten gemaakt ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. Indien de bewoner van een verzorgingshuis tijdelijk verblijft in bijvoorbeeld een ziekenhuis of een revalidatie-instelling, is hij eveneens de bijdrage verschuldigd. Ook in die gevallen wordt immers zijn plaats in het verzorgingshuis opengehouden.
     De bijdrageplicht eindigt indien de zorgverlening rechtens is beëindigd, te weten indien de toestemming voor het verblijf door het uitvoeringsorgaan wordt ingetrokken, dan wel de Minister van Justitie in geval van artikel 6, vierde lid, tot beëindiging beslist. Ook is denkbaar dat betrokkenen zelf de zorgverlening niet langer wenst en zijn verblijf beëindigt.

 

Artikel 3

     De verzekerde is de bijdrage verschuldigd aan het uitvoeringsorgaan, onderscheidenlijk de Minister van Justitie. Onder uitvoeringsorgaan wordt ingevolge artikel 1, derde lid, ook verstaan de Ziekenfondsraad. Overigens is in artikel 15 van de Overgangswet verzorgingshuizen reeds geregeld dat degene aan wie zorg door een verzorgingshuis wordt verleend, aan de Ziekenfondsraad een bijdrage is verschuldigd.

 

Artikel 4

     Eerste lid. In artikel 4, eerste lid, is de bijdrage per maand geregeld voor verblijf in instellingen gedurende het etmaal: ƒ3150,- en voor duurzaam verblijf in verzorgingshuizen: ƒ3450,-. De situaties wanneer de bijdrage van ƒ3150,- dan wel van ƒ3450,- verschuldigd is, zijn opgesomd in de onderdelen a tot en met e. Het gaat hier om maximale eigen bijdragen. Het tweede en het derde lid regelen wanneer lagere bijdragen verschuldigd zijn.
     Hoofdregel in dit besluit is dat de bijdrage verschuldigd is met ingang van de eerste dag van het verblijf in de instelling. Op grond van artikel 14 wordt bij ministeriële regeling bepaald wanneer en gedurende welke periode (de zogenoemde wachttijd) deze bijdrage niet van toepassing is, maar de bijdrage van artikel 14 is verschuldigd. Voorts zij gewezen op artikel 17 waarin is bepaald dat voor verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis dan wel op een psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis gedurende in beginsel de eerste 365 dagen in het geheel geen eigen bijdrage verschuldigd is. Een uitzondering hierop vormt het verblijf in een herstellingsoord behorende tot een psychiatrisch ziekenhuis.
     Er is voor gekozen om indien gehuwde partners beiden duurzaam in een verzorgingshuis verblijven, terwijl maar één van beide geïndiceerd is voor dat verblijf en de ander vanwege die indicatie eveneens duurzaam in het verzorgingshuis verblijft, te regelen dat toch beiden gezamenlijk de bijdrage van ƒ3450,- per maand verschuldigd zijn. In aansluiting op de Wet op de bejaardenoorden had geregeld kunnen worden dat de geïndiceerde verzekerde de bijdrage, bedoeld in artikel 14, verschuldigd is en de niet-geïndiceerde verzekerde de bijdrage van ƒ3450,-, alsmede dat vervolgens als maximale gezamenlijk bijdrage het bedrag van ƒ3450,- geldt. Dit is zo’n ingewikkelde systematiek, terwijl het er dan toch op neerkomt dat de gehuwden gezamenlijk het bedrag van ƒ3450,- verschuldigd zijn, dat daarvan afgezien is.

     Tweede lid. Het tweede lid strekt ertoe dat niet meer wordt betaald dan 90% van de gemiddelde maandelijkse kosten per plaats van het verzorgingshuis respectievelijk het maandtarief van de instelling.

     Derde lid. Het derde lid regelt dat de bijdrage lager kan worden vastgesteld dan de in het eerste lid genoemde bedragen al naargelang het bijdrageplichtige inkomen van de verzekerde. Ingevolge artikel 1, onderdeel g, wordt onder het bijdrageplichtige inkomen van de gehuwde verzekerde ook het inkomen van zijn echtgenoot verstaan.

     Vierde lid. Het bijdragejaar loopt van 1 juli tot 1 juli (vierde lid). Dit was ook zo geregeld in de Bijdrageregeling intramurale zorg AWBZ, die met ingang van 1 januari 1997 door het vervallen van artikel 31 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering van rechtswege is vervallen.
     Indien de jaarlijkse berekening zou leiden tot een wijziging van de eigen bijdrage van minder dan ƒ5,- per maand, wordt deze buiten beschouwing gelaten en blijft de lopende bijdrage ongewijzigd. Dit is zo geregeld omdat de kosten van de vaststelling bij een dergelijke beperkte wijziging aanzienlijk hoger zijn dan de opbrengst. Onder een wijziging wordt zowel een verhoging als een verlaging begrepen.

     Vijfde lid. Het besluit gaat uit van een bijdrage per maand. Echter, ook over een gedeelte van een maand is een bijdrage verschuldigd indien de bijdrageplicht in de loop van de maand begint of eindigt. Het vijfde lid bevat voor de berekening daarvan de volgende formule: (aantal bijdrageplichtige dagen x maandbedrag van de bijdrage x 12) : 365.

 

Artikel 5

     Artikel 5 regelt de grondslag van de bijdragevaststelling.

     Eerste lid. Het eerste lid bevat de hoofdregel. Uitgegaan wordt van de genoten inkomsten in het voorafgaande kalenderjaar. Het tweede en het derde lid geven op die hoofdregel uitzonderingen. De zinsnede "redelijkerwijs geacht kan worden te zijn genoten" richt zich in hoofdzaak op de situatie dat de verzekerde met terugwerkende kracht uitkeringen ontvangt ingevolge de sociale-uitkeringswetten. Ook dan gaat het dus om inkomsten die betrekking hebben op het voorafgaande kalenderjaar, doch niet in dat jaar zijn ontvangen.

     Tweede lid. De uitzondering in het tweede lid betreft de situatie dat de verzekerde minder overhoudt ter vrije besteding dan de zogenaamde zakgeldbedragen (piepgrens), vermeld in artikel 31 van de Algemene bijstandswet. Dan wordt voor de bepaling van de eigen bijdrage uitgegaan van de verwachte inkomsten en uitgaven in het lopende kalenderjaar. De verzekerde dient een dergelijke herberekening zelf aan te vragen. Een dergelijke bijstelling gebeurt niet automatisch.
     De tweede uitzondering is te vinden in het derde lid: indien in het lopende jaar voor het eerst inkomen is genoten, dan is het verwachte inkomen over dat jaar bepalend voor de bepaling van de hoogte van de bijdrage. Te denken valt bijvoorbeeld aan personen die 18 jaar worden en een AAW-uitkering ontvangen [zie Wajong, red.]. Deze uitzondering geldt echter alleen voor zover het inkomsten betreft die genoemd zijn in artikel 6, eerste lid, onderdeel a of b: de inkomsten uit arbeid, uit uitkering en uit pensioen. Bij andere inkomsten (bijvoorbeeld uit studiefinanciering) geldt de hoofdregel uit het eerste lid.

 

Artikel 6

     In artikel 6 is geregeld welke inkomsten wel (het eerste lid) en welke inkomsten niet (het vierde lid) bij de vaststelling van het bijdrageplichtige inkomen dienen te worden betrokken. Het gaat daarbij in beginsel om de in het refertejaar feitelijk genoten inkomsten; zie artikel 5 en de toelichting daarop voor de uitzonderingen.

     Eerste lid, onderdeel a. In dit onderdeel is voor het begrip inkomsten uit arbeid aangesloten bij het inkomensbegrip uit de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Hieronder wordt ook verstaan loon uit dienstbetrekking krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening [zie Wet sociale werkvoorziening, red.].

     Eerste lid, onderdeel c. Tot het bijdrageplichtige inkomen worden ook gerekend de in het berekeningsjaar feitelijk ontvangen vakantie-uitkeringen over de in het eerste lid, onderdeel a en b, genoemde inkomsten. Van belang zijn alleen de feitelijk ontvangen uitkeringen, niet de aanspraak op die uitkering die in het berekeningsjaar wordt opgebouwd.

     Eerste lid, onderdeel d. Bij opbrengsten uit onderneming en vermogen valt te denken aan: rente, huur, dividend, pacht en ontvangen lijfrentetermijnen. Hiervoor zij ook verwezen naar artikel 7, eerste lid, onderdeel d, voor negatieve opbrengsten uit vermogen en onderneming.

     Tweede lid. Het tweede lid geeft aan hoe gehandeld moet worden indien het inkomen uit arbeid dan wel uitkeringen, genoemd in het eerste lid, onderdeel a en b, pas in de loop van het berekeningsjaar is ontstaan: in dat geval moeten deze inkomsten geëxtrapoleerd worden tot een jaarinkomen. De extrapolatieregel geldt niet indien het gaat om andere inkomsten in het berekeningsjaar, bijvoorbeeld bij het toekennen van een toelage krachtens de Wet op de studiefinanciering. In dat geval geldt de hoofdregel uit artikel 5, eerste lid: bepalend zijn de inkomsten, genoten in het vorige jaar.

     Derde lid. Ingevolge artikel 251 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de ouder het vruchtgenot van het vermogen van zijn minderjarige kinderen. Dit lid regelt dat deze inkomsten uit het vermogen van een minderjarige voor de toepassing van dit besluit niet als inkomsten van de ouder, doch als inkomsten van het kind worden gerekend.

     Vierde lid, onderdeel b en c. Het vierde lid, onderdeel b en c, sluit de uitkeringen ingevolge artikel 14 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en artikel 20 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 bij de vaststelling van het bijdrageplichtige inkomen uit. De reden ligt in de systematiek van die wetten.
     Krachtens artikel 14 Wuv wordt de uitkering van een Wuv-uitkeringsgerechtigde die ten laste van één der socialeverzekeringswetten ter verpleging of verzorging in een daartoe bestemde instelling is opgenomen, gereduceerd tot een bedrag dat de belanghebbende, afhankelijk van zijn financiële positie, ter vrije besteding houdt voor persoonlijke uitgaven. Ter vaststelling van het bedrag voor persoonlijke uitgaven is bepaald dat bepaalde noodzakelijk te maken kosten vergoed worden indien en voor zover deze niet uit eigen middelen van de belanghebbende betaald kunnen worden. De optrekking van de eigen bijdrage in het kader van de AWBZ heeft in een aantal gevallen geleid tot een hogere uitkering ingevolge artikel 14 Wuv. De aldus aangepaste Wuv-uitkering leidde vervolgens weer tot een hogere AWBZ-bijdrage, hetgeen wederom, gelet op de Wuv-systematiek, weer leidde tot een evenredige verhoging van de Wuv-uitkering. Teneinde een dergelijke onbedoelde werking te voorkomen, worden deze uitkeringen niet als inkomen aangemerkt.
 
     Vierde lid, onderdeel d
. Deze bepaling is getroffen om te voorkomen dat het besluit moet worden aangepast indien in enig jaar een wettelijke maatregel wordt getroffen met het oog op een uitkering in verband met koopkrachtontwikkelingen. Te denken valt aan een uitkering als in 1986 aan de zogenaamde meerjarige echte minima op grond van de Wet van 3 juli 1986 tot verlening van een uitkering met het oog op de koopkrachtontwikkeling in 1986 aan personen die in 1984, 1985, 1986 alleen dan wel tezamen met één of meer anderen over niet meer dan een minimuminkomen beschikken (Stb. 1986, 376).
 
     Vierde lid, onderdeel g
. Het gaat hier om onderhoudsuitkeringen welke door de bijdrageplichtige worden ontvangen. Zie hiervoor de artikelen 8 en 9.
 
     Vierde lid, onderdeel j
. Deze bepaling strekt ertoe om te voorkomen dat verzekerden met een vrijwilligeouderdomsverzekeringspensioen van ƒ30,- of minder per maand buiten hun wil om worden geconfronteerd met het in aanmerking nemen van extra inkomsten als gevolg van een verplichte afkoop van deze pensioenen. Deze afkoopsommen hoeven niet bij het bijdrageplichtige inkomen te worden opgeteld. In overige gevallen, waarin vrijwillig een afkoopsom wordt ontvangen, vindt wel bijtelling plaats.
 
     Vierde lid, onderdeel k. Ook deze verplichte afkoopsommen worden buiten beschouwing gelaten in verband met een toezegging van de regering bij de wijziging van de Liquidatiewet in januari 1990 (Wet van 21 maart 1990, houdende nadere wijziging van de Liquidatiewet invaliditeitswetten, houdende een vierde tevens afsluitende liquidatiefase (Stb. 1990, 145)).
 
     Vierde lid, onderdeel l. De rente op een spaartegoed ingevolge een spaarloonregeling wordt niet als bijdrageplichtig inkomen aangemerkt.
 
 

Artikel 7

     Artikel 7 bevat de bedragen die bij de vaststelling van het bijdrageplichtige inkomen op de inkomsten van artikel 6 in mindering mogen worden gebracht. De opsomming in deze bepaling is limitatief. Met niet-genoemde kosten, zoals bijvoorbeeld aflossing van een studieschuld of kosten voor een inrichting van een kamer bij verblijf in een instelling of een verzorgingshuis, kan dan ook geen rekening gehouden worden. Verwezen zij ook naar artikel 10 (aftrekbare revalidatiekosten) en artikel 11 (aftrekkosten in verband met de opheffing van een huishouden).

     Eerste lid, onderdeel a. Aftrekbaar zijn de in het berekeningsjaar betaalde belastingen.

     Eerste lid, onderdeel b en c. Aftrekbaar zijn de feitelijk betaalde premies in het berekeningsjaar. Niet aftrekbaar is de premie voor een aanvullende verzekering bij een ziekenfonds en premies voor een vrijwillige pensioenverzekering.

     Eerste lid, onderdeel d. Voor de in aanmerking te nemen kosten van vermogensbeheer is het Burgerlijk Wetboek relevant. Op grond van jurisprudentie geldt dat de werkelijke kosten van vermogensbeheer die in mindering kunnen worden gebracht ten hoogste 5% van de netto-opbrengst van het beheerde vermogen kunnen bedragen.

     Eerste lid, onderdeel e. Slechts aftrekbaar zijn de kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de aanwijzing van de curator of bewindvoerder. Deze kosten moeten duidelijk aantoonbaar zijn. Beheerskosten in verband met curatele of bewindvoering zijn op grond van dit onderdeel niet aftrekbaar. Onder die niet-aftrekbare kosten zijn de door de kantonrechter vastgestelde beloning voor het zijn van curator begrepen. Beheerskosten in het kader van bewindvoering en curatele zullen echter wel aftrekbaar zijn op grond van het eerste lid, onderdeel d, indien er sprake is van inkomsten uit onderneming of vermogen. Deze aftrek kan dus nooit meer zijn dan de opbrengst uit onderneming en vermogen.

     Eerste lid, onderdeel f. Van de in het berekeningsjaar feitelijk genoten netto-opbrengst van reële arbeid kan 15% in mindering worden gebracht. De aftrek is bedoeld om bij verzekerden die nog tot arbeid in staat zijn, niet elke prikkel tot het verrichten van arbeid weg te nemen. Inkomsten uit pensioen behoren niet tot de reële arbeid. De aftrek geldt daar dus niet voor. Wel worden de uitkeringen krachtens de Ziektewet tot de inkomsten uit arbeid gerekend. Dit om ongelijke behandeling bij deze uitkeringen te voorkomen. Ingeval de uitkering wordt gedaan door een werkgever, is er namelijk sprake van inkomsten uit arbeid, terwijl bij uitkering gedaan door een uitkeringsorgaan er sprake is van een uitkering.

     Eerste lid, onderdeel g. Het betreft hier zak- en kleedgeld, inclusief een bedrag voor vakantiegeld, gerelateerd aan artikel 31 van de Algemene bijstandswet. Omdat het hier gaat om jaarlijks per 1 juli te wijzigen bedragen, is bepaald dat deze bij ministeriële regeling worden vastgesteld.
     Voor de periode 1 juli 1996 tot 1 juli 1997 zijn deze bedragen vastgesteld op ƒ4489,33 voor ongehuwden dan wel ƒ7482,79 voor gehuwden. Indien er sprake is van toepassing van artikel 5, tweede en derde lid, gaat het om een bedrag van twaalfmaal het bedrag, bedoeld in artikel 5, tweede lid.

     Eerste lid, onderdeel h. De kosten voor studie betreffen bij ministeriële regeling vast te stellen normbedragen gerelateerd aan de actuele kosten van leermiddelen, boeken en onderwijsbijdragen in verschillende schoolsoorten. Deze aftrekpost is bedoeld voor verzekerden die, soms juist met het oog op scholing, zijn opgenomen in instellingen als instellingen voor zintuiglijk gehandicapten, in psychiatrische ziekenhuizen, in gezinsvervangende tehuizen voor gehandicapten, en die tevens onderwijs volgen waarvoor zij een toelage krachtens de Wet op de studiefinanciering ontvangen. Ingevolge die wet zijn de toelagen van studerenden enerzijds voor de kosten van levensonderhoud, anderzijds voor boeken, leermiddelen en onderwijsbedragen, onderscheiden naar de aard van het gevolgde onderwijs. Op grond van het artikel 6, eerste lid, onderdeel e, zijn deze toelagen inkomsten. Ingevolge de onderhavige bepaling kan dus per onderwijssoort een bepaald bedrag van de inkomsten worden afgetrokken. Teneinde de verschillende bedragen zo nodig aan te kunnen passen, worden deze bij ministeriële regeling vastgesteld.

     Eerste lid, onderdeel i. Hetgeen in het eerste lid, onderdeel i, (in combinatie met de aanhef van het eerste lid) is geregeld, betreft hetgeen voorheen werd geregeld in artikel 13, derde tot en met zesde lid, van de Bijdrageregeling intramurale zorg AWBZ. In artikel 13, derde tot en met het zesde lid, werd geregeld dat degenen die na toepassing van de voorafgaande bepalingen in die regeling meer inkomen overhielden dan het sociaal minimum, van dat meerdere eerst nog eens ƒ840,- mochten aftrekken en, zo dat inkomen dat nog toeliet, van alles wat daarboven uitkwam nog eens 12,5%. Bij kleinere overschrijding mocht slechts dat bedrag worden afgetrokken.
     Onderdeel i strekt ertoe deze regeling te handhaven. Omdat deze bepalingen drempelbedragen bevatten die gerelateerd zijn aan het sociaal minimum en derhalve jaarlijks per 1 juli worden aangepast, geschiedt regeling op dit punt nader bij ministeriële regeling.
     Achtergrond van deze regeling is dat het redelijk wordt geacht dat het ter vrije besteding beschikbare bedrag toeneemt naarmate het inkomen stijgt. In beginsel wordt uitgegaan van 12,5% van het inkomen boven het sociaalminimumniveau. Teneinde te voorkomen dat in de uitvoeringspraktijk de uitvoeringsorganen worden geconfronteerd met de noodzaak om zeer kleine neveninkomens te betrekken bij de vaststelling van de eigen bijdrage, is besloten om een bedrag van ten minste ƒ840,- per jaar boven het sociaalminimumniveau buiten beschouwing te laten. In zijn algemeenheid betekent dit dat de bijdrageplichtige die een jaarinkomen geniet dat meer bedraagt dan het sociaal minimum, de eerste ƒ840,- neveninkomen geheel mag overhouden en van hetgeen daarboven uitgaat nog eens 12,5%.
     De aldus in dit besluit geregelde vrijlatingen betekenen voor bewoners van verzorgingshuizen een gunstiger regime dan gold onder het Bijdragebesluit bewoners van bejaardenoorden.

     Tweede lid. Dit lid geeft een regeling voor de aftrekposten indien de inkomsten pas in de loop van het kalenderjaar ontstaan; in dat geval moeten de in het eerste lid, onderdeel a en b, genoemde aftrekposten geëxtrapoleerd worden tot een jaarbedrag.

 

Artikel 8 en 9

     Artikel 8 en 9 regelen een tweede categorie van bedragen die van het bijdrageplichtige inkomen kunnen worden afgetrokken, namelijk de onderhoudsuitkeringen die door een kostwinner worden gedaan aan de in die bepalingen opgesomde personen.
     Artikel 8 betreft de kosten van onderhoud voor eigen, aangehuwde en pleegkinderen, mits voor die kinderen recht op een uitkering ingevolge de artikelen 7 en 26 van de Algemene Kinderbijslagwet bestaat.
     Artikel 9 betreft de kosten van onderhoud, zoals alimentatie voor de gewezen of duurzaam gescheiden echtgenoot of een ander persoon waarmee ten minste één jaar vóór de opname een gemeenschappelijk huishouden is gevoerd.

 

Artikel 10

     Ingevolge artikel 10 kunnen onder bepaalde voorwaarden uitgaven in verband met revalidatie in mindering worden gebracht. De bedoeling van deze revalidatiekostenaftrek is enerzijds om de verzekerde tegemoet te komen in kosten die onvermijdelijk zijn verbonden aan een revalidatieproces en anderzijds om dit revalidatieproces niet te verhinderen of zelfs te stimuleren teneinde onnodig verder verblijf, mede gelet op de daarmee gepaard gaande hoge kosten, te voorkomen.

     Eerste lid. Om in aanmerking te komen voor de aftrek moet ingevolge de aanhef van het eerste lid voldaan zijn aan de voorwaarde dat ontslag uit de instelling of het verzorgingshuis en terugkeer naar de maatschappij waarschijnlijk worden geacht. Er moet dus sprake zijn van een reële kans op ontslag op het moment van beoordeling. Het gaat daarbij om een oordeel op grond van objectieve medische maatstaven en niet om zaken als de te verwachten sociale of therapeutische effecten van het feitelijk aanhouden van de woning.
     Onvoldoende is dat ontslag te gelegener tijd niet wordt uitgesloten. Daarentegen is het niet zo dat ontslag binnen een bepaalde termijn moet zijn te verwachten.
     Onvoldoende is ook dat de verzekerde bijvoorbeeld in een psychiatrisch ziekenhuis deelneemt aan een resocialisatieprogramma of zo nu en dan in de (feitelijk) aangehouden woning verblijft; er moet daarnaast ook een reëel perspectief op ontslag zijn.
     De aftrekbare kosten zijn in artikel 10 limitatief opgesomd. In het eerste lid, onderdeel a, zijn de kosten in verband met de woonruimte opgesomd. In het eerste lid, onderdeel b, gaat het om kosten in verband met verlof in de eigen woonruimte. Het eerste lid, onderdeel c, betreft kosten voor de opslag van meubilair.
     De aftrek kan ook toegepast worden in de situatie dat de gezonde partner na het overlijden van de geïndiceerde partner het verzorgingshuis wenst te verlaten. Indien een revalidatieaftrek in die situatie niet mogelijk zou zijn, zou de gezonde partner hiertoe niet in staat zijn. Immers de maximaal verschuldigde bijdrage ontneemt hem daartoe in het algemeen de ruimte. Uiteraard komt de revalidatieaftrek pas aan de orde op het moment dat de geïndiceerde partner is overleden en de gezonde partner te kennen heeft gegeven het verzorgingshuis te willen verlaten.

     Tweede lid. In het tweede lid zijn aftrekbare kosten geregeld indien de verzekerde in het kader van een voor hem noodzakelijke behandeling vervoerskosten maakt voor verlof in een andere dan zijn eigen woonruimte.

     Derde lid. Het derde lid sluit van de aftrekregeling uit verzekerden die verblijven in een zwakzinnigeninrichting en een gezinsvervangend tehuis of een andere instelling, primair op grond van een geestelijke handicap, al dan niet gepaard gaande met een lichamelijke of zintuiglijke handicap.

 

Artikel 11

     Verzekerden die direct bij opneming de bijdrage, bedoeld in artikel 4, verschuldigd zijn en daaraan voorafgaande een zelfstandige huishouding hebben gevoerd, zullen zo snel mogelijk hun huishouden beëindigen. Echter, zij zullen in het algemeen toch nog enige tijd kosten hebben voortvloeiende uit dat voormalige huishouden. Huurtermijnen, hypotheekaflossingen zullen nog enkele maanden door kunnen lopen. Daarom mogen deze niet te vermijden uitgaven die samenhangen met het opheffen van het huishouden in mindering op de inkomsten worden gebracht. Om te voorkomen dat de verzekerde niet snel maatregelen neemt om zijn huishouden op te heffen, is bepaald dat deze kosten maximaal de eerste drie maanden na de maand van opneming kunnen worden afgetrokken. De kosten die voor aftrek in aanmerking komen, zijn in artikel 11 limitatief geregeld.
     In afwijking van het vorenstaande geldt de aftrek voor de opheffing van een huishouden ook voor verzekerden die in een psychiatrisch ziekenhuis of psychiatrische afdeling zijn opgenomen, ondanks het feit dat zij pas na een verblijf van 365 dagen een bijdrage in de kosten verschuldigd zijn.

 

Artikel 12

     Een beschikking tot verlaging van de eigen bijdrage op grond van artikel 4, derde lid, of 5, tweede lid, genomen door het uitvoeringsorgaan onderscheidenlijk de Minister van Justitie, geschiedt op aanvraag van de verzekerde. Deze beschikking wordt herzien indien niet meer aan de voorwaarde voor verlaging wordt voldaan.

 

Artikel 13

     Bij verblijf in de in artikel 13 opgesomde instellingen wordt de bijdrage verlaagd met een bedrag van ƒ62,50 voor ongehuwden en gehuwden tezamen. Reden hiervoor is dat verzekerden die verblijven in deze instellingen in het algemeen meer aan het maatschappelijk verkeer deelnemen dan verzekerden verblijvende in andere AWBZ-instellingen.

 

Artikel 14

     Eerste lid. In het eerste lid zijn de situaties (onderdeel a tot en met f) geregeld waarbij er geen sprake is van de bijdrage, bedoeld in artikel 4, maar een bijdrage geldt ter hoogte van ƒ1085,- per maand. Bij verblijf in een verzorgingshuis is de bijdrage verschuldigd ingeval er sprake is van de zorg, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Overgangswet verzorgingshuizen, voor zover het betreft duurzame opneming, kortdurende zorg dan wel verzorging, minimaal vijf keren per week, gedurende de dag of de nacht. Betreft het verzorging gedurende de dag of de nacht minder dan vijf keren per week, is artikel 16 van toepassing.

     Tweede lid. In het tweede lid is geregeld dat deze bijdrage op aanvraag wordt verlaagd.
     De periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en d, betreft de zogenaamde wachttijd. Zoals ook bij artikel 4 is aangegeven, is hoofdregel in dit besluit dat de verzekerde de in die bepaling geregelde bijdrage verschuldigd is met ingang van de eerste dag dat het verblijf ten laste van de AWBZ-verzekering komt. In afwijking daarvan gold op grond van de Bijdrageregeling intramurale zorg AWBZ een wachttijd van een halfjaar voor verblijf in een verpleeginrichting, tenzij er sprake was van een psychogeriatrisch ziektebeeld, voor verblijf in een tehuis als bedoeld in het Besluit regeling vergoeding Bijzondere Ziektekostenverzekering, tenzij er sprake was van een psychogeriatrisch ziektebeeld of een geestelijke handicap, bij verblijf in het Dorp, bij verblijf in een instelling voor blinden en slechtzienden, bij verblijf in een instelling voor doven en slechthorenden en bij verblijf in een gezinsvervangend tehuis, tenzij er sprake was van een geestelijke handicap.
     Met betrekking tot de wachttijden ten aanzien waarvan dus als voorheen nadere regeling bij ministeriële regeling zal plaatsvinden, worden per 1 januari 1997 slechts beperkte wijzigingen aangebracht. In die gevallen waarin moet worden aangenomen dat de opname een langdurig karakter heeft, zullen verzekerden vanaf het moment van opname de hoge eigen bijdrage verschuldigd zijn. Dit zal moeten worden vastgesteld bij de indicatiestelling. Voor de overige gevallen blijft een wachttijd van zes maanden gehandhaafd.
     Bij de ministeriële regeling zal voorts als voorheen worden geregeld dat de wachttijd niet geldt voor de verzekerde die al de bijdrage op grond van artikel 4 verschuldigd was, ontslagen wordt en binnen zes maanden weer wordt opgenomen.
     Indien de verzekerde een bijdrageplichtig inkomen heeft dat lager is dan ƒ54 001,-, wordt de bijdrage ingevolge het tweede lid op zijn aanvraag verlaagd tot één van de vier in die bepaling vermelde bedragen. In de bepaling zijn vier categorieën van inkomen vermeld waarbij een lagere eigen bijdrage geldt. Uitgangspunt is geweest dat voor de groep verzekerden met een bijdrageplichtig inkomen tot een bedrag van ƒ27 601,- het oude bedrag van ƒ210,- per maand gehandhaafd blijft.
     De bijdrage wordt alleen op aanvraag van de verzekerde verlaagd. Net als bij de al bestaande inkomensafhankelijke eigen bijdrage geldt dat de hoogste bijdrage wordt opgelegd indien de verzekerde geen inkomensgegevens verstrekt.

 

Artikel 15

     Eerste lid. In het eerste lid is geregeld dat een aantal bepalingen van overeenkomstige toepassing zijn op artikel 14.

     Tweede lid. Het tweede lid geeft een afwijkende regeling voor de vaststelling van het bijdrageplichtige inkomen indien het inkomen van de verzekerde in het lopende kalenderjaar dusdanig lager is dan in het berekeningsjaar dat de verzekerde op grond van dat lager inkomen slechts het laagste bedrag verschuldigd zou zijn.

 

Artikel 16

     In deze bepaling zijn de bijdragen indien er sprake is van verzorging met verblijf gedurende de dag of nacht minder dan vijf keren per week in een verzorgingshuis dan wel voor zorg, anders dan bij verblijf in een instelling of een verzorgingshuis, geregeld.
     Het gaat om zorg die verleend wordt door verzorgingshuizen aan mensen die niet in het verzorgingshuis verblijven.
     Voorts gaat het om de eigen bijdrage voor de hulp vanwege een kruisorganisatie alsmede om de eigen bijdrage voor psychotherapie, zoals deze waren geregeld in de Regeling nadere regels zorgaanspraken AWBZ. Overigens is het de bedoeling de eigen bijdrage voor het kruiswerk te wijzigen, zoals in het algemene deel van deze nota van toelichting is aangegeven. Bevorderd zal worden dat artikel 16 te zijner tijd zal worden gewijzigd.

 

Artikel 17

     Indien een verzekerde in een psychiatrisch ziekenhuis dan wel een psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis (PAAZ) wordt opgenomen, is hij, tenzij het gaat om opname in een herstellingsoord, de eerste 365 dagen in het geheel geen bijdrage in de kosten verschuldigd. Daarentegen is hij, indien hij binnen zes maanden na ontslag uit een ziekenhuis, revalidatie-instelling, psychiatrisch ziekenhuis of een PAAZ wordt opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis of PAAZ en voor het eerdere verblijf een bijdrage verschuldigd was, met ingang van de eerste dag van de heropname de bijdrage, bedoeld in artikel 4, verschuldigd.

 

Artikel 18

     Voor kloosterbejaardenoorden geldt gedurende de periode dat de verzorgingshuizen gesubsidieerd worden door de Ziekenfondsraad een afwijkende vaststelling van het bijdrageplichtige inkomen voor de berekening van de verschuldigde bijdrage. Deze wordt ten minste vastgesteld op de som van het bedrag van het volledige AOW-pensioen voor een alleenstaande en een twaalfde gedeelte van een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag. Deze vaststelling betekent een continuering van hetgeen in het kader van de Wet op de bejaardenoorden was geregeld. Voordat duurzaam verblijf en verzorging in een verzorgingshuis onderdeel uitmaakt van het AWBZ-aansprakenpakket zal over het al dan niet handhaven van deze bepaling expliciet beslist worden.

 

Artikel 19

     In dit artikel is geregeld dat de bedragen, genoemd in de artikelen 4, eerste lid, en 14, jaarlijks worden gewijzigd aan de hand van de prijsindex van de gezinsconsumptie. Het aldus berekende bedrag wordt naar beneden afgerond op een veelvoud van vijf gulden. Bij de berekening het jaar daarop wordt uitgegaan van het onafgeronde bedrag.

 

Artikel 24

     Met de Overgangswet verzorgingshuizen is artikel 6, derde lid, van de AWBZ gewijzigd. Eén van de wijzigingen betreft de loskoppeling van de eigenbijdrage-AMvB van de aanspraken-AMvB. Gelet daarop zijn alle AWBZ-bijdragen thans in het onderhavige besluit geregeld en is bepaald dat paragraaf 10 en artikel 31 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering vervallen. Door het vervallen van artikel 31 is voorts de Bijdrageregeling intramurale zorg AWBZ van rechtswege komen te vervallen.

 

Artikel 25

     Bij de behandeling van het voorstel van Overgangswet verzorgingshuizen in de Tweede Kamer is de motie van het lid Van Boxtel c.s, waarin de regering wordt uitgenodigd de zittende verpleeghuisbewoners van de beoogde verhoging van de inkomensafhankelijke eigen bijdragen te vrijwaren, aanvaard (Kamerstukken II 1995-1996, 24 606, nr. 17). Deze motie werd ontraden omdat er op dat moment voor de uitvoering daarvan geen financiële middelen beschikbaar leken te zijn. Nadien is in het Jaaroverzicht zorg 1997 aangegeven dat er middelen beschikbaar zijn om de mensen die op 31 december 1996 in een AWBZ-instelling verbleven, te ontzien. Besloten is te komen tot een ingroeimodel waarbij voor deze groep bijdrageplichtigen de geldende maxima per 1 juli 1997 in vier stappen naar de in de artikel 4, eerste lid, en artikel 14, eerste en tweede lid, [genoemde bijdragen, red.] toegroeien. Het desbetreffende toegroeimodel is met ingang van 1 januari 1997 bij ministeriële regeling geregeld. Voor de desbetreffende personen is de bijdrage met ingang van 1 januari 1997 niet verhoogd.

 

Artikel 26

     Tot 1 januari 1996 gold in het kader van de AWBZ dat de verzekerde een nominale premie, vast te stellen door het uitvoeringsorgaan, verschuldigd was. In verband met het terugbrengen van de AWBZ-verzekering naar een voorziening voor onverzekerbare risico’s is het verschuldigd zijn van deze premie komen te vervallen. Deze nominale premie gold als post die op het bijdrageplichtige inkomen in mindering mocht worden gebracht. Vanwege het feit dat uitgegaan wordt van het bijdrageplichtige inkomen dat in het voorafgaande jaar is genoten, dient de AWBZ-nominale premie nog als aftrekpost te gelden tot 1 juli 1997.

 

Artikel 27

     Zodra de Overgangswet verzorgingshuizen is aanvaard door de Eerste Kamer, zal worden bevorderd dat het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit wordt vastgesteld op 1 januari 1997, het tijdstip waarop de inwerkingtreding van voornoemde wet is voorzien. Geregeld is dat voor artikel 24 bij koninklijk besluit een ander tijdstip van inwerkingtreding kan worden vastgesteld. De reden is dat artikel 31 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering is vastgesteld op grond van het oude artikel 6, derde lid, van de AWBZ. Voor deze oude bepaling gold de voorhangprocedure Eerste en Tweede Kamer op grond van artikel 6, achtste lid, van de AWBZ; deze geldt niet meer voor het gewijzigde artikel 6, derde lid.-

 

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E.G. Terpstra

De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager