Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Beroepswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2004

 

KLACHTENREGELING  CENTRALE  RAAD  VAN  BEROEP  2002

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2005
(art. 15:2 KCRB05)

 
 

? april 2002, Stcrt. 2002, 85
Inwerkingtreding: 1 januari 2002
(T.a.v. art. 3 Bw j║ 26
Wet RO)

 

 

 

 
     Het bestuur van de Centrale Raad van Beroep stelt, gelet op artikel 3 van de Beroepswet in verbinding met artikel 26 van de Wet op de rechterlijke organisatie, de volgende regeling vast.

 

 

Art. 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Raad: Centrale Raad van Beroep;
b. bestuur: bestuur van de Raad;
c. lid van de Raad: de president, de (co÷rdinerend) vice-president, de raadsheer en de raadsheer-plaatsvervanger.

 

Art. 2. Klachtrecht
-1. Een ieder heeft het recht om over de wijze waarop de Raad zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem heeft gedragen bij het bestuur een schriftelijke klacht in te dienen.
-2. Niet geklaagd kan worden over de inhoud, de motivering, het uitblijven van een rechterlijke beslissing, de wijze van totstandkomen van een rechterlijke beslissing of de in dat kader genomen beslissingen van procedurele aard.
-3. Als gedraging van de Raad wordt mede aangemerkt een gedraging van een lid van de Raad of een gedraging van een persoon werkzaam bij de Raad, voor zover deze gedraging van het lid van de Raad of de bij de Raad werkzame persoon aan de Raad kan worden toegerekend.
-4. Onder een bij de Raad werkzame persoon wordt verstaan:
a. een bij de Raad werkzame gerechtsauditeur of rechterlijk ambtenaar in opleiding;
b. een bij de Raad werkzame niet-rechterlijk ambtenaar, daaronder mede begrepen een persoon ten behoeve van de Raad werkzaam bij de Dienst F&F.
-5. Een lid van de Raad of een persoon werkzaam bij de Raad kan alleen een klacht indienen voor zover hij partij of belanghebbende is in een bij de Raad aanhangig geding, een partij of belanghebbende in een dergelijk geding vertegenwoordigt of bijstaat dan wel daarin getuige of deskundige is.

 

Art. 3. Klaagschrift
-1. Het klaagschrift moet worden ondertekend en ten minste bevatten:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de gedraging waartegen de klacht is gericht.
-2. Indien het klaagschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van de klacht noodzakelijk is, dient de indiener zorg te dragen voor een vertaling.
-3. Indien de klager minderjarig is of onder curatele gesteld, moet het klaagschrift worden ondertekend door de met het gezag beklede ouder of voogd onderscheidenlijk de curator.

 

Art. 4. Afdoening in der minne
-1. In iedere fase van de behandeling van de klacht kan het bestuur onderzoeken of de klager door informele afhandeling tevreden gesteld kan worden.
-2. Zodra het bestuur naar tevredenheid van de klager aan diens klacht tegemoet is gekomen, vervalt de verplichting tot het verder toepassen van deze regeling.

 

Art. 5. Bijstand en vertegenwoordiging
-1. De klager en de persoon op wie de klacht betrekking heeft, kunnen zich laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.
-2. Het bestuur kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
-3. Het bestuur kan bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, weigeren.
-4. Het derde lid is niet van toepassing ten aanzien van advocaten en procureurs.

 

Art. 6. Ontvangstbevestiging; doorzending, terugzending, registratie
-1. Het bestuur bevestigt de ontvangst van het klaagschrift schriftelijk en onder toezending van een afschrift van deze regeling.
-2. Het bestuur zendt afschrift van het klaagschrift en de daarbij meegezonden stukken aan degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft.
-3. Het bestuur zendt een klaagschrift tot behandeling waarvan kennelijk een andere instantie bevoegd is onverwijld naar die instantie door onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de indiener.
-4. Het bestuur zendt een klaagschrift dat niet voor hem bestemd is en dat ook niet wordt doorgezonden, zo spoedig mogelijk terug aan de indiener.
-5. Het bestuur kan besluiten het klaagschrift dat niet aan artikel 3 voldoet niet te behandelen, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het klaagschrift binnen een door het bestuur te stellen termijn aan te vullen.
-6. Het bestuur registreert en administreert het klaagschrift en zorgt voor een goede voortgang van de behandeling.

 

Art. 7. Geen verplichting tot klachtbehandeling
-1. Het bestuur is niet verplicht de klacht te behandelen indien zij betrekking heeft op een gedraging:
a. waarover reeds eerder een klacht is ingediend die met inachtneming van deze regeling is afgedaan;
b. die langer dan zes maanden vˇˇr indiening van de klacht heeft plaatsgevonden;
c. waartegen de klager bezwaar als bedoeld in artikel 1:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan of had kunnen maken;
d. waartegen de klager beroep als bedoeld in artikel 1:5, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan of had kunnen instellen;
e. die anderszins door het instellen van een procedure aan het oordeel van een rechterlijke instantie kan of had kunnen worden onderworpen; of
f. zolang ter zake daarvan een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is, dan wel indien de gedraging deel uitmaakt van de opsporing of vervolging van een strafbaar feit en ter zake van dat feit een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is.
-2. Het bestuur is niet verplicht de klacht te behandelen indien het belang van de klager dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is.
-3. Van het niet in behandeling nemen van de klacht stelt het bestuur de klager zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het klaagschrift schriftelijk in kennis.

 

Art. 8. Gelegenheid tot horen
-1. Het bestuur stelt de klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft in de gelegenheid te worden gehoord.
-2. Van het horen van klager kan worden afgezien indien de klacht kennelijk ongegrond is dan wel indien de klager heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.
-3. Van het horen wordt een verslag gemaakt.

 

Art. 9. Behandeling
-1. Het bestuur handelt de klacht af binnen zes weken of - indien aan het bepaalde in artikel 11, eerste lid, toepassing wordt gegeven - binnen tien weken na ontvangst van het klaagschrift.
-2. Het bestuur kan de afhandeling voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft.
-3. Wanneer de klacht een lid van de Raad betreft, nemen alleen de rechtsprekende leden van het bestuur aan de behandeling van de klacht deel.
-4. Wanneer de klacht een lid van het bestuur betreft, neemt dit lid niet aan de behandeling van de klacht deel.

 

Art. 10.
-1. Het bestuur stelt de klager schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
-2. Indien vervolgens nog een klacht kan worden ingediend bij een persoon of college aangewezen om klachten over gedragingen van de Raad te behandelen, wordt daarvan bij de kennisgeving melding gemaakt.

 

Art. 11. Klachtadviescommissie
-1. Het bestuur kan een klachtadviescommissie met de advisering over een klacht belasten. In dat geval zijn de artikelen 12 en 13 van toepassing.
-2. Het bestuur benoemt alsdan de voorzitter, de leden en de secretaris van de klachtadviescommissie, alsmede hun plaatsvervangers.
-3. Degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft, maakt geen deel uit van de klachtadviescommissie.
-4. Indien de klacht een lid van de Raad betreft, maken alleen met rechtspraak belaste personen deel uit van de klachtadviescommissie.
-5. Het bestuur kan de klachtadviescommissie alleen algemene aanwijzingen geven.

 

Art. 12.
-1. Indien en zodra het bestuur besloten heeft een klachtadviescommissie met de advisering over de klacht te belasten, stelt het de klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft hiervan in kennis.
-2. Het horen geschiedt door de klachtadviescommissie.
-3. De klachtadviescommissie kan het horen aan de voorzitter of een lid opdragen.
-4. De klachtadviescommissie beslist over de toepassing van artikel 8, tweede lid.
-5. De klachtadviescommissie zendt een rapport van bevindingen, vergezeld van het advies en eventuele aanbevelingen, aan het bestuur.
-6. Het rapport bevat het verslag van het horen.

 

Art. 13.
Indien de conclusies van het bestuur afwijken van het advies van de klachtadviescommissie, wordt in die conclusies de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies meegezonden met de kennisgeving, bedoeld in artikel 10, eerste lid.

 

Art. 14. Overgangsbepalingen
-1. Een klacht die na de datum van inwerkingtreding van deze regeling is ingediend, wordt, ook als de gedraging waarop zij betrekking heeft vˇˇr 1 januari 2002 heeft plaatsgevonden, met inachtneming van deze regeling behandeld.
-2. Een klacht die vˇˇr de datum van inwerkingtreding van deze regeling is ingediend en vˇˇr dat tijdstip nog niet is afgehandeld, wordt zoveel mogelijk afgehandeld op de wijze waarop dit vˇˇr 1 mei 2001 zou zijn geschied.

 

Art. 15. Citeertitel, bekendmaking en inwerkingtreding
-1. Deze regeling kan worden aangehaald als: Klachtenregeling Centrale Raad van Beroep 2002.
-2. De Klachtenregeling Centrale Raad van Beroep 2001 (Stcrt. 2001, 79) wordt ingetrokken.
-3. Deze regeling wordt in de Staatscourant bekendgemaakt, treedt in werking met ingang van de dag na plaatsing in de Staatscourant en werkt terug tot en met 1 januari 2002.

 

 

 

TOELICHTING
[? april 2002]

 

     Deze regeling is vastgesteld ter uitvoering van de per 1 januari 2002 in werking getreden artikelen 3 van de Beroepswet en 26 van de Wet op de rechterlijke organisatie. De inhoud is vrijwel gelijk aan de thans ingetrokken Klachtenregeling Centrale Raad van Beroep 2001. Het enige verschil is dat de terminologie is aangepast aan de per 1 januari 2002 gewijzigde Beroepswet en de Wet op de rechterlijke organisatie.
     De onderhavige regeling, die in belangrijke mate is ge´nspireerd door hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht, bepaalt wie, in welke gevallen en op welke wijze een klacht kan indienen indien hij meent van de zijde van de Centrale Raad van Beroep niet correct behandeld te zijn. Voorbeelden van een niet correcte, aan de Raad toe te rekenen, behandeling zouden in voorkomend geval kunnen zijn slechte telefonische bereikbaarheid van de griffie, te laat reageren op brieven, slechte toegankelijkheid van de zittingzaal, beledigende of onheuse behandeling ter zitting. Niet geklaagd kan worden over de inhoud, de motivering, het uitblijven van een rechterlijke beslissing, de wijze van totstandkomen van een rechterlijke beslissing of de in dat kader genomen beslissingen van procedurele aard (artikel 2, tweede lid). Voorts is het bestuur niet verplicht om de klacht te behandelen als er andere mogelijkheden bestaan of hebben bestaan om redres te vragen (zie meer gedetailleerd artikel 7, eerste lid) of als het belang van de klager of het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is (artikel 7, tweede lid). Het bestuur is voor de voortgang van de klachtafhandeling verantwoordelijk. Het zorgt ook voor de afdoening.
     De regeling beoogt een laagdrempelige, niet te zware procedure in het leven te roepen. Daarom wordt alleen een klachtadviescommissie ingeschakeld in gevallen waarin het bestuur van oordeel is dat dit gelet op de aard van de klacht wenselijk is (artikel 11 tot en met 13). Bovendien bepaalt artikel 4 dat het bestuur in iedere fase van de behandeling van de klacht kan onderzoeken of de klager door informele afhandeling tevreden gesteld kan worden en vervalt de verplichting tot het verder toepassen van deze regeling zodra het bestuur naar tevredenheid van de klager aan diens klacht is tegemoet gekomen.
     Nadat het onderzoek dat ter zake van de klacht is ingesteld, is afgerond, deelt het bestuur zijn bevindingen en de eventuele conclusies die het aan die bevindingen verbindt, schriftelijk en gemotiveerd aan de klager mee (artikel 10). Deze verplichting bestaat uiteraard niet als het gaat om een klacht die ingevolge de regeling niet behandeld behoeft te worden of als het bestuur naar tevredenheid van de klager aan diens klacht is tegemoet gekomen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Beroepswet | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x