Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Beroepswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 11 augustus 2007

 

BESTUURSREGLEMENT  CRvB

Vervallen
m.i.v. 12 augustus 2007
(art. 9:2 BC07)

 
 

2 januari 2002, Stcrt. 2002, 48
Inwerkingtreding: 1 januari 2002
(T.a.v. art. 3 Bw jº 19:1
Wet RO)

 

 

 

 
     Gelet op artikel 3 van de Beroepswet in verbinding met artikel 19, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie stelt het bestuur van de Centrale Raad van Beroep te Utrecht het navolgend reglement vast.

 

 

HOOFDSTUK  1

Organisatie

 

Art. 1.1. Onderdelen organisatie
-1. De Raad kent in ieder geval de volgende organisatorische eenheden:
a. het bestuur;
b. de sectie I;
c. de sectie II;
d. de sectie III;
e. het bedrijfsbureau;
f. het bureau Kennis en Onderzoek;
g. de gerechtsvergadering (raadsvergadering).
-2. De onder b tot en met d vermelde organisatorische eenheden bestaan uit meervoudige en enkelvoudige kamers als bedoeld in de artikelen 17 en 21 van de Beroepswet, welke kamers zijn belast met het behandelen en beslissen van de door het bestuur bij reglement aan te wijzen soorten zaken en van welke kamers het bestuur bij reglement de bezetting bepaalt.

 

 

HOOFDSTUK  2

Bestuur

 

Art. 2.1. Werkwijze bestuur
-1. Het bestuur komt ten minste twaalfmaal per jaar in vergadering bijeen.
-2. Het bestuur komt in ieder geval in vergadering bijeen:
a. voor de bespreking en vaststelling van het bestuursreglement, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie;
b. voor de bespreking en vaststelling van de klachtenregeling, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie;
c. voor de bespreking en vaststelling van de jaarstukken, bedoeld in artikel 31, eerste lid, en artikel 35, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie;
d. voor de bespreking en vaststelling van beleidsstukken die de hele Raad aangaan;
e. op verzoek van de president; of
f. op verzoek van ten minste twee leden van het bestuur.
-3. Het bestuur komt ten minste eenmaal per jaar in vergadering bijeen voor het evalueren van zijn werkwijze. Artikel 2.2, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
-4. Het bestuur vergadert volgens een tevoren vastgesteld schema. De president doet daartoe een voorstel.
-5. Een vergadering als bedoeld in tweede lid, onderdeel f, wordt binnen veertien dagen gehouden nadat het verzoek bij de president is binnengekomen.
-6. Het bijeenroepen geschiedt door een schriftelijke kennisgeving aan de leden van het bestuur.

 

Art. 2.2. Agenda en verslag
-1. De president is verantwoordelijk voor het opstellen van een agenda voor elke vergadering. De agenda wordt tijdens de vergadering vastgesteld. De president plaatst in ieder geval op de agenda:
a. de door een lid van het bestuur opgegeven onderwerpen;
b. het verslag van de vorige vergadering.
-2. De president is verantwoordelijk voor de verzending van de schriftelijke kennisgeving, bedoeld in artikel 2.1, zesde lid, de agenda en eventuele overige stukken aan de leden van het bestuur. Dit gebeurt ten minste twee werkdagen voorafgaand aan de vergadering. De agenda wordt tegelijkertijd openbaar gemaakt.
-3. De president is verantwoordelijk voor het opstellen van een verslag zo spoedig mogelijk na een vergadering. Het bestuur kan besluiten dat beraadslagingen of besluiten over één of meerdere onderwerpen in een niet in het openbaar te maken gedeelte van het verslag worden opgenomen.
-4. Het verslag, bedoeld in het derde lid, wordt in de eerstvolgende vergadering vastgesteld en vervolgens algemeen openbaar gemaakt.

 

Art. 2.3. Orde
-1. Besluiten kunnen slechts worden genomen in een vergadering waarin ten minste de helft van het aantal leden van het bestuur aanwezig is.
-2. Een vergadering wordt voorgezeten door de president.
-3. Indien de president afwezig is, zit een ander lid van het bestuur de vergadering voor. Dit lid wordt door de president of, indien deze daartoe niet in staat is, door het bestuur aangewezen.
-4. De voorzitter van de vergadering kan de vergadering schorsen.
-5. De voorzitter van de vergadering bepaalt de duur van de schorsing en het moment van hervatten van de vergadering.

 

Art. 2.4. Besluitvorming
-1. Het bestuur beslist bij meerderheid van stemmen. Indien de stemmen staken, geeft de stem van de president de doorslag.
-2. Een lid van het bestuur kan zijn stem alleen tijdens een vergadering uitbrengen.
-3. Blanco stemmen worden beschouwd als niet-uitgebrachte stemmen.
-4. De president is verantwoordelijk voor het opnemen van een besluitenlijst in het verslag, bedoeld in artikel 2.2, derde lid.

 

Art. 2.5. Uitgaande stukken
Van het bestuur uitgaande stukken worden door de president ondertekend, met uitzondering van krachtens (onder)mandaat genomen besluiten van het bestuur.

 

Art. 2.6. Vervanging bestuursleden
Een lid van het bestuur dat langer dan dertig dagen niet in staat is aan de werkzaamheden van het bestuur deel te nemen, kan na overleg met hem worden vervangen door een van tevoren door het bestuur aangewezen met rechtspraak belast lid van het bestuur.

 

Art. 2.7. Toewijzing aandachtsgebieden
-1. Het bestuur kan op voorstel van de president aandachtsgebieden toewijzen aan de leden van het bestuur.
-2. Het bestuur verbindt een termijn aan de toewijzing, bedoeld in het eerste lid.

 

 

HOOFDSTUK  3

Secties I, II en III

 

Art. 3.1. De sectievoorzitter
-1. Een met rechtspraak belast lid van het bestuur is als sectievoorzitter belast met de leiding van de sectie.
-2. De sectievoorzitter bevordert de kwaliteit van het primaire proces binnen zijn sectie.
-3. Binnen de kaders door het bestuur gesteld heeft de sectievoorzitter namens het bestuur met betrekking tot de sectie bevoegdheden ten aanzien van:
a. personeelsaangelegenheden, waaronder in ieder geval:
1º. het voeren van evaluatiegesprekken met rechterlijke ambtenaren;
2º. het voeren van functioneringsgesprekken met gerechtsambtenaren;
3º. het voeren van een loopbaanbeleid en het doen van voorstellen in dit verband aan het bestuur;
b. het tijdig opstellen van een jaarplan en een jaarrapport voor de sectie;
c. bestuurlijk-organisatorische werkwijze;
d. huisvesting;
f.¹ professionalisering.
-4. De sectievoorzitter kan ondermandaat verlenen.
-5. De sectievoorzitter bevordert binnen de sectie werkoverleg.

1. Volgens de redactie dient onderdeel f te worden verletterd tot onderdeel e.

 

Art. 3.2. Sectievergadering
-1. De sectievergadering komt in vergadering bijeen volgens een tevoren vastgesteld schema. De sectievoorzitter doet daartoe een voorstel.
-2. De sectievergadering komt in ieder geval in vergadering bijeen:
a. voor het bespreken van een reglement als bedoeld in het derde lid;
b. voor het bespreken van een advies als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de rechterlijke organisatie;
c. voor het bespreken van een sectiejaarplan;
d. op verzoek van de sectievoorzitter; of
e. op verzoek van ten minste een kwart van de bij de sectie werkzame rechterlijke ambtenaren en gerechtsambtenaren.
-3. De sectievergadering kan bij reglement nadere regels vaststellen met betrekking tot in ieder geval de:
a. wijze van vergaderen;
b. wijze van besluitvorming.

 

Art. 3.3. Verdeling van de zaken over de secties en vorming van kamers
-1. Het bestuur stelt een reglement vast, waarin is geregeld de:
a. verdeling van zaken over de secties I, II en III;
b. vorming van enkelvoudige en meervoudige kamers.
-2. Het reglement, bedoeld in het eerste lid, wordt gepubliceerd in de Staatscourant. Het reglement wordt door het bestuur voor een ieder ter inzage gelegd.

 

 

HOOFDSTUK  4

Het bedrijfsbureau

 

Art. 4.1. Het bedrijfsbureau
-1. Het bestuur doet zich bijstaan door een bedrijfsbureau.
-2. Dit bedrijfsbureau is tevens belast met het adviseren en ondersteunen van de leidinggevenden, de secties en overige onderdelen van de organisatie.

 

Art. 4.2. De directeur bedrijfsvoering
-1. De directeur bedrijfsvoering is belast met de leiding van het bedrijfsbureau.
-2. Binnen de kaders door het bestuur gesteld heeft de directeur bedrijfsvoering namens het bestuur met betrekking tot het bureau bevoegdheden ten aanzien van:
a. personeelsaangelegenheden, waaronder in ieder geval:
1º. het voeren van functioneringsgesprekken met gerechtsambtenaren;
2º. het voeren van een loopbaanbeleid;
b. het tijdig opstellen van een jaarplan en een jaarrapport voor het bureau;
c. automatisering en bestuurlijke informatievoorziening;
d. bestuurlijk-organisatorische werkwijze;
e. huisvesting en beveiliging;
f. professionalisering.
-3. De directeur bedrijfsvoering kan ondermandaat verlenen.
-4. De directeur bedrijfsvoering bevordert binnen het bedrijfsbureau werkoverleg.

 

 

HOOFDSTUK  5

Het bureau Kennis en Onderzoek

 

Art. 5.1. Taak van het bureau Kennis en Onderzoek
-1. Het bestuur doet zich bijstaan door een bureau Kennis en Onderzoek.
-2. Het bureau Kennis en Onderzoek is belast met de advisering en ondersteuning van de leidinggevenden, de secties en overige onderdelen van de organisatie op het gebied van de juridische documentatie, de juridische kwaliteit en uniforme rechtstoepassing.

 

Art. 5.2. Leiding van het bureau Kennis en Onderzoek
-1. Een met rechtspraak belast lid van het bestuur heeft de leiding over het bureau Kennis en Onderzoek.
-2. Binnen de kaders door het bestuur gesteld heeft het betrokken bestuurslid namens het bestuur met betrekking tot het bureau Kennis en Onderzoek bevoegdheden ten aanzien van:
a. personeelsaangelegenheden, waaronder in ieder geval:
1º. het voeren van functioneringsgesprekken met gerechtsambtenaren en met rechterlijke ambtenaren niet met rechtspraak belast;
2º. het voeren van een loopbaanbeleid;
b. het tijdig opstellen van een jaarplan en een jaarrapport voor het bureau;
c. automatisering en bestuurlijke informatievoorziening;
d. bestuurlijk-organisatorische werkwijze;
e. huisvesting en beveiliging;
f. professionalisering.
-3. Het betrokken bestuurslid kan ondermandaat verlenen.
-4. Degene die de leiding over het bureau Kennis en Onderzoek heeft, bevordert binnen het bureau werkoverleg.

 

 

HOOFDSTUK  6

Raadsvergadering

 

Art. 6.1. Raadsvergadering
-1. De gerechtsvergadering bij de Raad draagt de benaming raadsvergadering.
-2. De raadsvergadering komt ten minste eenmaal per jaar in vergadering bijeen.
-3. De raadsvergadering komt in ieder geval in vergadering bijeen:
a. voor het opstellen van een advies als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de rechterlijke organisatie;
b. op verzoek van de president; of
c. op verzoek van ten minste een kwart van de gezamenlijke bij de Raad werkzame rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast.
-4. Het bijeenroepen geschiedt door een schriftelijke kennisgeving van de president. Hij doet dit ten minste zeven dagen voorafgaand aan de vergadering.
-5. Een vergadering als bedoeld in derde lid, onderdeel c, wordt binnen veertien dagen gehouden nadat het verzoek bij de president is binnengekomen.
-6. De artikelen 2.3 en 2.4 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. de raadsvergadering bij meerderheid van stemmen beslist;
b. een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast zijn stem alleen tijdens een vergadering kan uitbrengen;
c. de president verantwoordelijk is voor het opstellen van een verslag zo spoedig mogelijk na een vergadering. Het verslag wordt in de eerstvolgende vergadering vastgesteld.

 

 

HOOFDSTUK  7

Benoeming

 

Art. 7.1. Benoeming rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast
-1. Het bestuur is verantwoordelijk voor het opmaken van een lijst van aanbeveling voor de benoeming van rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast. Het bestuur stelt hiervoor een procedure vast, waarin in ieder geval de samenstelling van de selectieadviescommissie is geregeld.
-2. Het bestuur legt de raadsvergadering de lijst van aanbeveling voor de vervulling van de vacature van coördinerend vice-president, vice-president, raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger bij de Raad ter advisering voor, voor zover het de kandidaten betreft die nog niet als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast bij de Raad werkzaam zijn, voordat het bestuur die lijst aan de regering aanbiedt.

 

Art. 7.2. Benoeming bestuursleden
Het bestuur stelt een procedure vast voor het bepalen van zijn standpunt inzake de benoeming van een lid van het bestuur. In de procedure is in ieder geval geregeld dat:
a. de betrokken sectievergadering gehoord wordt indien de opengevallen plaats in het bestuur een sectievoorzitter betreft;
b. de gerechtsambtenaren en de niet met rechtspraak belaste rechterlijke ambtenaren werkzaam bij het bedrijfsbureau dan wel het bureau Kennis en Onderzoek, gehoord worden indien de opengevallen plaats in het bestuur de directeur bedrijfsvoering dan wel het bestuurslid belast met de leiding over het bureau Kennis en Onderzoek betreft;
c. de zienswijze van de ondernemingsraad wordt ingewonnen.

 

 

HOOFDSTUK  8

Planning en control

 

Art. 8.1. Planning
Het bestuur is verantwoordelijk voor de planning, bedoeld in paragraaf 3 van hoofdstuk 2, afdeling 2, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Het bestuur stelt hiervoor een procedure vast, waarin in ieder geval is geregeld:
a. de totstandkoming van het jaarplan, inclusief het meerjarenplan, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie;
b. de totstandkoming van het jaarverslag, bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie;
c. de wijze van informatieverschaffing door de verschillende onderdelen van de organisatie;
d. de wijze van behandeling van de stukken, genoemd in het eerste en tweede lid, door het bestuur;
e. de presentatie van de stukken, genoemd in het eerste en tweede lid.

 

Art. 8.2. Control
-1. Het bestuur is verantwoordelijk voor het laten plaatsvinden van control. Het bestuur stelt hiervoor een procedure vast, waarin in ieder geval is geregeld:
a. wat onderwerp van control kan zijn;
b. in welke vorm de control plaatsvindt;
c. wie gerechtigd is tot de opdrachtverlening;
d. wat de resultaten van control kunnen zijn;
e. hoe de resultaten worden bekendgemaakt.
-2. Het bestuur stelt een gerechtsambtenaar aan die onder de verantwoordelijkheid van het bestuur wordt belast met de control. De gerechtsambtenaar neemt daarbij artikel 23, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie in acht.
-3. De gerechtsambtenaar, genoemd in het tweede lid, functioneert zonder last of ruggenspraak en kan het bestuur rechtstreeks adviseren.

 

Art. 9. Inwerkingtreding
-1. Dit reglement treedt in werking met ingang van de dag na plaatsing in de Staatscourant en werkt terug tot en met 1 januari 2002.
-2. Dit reglement kan worden aangehaald als: Bestuursreglement CRvB.

 

 

Utrecht, 2 januari 2002.
Het bestuur van de Centrale Raad van Beroep te Utrecht,
J.G. Treffers.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Beroepswet | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x