Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Coördinatiewet Sociale Verzekering
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2005

 

NADERE  REGELS  MAXIMUMDAGLOON  EN  FRANCHISES  WW

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2006
(art. 48:3 IWfsv)

 
 

24 december 1997, Stcrt. 1997, 249
Inwerkingtreding: 1 januari 1998
(T.a.v. art. 9:10 CSV)

 

 

 

 
24 december 1997/nr. SV/AVF/97/5395
Directie Sociale Verzekeringen

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 9, tiende lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet: Coördinatiewet Sociale Verzekering;
b. WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. WW: Werkloosheidswet;
d. franchisebedrag: het bedrag dat op grond van artikel 9, derde lid, van de wet door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt vastgesteld, alsmede het bedrag dat op grond van artikel 9, vierde lid, van de wet door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt vastgesteld;
e. overheidswerknemer: overheidswerknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen;
f. overheidswerkgever: overheidswerkgever als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.

 

Art. 2.
-1. Bij de berekening van het loon waarnaar de premies als bedoeld in artikel 9, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van de wet worden geheven, blijft ten aanzien van de werknemer die in een aaneengesloten periode van vier werkweken van het premiebetalingstijdvak meer dan twintig dagen loon heeft genoten, dat meerdere aantal dagen buiten beschouwing. Voor de vaststelling van de in de vorige zin bedoelde aaneengesloten periode van vier werkweken is de eerste dag van deze periode de dag dat de dienstbetrekking een aanvang neemt en is de laatste dag van deze periode de dag dat vier weken met inbegrip van de eerste dag zijn verstreken. Een periode van vier werkweken wordt als aaneengesloten beschouwd indien een werknemer in de periode van vier werkweken na aanvang van de dienstbetrekking een nieuwe dienstbetrekking met dezelfde werkgever aangaat.
-2. Indien de premie dient te worden berekend over een periode van minder dan vier werkweken, wordt het in het eerste lid genoemde aantal van twintig naar evenredigheid verminderd.
-3. Indien een werknemer, uitsluitend als gevolg van een in de bedrijfstak of de onderneming waarin hij werkt geldende regeling tot arbeidstijdverkorting, gedurende bepaalde tijdvakken niet op ten minste vijf dagen per week arbeid heeft verricht, terwijl de dienstbetrekking tot zijn werkgever voortduurde en hij gedurende die tijdvakken over iedere week het loon over een volle werkweek heeft genoten, wordt hij geacht in die tijdvakken over vijf dagen per week loon te hebben genoten.

 

Art. 3.
Ten aanzien van de werknemer aan wie bij betaling van loon regelmatig vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken worden verstrekt en die tijdens vakantie geen aanspraak heeft op doorbetaling van loon, blijven in afwijking van artikel 9, derde en vierde lid, van de wet voor de berekening van het loon waarnaar de premie op grond van de WW die ten gunste komt van het wachtgeldfonds en het door de werkgever en het door de werknemer verschuldigde deel van de premie op grond van de WW die ten gunste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds worden geheven, in plaats van het franchisebedrag buiten aanmerking de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, afhankelijk van het aantal voor de werkgever geldende vakantiedagen, vastgestelde bedragen. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bepaalt wat voor de toepassing van de eerste zin onder vakantiedagen wordt verstaan. [BvafpAv]

 

Art. 4.
Voor zover nodig in afwijking van artikel 9, eerste lid, tweede volzin, van de wet worden, indien een werknemer gelijktijdig aanspraak heeft op:
a. meer dan één uitkering op grond van de Ziektewet;
b. meer dan één uitkering op grond van de WW;
c. meer dan één uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg;
de daglonen die aan die uitkeringen ten grondslag liggen, zo het gezamenlijk bedrag van die daglonen het maximumdagloon als bedoeld in het eerste lid van artikel 9 van de wet overschrijdt, evenredig verminderd tot het gezamenlijk bedrag van die daglonen bedoeld maximumdagloon niet meer overschrijdt.

 

Art. 5.
-1. Voor zover nodig in afwijking van artikel 9, eerste lid, tweede zin, van de wet worden, indien een werknemer gelijktijdig aanspraak heeft op één of meer uitkeringen op grond van de WW en een uitkering op grond van de WAO, de daglonen die aan die uitkeringen ten grondslag liggen, zo het gezamenlijk bedrag van die daglonen het maximumdagloon als bedoeld in het eerste lid van artikel 9 van de wet overschrijdt, zodanig evenredig verminderd dat het gezamenlijk bedrag van die uitkeringen 70% van 100/108 van het maximumdagloon niet meer overschrijdt.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder uitkering op grond van de WW verstaan de uitkeringen, bedoeld in de artikelen 47, 51 en 52i van de WW, zo nodig verminderd met de in artikel 33, derde lid, van de WW bedoelde vakantiebijslag.
-3. Voor het vaststellen van het gezamenlijk bedrag van de daglonen, bedoeld in het eerste lid, wordt als dagloon dat aan de uitkering op grond van de WAO ten grondslag ligt, aangemerkt 108/70-maal de uitkering op grond van de WAO.
-4. Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, wordt de noemer van de in het eerste lid en de teller van de in het derde lid vermelde breuk dienovereenkomstig gewijzigd.

 

Art. 6.
-1. Voor zover nodig in afwijking van artikel 9, eerste lid, eerste zin, en derde, vierde, vijfde en zevende lid, van de wet is het loon waarnaar de premies als bedoeld in artikel 9, eerste lid, eerste zin, van de wet worden geheven ten aanzien van een overheidswerknemer het loon dat die werknemer in een uitbetalingstermijn van dezelfde overheidswerkgever heeft genoten, met dien verstande dat dit loon, herleid naar een jaarbedrag, niet meer kan bedragen dan het bedrag dat wordt verkregen door het bedrag, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet, te vermenigvuldigen met 261.
-2. Voor de vaststelling van de inhouding op grond van artikel 97d, eerste lid, van de WW wordt het loon, bedoeld in het eerste lid en herleid naar een jaarbedrag, voor zoveel mogelijk verminderd met het bedrag dat wordt verkregen door het bedrag, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de wet, te vermenigvuldigen met 261.
-3. In afwijking van het eerste en tweede lid is het loon uit een deeltijdbetrekking, voor de vaststelling van in het eerste lid bedoelde premies en in het tweede lid bedoelde inhouding, het krachtens die leden vastgestelde loon vermenigvuldigd met de deeltijdfactor, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.
-4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan het eerste tot en met derde lid overeenkomstig toepassen bij de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde premies over een uitkering op grond van de WAO, WW, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg of Ziektewet van een overheidswerknemer of een gewezen overheidswerknemer. De eerste zin is niet van toepassing indien de uitkering mede wordt ontleend aan een dienstbetrekking anders dan als overheidswerknemer.
-5. Voor de toepassing van artikel 9, zevende lid, van de wet wordt onder dienstbetrekking niet verstaan een dienstbetrekking als overheidswerknemer of een dienstbetrekking die, op grond van artikel 3a, tweede of derde lid, van de wet, geacht wordt te bestaan als gevolg van een uitkering op grond van de WAO, WW, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg of Ziektewet ontleend aan een dienstbetrekking als overheidswerknemer.
-6. Onder uitkering op grond van de WW, uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg respectievelijk uitkering op grond van de Ziektewet, bedoeld in het vierde lid, wordt mede verstaan wachtgeld, uitkering wegens zwangerschap, bevalling, adoptie of pleegzorg respectievelijk uitkering wegens ziekte, ongeacht door wie de werkzaamheden met betrekking tot dat wachtgeld of die uitkeringen worden verricht.
-7. Onder wachtgeld wordt verstaan: wachtgeld op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 of een soortgelijke uitkering van een overheidswerknemer op grond van ontslag of werkloosheid alsmede een wachtgeld of daarmee gelijkgestelde uitkering op grond van de Algemene militaire pensioenwet, met uitzondering van een uitkering in verband met functioneel leeftijdsontslag of vrijwillig vervroegd uittreden.
-8. Onder uitkering wegens ziekte wordt verstaan: bezoldiging of uitkering wegens ziekte na beëindiging van het dienstverband als bedoeld in artikel 42 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, zoals dat luidde op 31 december 1997, of een overeenkomstige bepaling van een soortgelijke regeling.
-9. Het zesde tot en met negende lid vervallen op het tijdstip van aanvang van fase 3 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 54 van die wet.

 

Art. 7.
De regeling Nadere regelen maximumdagloon en franchise WAO wordt ingetrokken.

 

Art. 8.
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 1998.

 

Art. 9.
Deze regeling kan worden aangehaald onder de titel: Nadere regels maximumdagloon en franchises WW.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

’s-Gravenhage, 24 december 1997.
De Staatssecretaris voornoemd,
F.H.G. de Grave.

 

 

 

TOELICHTING
[24 december 1997]

 

     De ministeriële regeling Nadere regels maximumdagloon en franchises WW vervangt de regeling Nadere regelen maximumdagloon en franchise WAO (d.d. 24 december 1985, nr. 85/4427, Stcrt. 1985, 252). Hiertoe is besloten omdat de Nadere regelen maximumdagloon en franchise WAO ingrijpend gewijzigd moest worden in verband met de inwerkingtreding van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en met onder de toepassing van de WAO brengen van de overheidswerknemers. De nieuwe regeling treedt op 1 januari 1998 in werking.

 

Vaststelling aantal loondagen


     In de regeling Nadere regels maximumdagloon en franchise WW is tevens een gewijzigde systematiek voor de vaststelling van het aantal loondagen opgenomen (artikel 2, eerste lid). Deze wijziging strekt ertoe het verschil in premiedruk door de systematiek van vaststellen van het aantal loondagen van werknemers met wisselende arbeidspatronen (waaronder uitzendkrachten) ten opzichte van fulltimewerknemers zoveel mogelijk te beperken.
     Voor de premieberekening in het kader van de sociale werknemersverzekeringen is het aantal loondagen van belang. De franchises in de verschillende wetten worden immers per loondag toegepast. Werknemers die niet in ploegendienst werkzaam zijn, kunnen geconfronteerd worden met de nadelige consequentie dat hoewel zij op bepaalde dagen gewerkt hebben, deze dagen (voor de premieheffing) niet als loondagen worden aangemerkt. Dit heeft tot gevolg dat over deze dagen derhalve niet de franchises toegepast worden.
     De wijziging behelst de vaststelling van het aantal loondagen over een langere periode dan een werkweek, te weten een aaneengesloten periode van vier werkweken. Uitgangspunt hierbij blijft dat gemiddeld niet meer dan vijf loondagen per werkweek geteld kunnen worden en er dus niet meer dan vijf keer per week de franchise premieloon kan worden toegepast. In deze periode van vier werkweken zijn er derhalve maximaal twintig loondagen waarover de franchise kan worden toegepast. Bij een periode van minder dan vier weken wordt het aantal van twintig loondagen evenredig verminderd. Een aangevangen periode van vier werkweken wordt als niet onderbroken beschouwd als een werknemer in de periode van vier werkweken na aanvang van de (eerdere) dienstbetrekking een nieuwe dienstbetrekking met dezelfde werkgever aangaat. Indien binnen de periode van vier weken een nieuwe dienstbetrekking met een andere werkgever wordt aangegaan, is er derhalve geen sprake meer van een aaneengesloten periode en begint er een nieuwe periode van vier weken, met ingang van de eerste dag van deze nieuwe dienstbetrekking, onder afsluiting van de periode direct hieraan voorafgaand.
     In het tweede lid van artikel 2 is bepaald dat indien de premie over een periode van minder dan vier werkweken moet worden berekend, het in het eerste lid genoemde aantal van twintig naar evenredigheid wordt verminderd. Het aantal loondagen dat op deze wijze wordt vastgesteld, wordt naar boven afgerond.

 

Overheidswerknemers onder de WAO


     Artikel 6 van de regeling Nadere regels maximumdagloon en franchises WW bevat bepalingen met betrekking tot premieheffing van overheidswerknemers vanaf het moment dat zij onder het toepassingsbereik van de WAO worden gebracht. In het eerste artikel van de regeling is een definitie opgenomen van het begrip overheidswerknemer en werkgever.
     Voor de toepassing van het maximumpremieloon en de franchises WW wordt uitgegaan van het loon dat de werknemer per dag heeft verdiend in het premiebetalingstijdvak. Thans wordt gewerkt aan een vereenvoudigde systematiek van premieheffing, waarbij niet langer wordt uitgegaan van het premieloon per dag. Het is de bedoeling die vereenvoudigde systematiek per 1 januari 1999 te laten ingaan.
     De overheidswerknemers zullen in het kader van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (OOW) per 1 januari 1998 onder het toepassingsbereik van de WAO worden gebracht. Dat zou - zonder nadere regeling - betekenen dat vanaf die datum vorenbedoelde dagensystematiek gaat gelden voor de heffing van WAO-premie over het loon van overheidswerknemers en WAO- en WW-premie over WAO-uitkeringen van (gewezen) overheidswerknemers.
     Dat zou een wijziging inhouden ten opzichte van de geldende systematiek van inhoudingen ter zake van werkloosheid en arbeidsongeschiktheid bij de overheid. In geval van loon uit hoofde van een deeltijdbetrekking of een WAO-conforme uitkering voortvloeiende uit een deeltijdbetrekking wordt de inhouding niet gedaan over het loon per gewerkte dag, maar over het met toepassing van de deeltijdfactor vastgestelde loon. Daarbij is niet van belang op hoeveel dagen in het premiebetalingstijdvak de betrokken overheidswerknemer feitelijk heeft gewerkt. Gelet op de komende wijziging in de systematiek van de premieheffing heeft het kabinet, in het kader van de OOW, ervoor gekozen om de WAO-premie voor de overheid alsmede de WAO- en WW-premie over WAO-uitkeringen van (gewezen) overheidswerknemers in geval van een deeltijdbetrekking voorlopig met toepassing van de deeltijdfactor te laten plaatsvinden. Aldus wordt voorkomen dat de overheid kort na elkaar geconfronteerd wordt met twee wijzigingen in de systematiek van premieheffing.
     Om te voorkomen dat deze regeling opnieuw gewijzigd zou moeten worden indien de overheidswerknemers op een moment onder het toepassingsbereik van de Ziektewet of de WW zouden komen te vallen dat de vereenvoudigde premieheffingssystematiek nog niet zou zijn ingegaan, ziet dit artikel ook op de toepassing van de deeltijdfactor bij de heffing van WAO- en WW-premie over WW-uitkeringen en uitkeringen op grond van de Ziektewet alsmede bij de heffing van WW-premie over het loon van overheidswerknemers. Hierbij merk ik nadrukkelijk op dat de bedoelde heffingen uiteraard pas aan de orde kunnen zijn vanaf het moment dat de desbetreffende fases van de OOW zijn aangevangen.
     Indien een uitkering niet alleen voortvloeit uit een dienstbetrekking als overheidswerknemer, maar ook uit een dienstbetrekking in de marktsector, kan, afhankelijk van de situatie, de verzorging van de uitkering plaatsvinden door de uitvoeringsinstelling die de werkzaamheden verricht voor de betrokken overheidssector of de uitvoeringsinstelling die dat doet voor het betrokken onderdeel van de marktsector. Teneinde enerzijds te voorkomen dat laatstbedoelde uitvoeringsinstelling de premieheffingssystematiek van de overheid zou moeten gaan toepassen en anderzijds te voorkomen dat er in een dergelijke samenloopsituatie een verschillende uitkomst ontstaat afhankelijk van de uitvoeringsinstelling die de uitkering verzorgt, wordt - op grond van de tweede volzin van het vierde lid - alsdan niet de deeltijdfactor toegepast.
     Ten slotte wordt, in het vijfde lid, geregeld dat, evenals dat thans het geval is, de premieheffing met betrekking tot de overheid en de marktsector naast elkaar bestaan.
     Ter bepaling of, ingeval er sprake is van meerdere werkgevers in de marktsector, premie is betaald over een loonbedrag hoger dan het maximumpremieloon wordt het loon als overheidswerknemer en een uitkering ontleend aan een dienstbetrekking als overheidswerknemer dan ook buiten beschouwing gelaten.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x