Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Beroepswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2005

 

PROCESREGELING  CENTRALE  RAAD  VAN  BEROEP

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2006
(aanhef Pbc06)

 
 

22 oktober 2001, Stcrt. 2001, 243
Inwerkingtreding: 1 januari 2002
(T.a.v. titel II Bw)

 

 

 

 
Regeling van de Centrale Raad van Beroep van 22 oktober 2001, houdende richtlijnen voor de behandeling van beroepszaken in eerste aanleg en in hoger beroep door enkelvoudige en meervoudige kamers als bedoeld in artikel 17 en volgende van de Beroepswet (Procesregeling Centrale Raad van Beroep). Het wettelijk kader voor de behandeling van (hoger)beroepszaken bij de Raad is in hoofdzaak vervat in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en deels in de Beroepswet (Bw).

 

 

INDEX

 

I. Voorfase

Artikel 1. Ontvangstbevestiging beroepschrift, kennisgeving beroep aan bestuursorgaan (eerste aanleg)
Artikel 2. Ontvangstbevestiging beroepschrift, kennisgeving hoger beroep aan andere partij en aan rechtbank (hoger beroep)
Artikel 3. Uitnodiging griffierecht (eerste aanleg)
Artikel 4. Uitnodiging griffierecht (hoger beroep)
Artikel 5. Herstel vormverzuim (eerste aanleg en hoger beroep)
Artikel 6. Overleggen machtiging (eerste aanleg en hoger beroep)


II. Toezending van stukken

Artikel 7. Toezending van stukken (eerste aanleg)
Artikel 8. Toezending van stukken (hoger beroep)
Artikel 9. Later inzenden van stukken (eerste aanleg en hoger beroep)


III. Versnelde behandeling

Artikel 10. Versnelde behandeling (eerste aanleg en hoger beroep)


IV. Voortgang van de procedure

Artikel 11. Bericht van behandeling (eerste aanleg en hoger beroep)


V. Vooronderzoek

Artikel 12. Repliek en dupliek (eerste aanleg en hoger beroep)
Artikel 13. Comparitie van partijen (eerste aanleg en hoger beroep)
Artikel 14. Schriftelijke inlichtingen (eerste aanleg en hoger beroep)
Artikel 15. Oproepen van getuigen (eerste aanleg en hoger beroep)
Artikel 16. Ambtshalve deskundigenonderzoek (eerste aanleg en hoger beroep)
Artikel 17. Deskundigenonderzoek op verzoek van partijen (eerste aanleg en hoger beroep)
Artikel 18. Onderzoek ter plaatse (eerste aanleg en hoger beroep)


VI. Zitting en uitspraak

Artikel 19. Verzet na vereenvoudigde afdoening (eerste aanleg en hoger beroep)
Artikel 20. Onderzoek ter zitting (eerste aanleg en hoger beroep)
Artikel 21. Uitspraken en heropening onderzoek (eerste aanleg en hoger beroep)


VII. Algemene bepalingen en slotbepalingen

Artikel 22. Uitstelbeleid (eerste aanleg en hoger beroep)
Artikel 23. Afwijkingsbevoegdheid (eerste aanleg en hoger beroep)
Artikel 24. Overgangs- en slotbepalingen (eerste aanleg en hoger beroep)

 

 

PROCESREGELING


I.  Voorfase

 

Art. 1. Ontvangstbevestiging/kennisgeving (eerste aanleg)
-1. Binnen twee weken nadat het beroepschrift bij de Raad is ingekomen, wordt een ontvangstbevestiging gezonden aan de indiener van het beroepschrift.
-2. Binnen twee weken nadat het beroepschrift bij de Raad is ingekomen, wordt een kennisgeving daarvan gezonden aan het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen.

 

Art. 2. Ontvangstbevestiging/kennisgeving (hoger beroep)
-1. Binnen twee weken nadat het beroepschrift bij de Raad is ingekomen, wordt een ontvangstbevestiging gezonden aan de indiener van het beroepschrift.
-2. Binnen twee weken nadat het beroepschrift bij de Raad is ingekomen, wordt een kennisgeving daarvan gezonden aan de andere partij(en) bij die uitspraak.
-3. Binnen twee weken nadat het beroepschrift bij de Raad is ingekomen, wordt een mededeling daarvan gezonden aan de griffier van de rechtbank die de aangevallen uitspraak heeft gedaan.

 

Art. 3. Uitnodiging griffierecht (eerste aanleg)
-1. Binnen twee weken na de ontvangst van het beroepschrift wordt de indiener door middel van toezending per gewone post van een acceptgirokaart uitgenodigd het verschuldigde griffierecht per omgaande te doen bijschrijven op de rekening van de Raad.
-2. Indien het verschuldigde griffierecht niet binnen twee weken na de datum van verzending van de uitnodiging is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is betaald, wordt de indiener van het beroepschrift bij aangetekende brief uitgenodigd het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na verzending te voldoen.
In die uitnodiging wordt vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verschuldigde griffierecht niet binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is betaald.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van een beroepschrift dat is ingediend door een gemachtigde die bij de Centrale Raad van Beroep een rekening-courant aanhoudt ten laste waarvan het verschuldigde griffierecht kan worden gebracht.
-4. In afwijking van het tweede lid wordt de in het buitenland woonachtige belanghebbende van wie het verschuldigde griffierecht niet binnen een termijn van vier weken na de datum van verzending van de uitnodiging is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is betaald, bij aangetekende brief uitgenodigd het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na verzending te voldoen. In die uitnodiging wordt vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het griffierecht niet binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is betaald.

 

Art. 4. Uitnodiging griffierecht (hoger beroep)
-1. Binnen twee weken na de ontvangst van het beroepschrift wordt de indiener, niet zijnde een bestuursorgaan, door middel van toezending per gewone post van een acceptgirokaart uitgenodigd het verschuldigde griffierecht per omgaande te doen bijschrijven op de rekening van de Raad.
-2. Indien het verschuldigde griffierecht niet binnen twee weken na de datum van verzending van de uitnodiging is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is betaald, wordt de indiener van het beroepschrift bij aangetekende brief uitgenodigd het verschuldigde griffierecht alsnog binnen een termijn van vier weken na verzending te voldoen. In die uitnodiging wordt vermeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verschuldigde griffierecht niet binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is betaald.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van een beroepschrift dat is ingediend door een gemachtigde die bij de Centrale Raad van Beroep een rekening-courant aanhoudt ten laste waarvan het verschuldigde griffierecht kan worden gebracht.
-4. In afwijking van het tweede lid wordt de in het buitenland woonachtige belanghebbende van wie het verschuldigde griffierecht niet binnen een termijn van vier weken na de datum van verzending van de uitnodiging is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is betaald, uitgenodigd het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na verzending te voldoen. In die uitnodiging wordt vermeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het griffierecht niet binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is betaald.
-5. Indien het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen, hoger beroep heeft ingesteld en de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, wordt de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort binnen twee weken na de datum van verzending van de uitspraak van de Raad uitgenodigd het verschuldigde griffierecht binnen een termijn van vier weken na de datum van verzending van de uitnodiging te voldoen.

 

Art. 5. Herstel vormverzuim (eerste aanleg en hoger beroep)
-1. Indien het beroepschrift niet voldoet aan de vereisten als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, onderdeel a, c en d, van de Awb, wordt de indiener van het beroepschrift binnen twee weken na de ontvangst van het beroepschrift per gewone post uitgenodigd het geconstateerde vormverzuim te herstellen binnen vier weken na de dag van verzending van die uitnodiging.
-2. Indien de indiener van het beroepschrift niet binnen de gestelde termijn van vier weken het geconstateerde verzuim heeft hersteld, wordt de indiener alsnog bij aangetekende brief een termijn van twee weken na verzending gegeven om dit vormverzuim te herstellen. In deze uitnodiging wordt vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het geconstateerde verzuim niet binnen de gestelde termijn is hersteld.
-3. In afwijking van het tweede lid wordt aan de in het buitenland woonachtige belanghebbenden alsnog per aangetekende brief een termijn van vier weken na verzending gegeven om dit verzuim te herstellen.

 

Art. 6. Overleggen machtiging (eerste aanleg en hoger beroep)
-1. Indien een machtiging wordt verlangd als bedoeld in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb, wordt de indiener van het beroepschrift binnen twee weken na de ontvangst van het beroepschrift per gewone post uitgenodigd de verlangde machtiging binnen vier weken na de dag van verzending van die uitnodiging in te zenden.
-2. Indien de indiener van het beroepschrift niet binnen de gestelde termijn van vier weken de verlangde machtiging als bedoeld in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb heeft ingezonden, wordt hij bij aangetekende brief uitgenodigd dit vormverzuim binnen twee weken na verzending te herstellen. In deze brief wordt een waarschuwing gegeven dat niet of niet-tijdige inzending van de verlangde machtiging ertoe kan leiden dat het beroep op naam van de beweerdelijk gemachtigde wordt gesteld en dat het (hoger) beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
-3. In afwijking van het tweede lid wordt aan de in het buitenland woonachtige indiener van het beroepschrift alsnog per aangetekende brief een termijn van vier weken na verzending gegeven om dit verzuim te herstellen.
-4. De vorenstaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op het aantonen van de bevoegdheid van degene die als bestuurder, dan wel in een daarmee vergelijkbare statutaire of institutionele hoedanigheid, (hoger) beroep heeft ingesteld namens een rechtspersoon of andere entiteit.

1. Volgens de redactie dient "niet of niet-tijdige inzending" te worden vervangen door: het niet of niet tijdig inzenden.

 

 

II.  Toezending van stukken

 

Art. 7. Toezending van stukken (eerste aanleg)
-1. Binnen twee weken nadat voorlopig is geconstateerd dat het beroepschrift voldoet aan de in de wet gestelde vereisten, wordt een afschrift van het beroepschrift aan het bestuursorgaan toegezonden met het verzoek binnen vier weken de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden alsmede binnen diezelfde termijn een verweerschrift in te dienen.
-2. Indien het bestuursorgaan de in het eerste lid neergelegde verplichtingen niet nakomt, wordt aan het bestuursorgaan een laatste termijn van twee weken gegeven om alsnog zijn verplichtingen na te komen.
-3. Komt het bestuursorgaan de verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden niet na, dan kan de Raad het bestuursorgaan oproepen om in persoon of bij gemachtigde te verschijnen om te worden gehoord. Indien de oproeping van het bestuursorgaan niet leidt tot het indienen van de op de zaak betrekking hebbende stukken, kan de Raad toepassing geven aan artikel 8:31 van de Awb.
-4. Een belanghebbende als bedoeld in artikel 8:26 van de Awb die als partij deelneemt aan de procedure, wordt op grond van artikel 8:43, tweede lid, van de Awb in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na de uitnodiging daartoe een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven.
-5. Van de op de zaak betrekking hebbende stukken en/of het verweerschrift wordt binnen twee weken na ontvangst daarvan een afschrift aan de andere partij(en) gezonden.

 

Art. 8. Toezenden van stukken (hoger beroep)
-1. Binnen twee weken nadat voorlopig is geconstateerd dat het beroepschrift voldoet aan de in de wet gestelde vereisten, wordt een afschrift van het beroepschrift aan gedaagde toegezonden met het verzoek binnen vier weken een verweerschrift in te dienen.
-2. Indien het bestuursorgaan niet de verplichting nakomt om een verweerschrift in te dienen, wordt aan het bestuursorgaan een laatste termijn van twee weken gegeven om alsnog zijn verplichting na te komen.
-3. Een belanghebbende als bedoeld in artikel 8:26 van de Awb die als partij deelneemt aan de procedure, wordt op grond van artikel 8:43, tweede lid, van de Awb in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na de uitnodiging daartoe een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven.
-4. Binnen twee weken nadat voorlopig is geconstateerd dat het beroepschrift voldoet aan de in de wet gestelde vereisten, wordt de griffier van de rechtbank verzocht de op de zaak betrekking hebbende stukken binnen n week na ontvangst van de mededeling aan de Raad te zenden.
-5. Van het verweerschrift (en eventueel van de schriftelijke uiteenzetting) wordt binnen twee weken na ontvangst een afschrift daarvan aan de andere partij(en) gezonden. Na ontvangst van de in het vierde lid bedoelde stukken wordt binnen twee weken een afschrift van het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank gezonden aan partijen.

 

Art. 9. Later inzenden van stukken (eerste aanleg en hoger beroep)
-1. Van de door een partij in de loop van de procedure ingezonden stukken wordt binnen twee weken na ontvangst aan de andere partij(en) een afschrift gezonden.
-2. Stukken die niet binnen de in artikel 8:58 van de Awb voorgeschreven termijn van tien dagen vr de zitting bij de Raad zijn ingekomen, worden buiten beschouwing gelaten indien de toelating van deze stukken in strijd is met de goede procesorde.
-3. Stukken die worden ingediend na de zitting, worden geweigerd en geretourneerd.

 

 

III.  Versnelde behandeling

 

Art. 10. Versnelde behandeling (eerste aanleg en hoger beroep)
-1. Op een verzoek om versnelde behandeling wordt door de Raad binnen twee weken na ontvangst beslist.
-2. Van de beslissing van de Raad op een verzoek om versnelde behandeling wordt vervolgens binnen twee weken aan partijen mededeling gedaan. Bij de toewijzing van het verzoek wordt aan partijen tevens bericht op welke wijze het beroep verder wordt behandeld.

 

 

IV.  Voortgang van de procedure

 

Art. 11. Bericht van behandeling (eerste aanleg en hoger beroep)
Na doorzending van het verweerschrift, dan wel indien de gedingstukken later zijn binnengekomen nadien, neemt de Raad binnen acht weken een beslissing over de wijze waarop het (hoger) beroep verder zal worden behandeld. Van deze beslissing wordt binnen twee weken aan partijen mededeling gedaan.

 

 

V.  Vooronderzoek

 

Art. 12. Repliek en dupliek (eerste aanleg en hoger beroep)
Indien de Raad het wenselijk acht dat de indiener van het beroepschrift een reactie op het verweerschrift geeft, wordt de indiener in de gelegenheid gesteld binnen een termijn van vier weken na de uitnodiging daartoe van repliek te dienen. De andere partij(en) wordt daarna in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na de uitnodiging daartoe van dupliek te dienen.

 

Art. 13. Comparitie van partijen (eerste aanleg en hoger beroep)
De oproeping om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde te verschijnen om te worden gehoord, wordt ten minste vier weken tevoren aan de opgeroepen partij verzonden. Aan de andere partij(en) wordt terzelfder tijd een afschrift van deze oproeping gezonden met de mededeling dat het horen kan worden bijgewoond en een uiteenzetting over de zaak kan worden gegeven.

 

Art. 14. Schriftelijke inlichtingen (eerste aanleg en hoger beroep)
Indien de Raad het noodzakelijk acht schriftelijke inlichtingen in te winnen en/of stukken op te vragen bij partijen en anderen, wordt een termijn van vier weken gesteld om aan het verzoek te voldoen.

 

Art. 15. Horen van getuigen (eerste aanleg en hoger beroep)
-1. Indien de Raad getuigen oproept, deelt hij de namen en woonplaatsen van deze getuigen, de plaats, de dag en het tijdstip waarop zij worden gehoord en de feiten waarop het horen betrekking heeft ten minste vier weken tevoren aan partijen mee.
-2. De getuigen worden ten minste vier weken vr de dag waarop de Raad hen wenst te horen, opgeroepen.
-3. Het getuigenverhoor vindt plaats in het openbaar, tenzij de Raad beslist dat dit met gesloten deuren geschiedt.

 

Art. 16. Deskundigenonderzoek (ambtshalve) (eerste aanleg en hoger beroep)
-1. Indien de Raad het voornemen heeft gebruik te maken van de bevoegdheid ingevolge artikel 8:47 van de Awb om een deskundige te benoemen, deelt hij dat aan partijen mee onder toezending van de vraagstelling. De Raad kan partijen voorafgaande aan de benoeming van een deskundige de mogelijkheid bieden binnen een termijn van twee weken te reageren op de vraagstelling.
-2. Van de benoeming van een deskundige door de Raad krijgen partijen binnen twee weken bericht.
-3. De Raad stelt de deskundige een termijn van maximaal drie maanden binnen welke deze een verslag van het onderzoek dient uit te brengen. Indien de deskundige niet binnen deze termijn een verslag van het onderzoek uitbrengt, zal de Raad al dan niet op verzoek een nadere termijn stellen van vier weken.
In zeer uitzonderlijke omstandigheden kan nog een nadere termijn van vier weken worden gegeven.
-4. De Raad verzendt binnen twee weken na ontvangst van het verslag van de deskundige een afschrift daarvan aan partijen, behoudens toepassing van de bepalingen inzake geheimhouding en beperkte kennisneming.
-5. Partijen kunnen hun zienswijze met betrekking tot dit verslag binnen vier weken aan de Raad kenbaar maken. De Raad kan deze termijn naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek van n der partijen eenmaal met twee weken verlengen. De Raad kan de ingekomen reacties binnen twee weken na ontvangst van die reacties voor commentaar voorleggen aan de deskundige. De deskundige wordt daarbij een termijn van vier weken gegeven om zijn commentaar in te dienen.
-6. Partijen ontvangen binnen vier weken nadat het onderzoek in overeenstemming met het eerste tot en met vierde lid van dit artikel is afgerond, nader bericht over de verdere behandeling van het (hoger) beroep.

 

Art. 17. Deskundigenonderzoek (op verzoek van partijen) (eerste aanleg en hoger beroep)
-1. Partijen kunnen schriftelijk aan de Raad verzoeken om een deskundige te benoemen. Op dit verzoek wordt binnen twee weken na ontvangst een beslissing genomen. Deze beslissing wordt vervolgens binnen twee weken aan partijen medegedeeld.
-2. Indien de Raad geen aanleiding ziet op verzoek van partij(en) een deskundige te benoemen, krijgen partijen bij de mededeling daarvan de gelegenheid binnen twee weken aan de Raad te berichten dat zij zelf een deskundige inschakelen.
-3. Indien partijen binnen twee weken aan de Raad berichten dat zij zelf een deskundige inschakelen, wordt aan hen een termijn van maximaal drie maanden gegeven om het rapport aan de Raad toe te zenden.

 

Art. 18. Onderzoek ter plaatse (eerste aanleg en hoger beroep)
Indien de Raad een onderzoek ter plaatse nodig acht, wordt van plaats en tijdstip van het onderzoek ten minste twee weken van tevoren aan partijen mededeling gedaan. Partijen worden daarbij in de gelegenheid gesteld bij dat onderzoek aanwezig te zijn.

 

 

VI.  Zitting en uitspraak

 

Art. 19. Verzet na vereenvoudigde afdoening (eerste aanleg en hoger beroep)
-1. Het verzet wordt behandeld ter zitting. De uitnodiging voor de behandeling van het verzet ter zitting wordt in beginsel zes weken vr de datum van de zitting aan partijen verzonden. De behandeling van het verzet ter zitting vindt plaats binnen drie maanden nadat het verzet is ingesteld, tenzij partijen wordt bericht dat nader onderzoek vereist is.
-2. Op het verzetschrift zijn de voorgaande bepalingen omtrent het beroepschrift voor zover nodig van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 20. Onderzoek ter zitting (eerste aanleg en hoger beroep)
-1. In beginsel zes weken vr de datum van de zitting wordt de uitnodiging als bedoeld in artikel 8:56 van de Awb of de oproeping als bedoeld in artikel 8:59 van de Awb per aangetekende brief verzonden. In de uitnodiging is de naam respectievelijk zijn de namen van de (behandelend) rechter(s) vermeld.
-2. Een verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting dient zo spoedig mogelijk na ontvangst van de uitnodiging te worden ingediend. Dit verzoek moet schriftelijk worden ingediend en voorzien zijn van een motivering. Een verzoek om uitstel dat binnen een termijn van drie weken vr de zitting is ontvangen, wordt afgewezen, tenzij sprake is van een overmachtsituatie.
-3. De Raad deelt zijn beslissing op het verzoek om uitstel aan partijen mee binnen n week na ontvangst van dit verzoek.
-4. Indien de Raad getuigen oproept, deelt hij de namen en woonplaatsen van deze getuigen, de plaats, de dag en het tijdstip waarop zij worden gehoord en de feiten waarop het horen betrekking heeft, zoveel mogelijk bij de uitnodiging of oproeping van partijen mee.

 

Art. 21. Uitspraken en heropening onderzoek (eerste aanleg en hoger beroep)
-1. Indien de noodzaak bestaat de termijn waarbinnen uitspraak wordt gedaan te verlengen, wordt daarover binnen de termijn van zes weken na de zitting beslist en wordt daarvan binnen twee weken na die beslissing mededeling gedaan aan partijen.
-2. Indien de Raad besluit tot heropening van het onderzoek, wordt door de griffier uiterlijk binnen twee weken na het verstrijken van de termijn als bedoeld in het eerste lid hiervan mededeling gedaan aan partijen.
-3. Binnen twee weken na de datum waarop de Raad uitspraak heeft gedaan, wordt door de griffier een afschrift van die uitspraak aan partijen toegezonden.

 

 

VII.  Algemene bepalingen en slotbepalingen

 

Art. 22. Uitstelbeleid (eerste aanleg en hoger beroep)
-1. Een verzoek om verlenging van een door of vanwege de Raad gestelde termijn moet schriftelijk worden ingediend en van een motivering worden voorzien.
-2. Afgewezen worden in ieder geval niet-gemotiveerde verzoeken en verzoeken die na het verstrijken van de oorspronkelijke termijn zijn ingekomen.
-3. Een tweede verzoek om uitstel ten aanzien van dezelfde aangelegenheid wordt in beginsel niet gehonoreerd.
-4. Op het verzoek om uitstel wordt binnen twee weken na ontvangst daarvan beslist. De beslissing wordt binnen twee weken aan de verzoeker en de andere partijen meegedeeld.
-5. Bij de mededeling, bedoeld in het vierde lid, kan aan de verzoeker een laatste termijn van twee weken worden gegeven om alsnog aan het gevraagde te voldoen. Geen laatste termijn wordt gegeven, indien:
a. de afwijzing berust op een grond als bedoeld in het tweede lid;
b. de wet of deze regeling de verzochte verlenging niet toestaat; of
c. bij het stellen van de oorspronkelijke termijn reeds is medegedeeld dat verlenging niet zal worden toegestaan.

 

Art. 23. Afwijkingsbevoegdheid (eerste aanleg en hoger beroep)
Van de artikelen van deze procesregeling kan de Raad in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden afwijken.

 

Art. 24. Overgangs- en slotbepalingen (eerste aanleg en hoger beroep)
-1. Op de termijnen, genoemd in deze procesregeling, is de Algemene termijnenwet van toepassing.
-2. De tekst van deze procesregeling wordt in de Staatscourant gepubliceerd en op internet onder www.rechtspraak.nl geplaatst. Op aanvraag van partijen en anderen dan partijen kan de Raad een afschrift van deze procesregeling verstrekken.
-3. Deze procesregeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2002. De procesregeling is niet van toepassing op vr haar inwerkingtreding bij de Raad aanhangig gemaakte zaken.
-4. Deze regeling kan worden aangehaald als: Procesregeling Centrale Raad van Beroep.

 

 

     Deze procesregeling is vastgesteld in de Algemene Vergadering van de Centrale Raad van Beroep van 22 oktober 2001.

 

 

 

TOELICHTING
[22 oktober 2001]

 

Algemeen

 

     1. De Commissie Evaluatie Awb heeft de aanbeveling gedaan om te komen tot een rolreglement. Deze aanbeveling aan de rechterlijke macht is door het kabinet onderschreven in het kabinetsstandpunt "Evaluatie Algemene wet bestuursrecht". Met een brief d.d. 11 oktober 2000 van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is een notitie inzake termijnen voor bestuur en rechter toegezonden (Kamerstukken II 2000, 27 461). In het kader van het project Versterking rechterlijke organisatie (pVRO) is een project Bestuursrechtelijke procedure in het leven geroepen. Met dit project wordt beoogd te streven naar kortere procedures en naar uniformering van uitoefening van rechterlijke bevoegdheden die de Algemene wet bestuursrecht aan de rechterlijke colleges toekent.
     Met deze procesregeling beoogt de Raad aan deze aanbevelingen gehoor te geven. Bij het opstellen van de Procesregeling Centrale Raad van Beroep is getracht zoveel mogelijk aan te sluiten bij de Procesregeling bestuursrecht zoals die door de rechtbanken per 1 oktober 1999 is ingevoerd (Stcrt. 1999, 172) en nadien met ingang van 1 oktober 2001 is gewijzigd. Een aan die procesregeling identieke procesregeling voor de Centrale Raad van Beroep is echter niet mogelijk vanwege het bij de Raad voorkomende onderscheid tussen eerste aanleg en hoger beroep, de rechtsvormende taak van de Raad, de rolwisseling die tussen partijen in hoger beroep kan optreden omdat het bestuursorgaan in hoger beroep kan gaan en het ten opzichte van de Algemene wet bestuursrecht soms afwijkende procesrecht neergelegd in de Beroepswet.
     Bij de totstandkoming van deze procesregeling is voorts overleg gepleegd met de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het College van Beroep voor het bedrijfsleven, welke colleges eveneens per 1 januari 2002 een procesregeling invoeren.

     2. De in de Procesregeling Centrale Raad van Beroep neergelegde bepalingen moeten worden beschouwd als richtlijnen voor de wijze waarop de Centrale Raad van Beroep gebruik maakt van de in het procesrecht neergelegde bevoegdheden. Voor zover daarbij invulling wordt gegeven aan termijnen waarvan de Algemene wet bestuursrecht en de Beroepswet de invulling aan de Raad overlaten, moeten deze richtlijnen in beginsel als bindend worden beschouwd. De status van richtlijn brengt echter met zich dat daar in bijzondere gevallen door de Raad ook uitzonderingen op kunnen worden gemaakt.

     3. Deze procesregeling beschrijft de "gewone" procedures ter behandeling van de hoofdzaak. Er zijn geen richtlijnen opgesteld met betrekking tot de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening. Aangezien deze procedure naar haar aard al gekenmerkt wordt door een snelle behandeling, worden ter zake vooralsnog geen richtlijnen opgesteld. In procedures bij de Centrale Raad van Beroep is veelal slechts sprake van twee partijen, te weten het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen en degene die tegen dat besluit is opgekomen.

     4. De Procesregeling Centrale Raad van Beroep en de daarin gehanteerde termijnen zijn uitsluitend van toepassing op zaken waarin na 31 december 2001 beroep of hoger beroep is ingesteld. Hoewel de Raad ernaar streeft overeenkomstig de doelstelling van de Procesregeling Centrale Raad van Beroep de behandelingsduur van de beroepszaken terug te brengen naar n jaar, zal zulks vooralsnog voor het merendeel van de zaken niet mogelijk zijn. De in het verleden ontstane werkvoorraden beletten dat op het moment van inwerkingtreding van de Procesregeling Centrale Raad van Beroep reeds de gewenste maximale behandelingsduur wordt bereikt. In een bericht van behandeling zullen partijen worden genformeerd over het moment van afdoening in de behandeling van de beroepszaak.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Beroepswet | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x