Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Beroepswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

KLACHTENREGELING  CENTRALE  RAAD  VAN  BEROEP  2005
 
 

? december 2004, Stcrt. 2005, 3
Inwerkingtreding: 1 januari 2005
(T.a.v. art. 3 Bw jº 26
Wet RO)

 

 

 

 
     Het bestuur van de Centrale Raad van Beroep stelt, gelet op artikel 3 van de Beroepswet in verbinding met artikel 26 van de Wet op de rechterlijke organisatie, de volgende regeling vast.

 

 

Art. 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Raad: Centrale Raad van Beroep;
b. bestuur: bestuur van de Raad;
c. lid van de Raad: de president, de (coördinerend) vice-president, de raadsheer en de raadsheer-plaatsvervanger.

 

Art. 2. Klachtrecht
-1. Een ieder heeft het recht om over de wijze waarop de Raad zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem heeft gedragen bij het bestuur een schriftelijke klacht in te dienen.
-2. Niet geklaagd kan worden over de inhoud, de motivering, het uitblijven van een rechterlijke beslissing, de wijze van totstandkomen van een rechterlijke beslissing of de in dat kader genomen beslissingen van procedurele aard.
-3. Als gedraging van de Raad wordt mede aangemerkt een gedraging van een lid van de Raad of een gedraging van een persoon werkzaam bij de Raad, voor zover deze gedraging van het lid van de Raad of de bij de Raad werkzame persoon aan de Raad kan worden toegerekend.
-4. Onder een bij de Raad werkzame persoon wordt verstaan:
a. een bij de Raad werkzame gerechtsauditeur of rechterlijk ambtenaar in opleiding;
b. een bij de Raad werkzame niet-rechterlijk ambtenaar;
c. overige niet hierboven genoemde bij de Raad werkzame personen.
-5.
Een lid van de Raad of een persoon werkzaam bij de Raad kan alleen een klacht indienen voor zover hij partij of belanghebbende is in een bij de Raad aanhangig geding, een partij of belanghebbende in een dergelijk geding vertegenwoordigt of bijstaat dan wel daarin getuige of deskundige is.

 

Art. 3. Klaagschrift
-1. Het klaagschrift moet worden ondertekend en ten minste bevatten:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de gedraging waartegen de klacht is gericht, met inbegrip van het tijdstip van de gedraging.
-2. Indien het klaagschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van de klacht noodzakelijk is, dient de indiener zorg te dragen voor een vertaling.
-3. Indien de klager minderjarig is of onder curatele gesteld, moet het klaagschrift worden ondertekend door de met het gezag beklede ouder of voogd onderscheidenlijk de curator.

 

Art. 4. Afdoening in der minne
-1. In iedere fase van de behandeling van de klacht kan

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Beroepswet | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x