Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             


vorige

Coördinatiewet Sociale Verzekering
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2005

 

REGELING  GEMOEDSBEZWAARDEN  SOCIALEVERZEKERINGSWETTEN

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2006
(art. 48:1 en 48:3 IWfsv)

 
 

22 december 1989, Stcrt. 1989, 252
Inwerkingtreding: 1 januari 1990
(T.a.v. artt. 17:1 en 17:6 CSV en 24 Wfv)

 

 

 

 
     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Financiën en de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;
     Gelet op artikel 17, eerste en zesde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1987, 552) en artikel 24 van de Wet financiering volksverzekeringen (Stb. 1989, 129);

     Besluiten:

 

 

Art. 1.
-1. De persoon die gemoedsbezwaren heeft tegen één van de verzekeringen geregeld in de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet en de Ziekenfondswet, alsmede de rechtspersoon waarbij natuurlijke personen betrokken zijn die zodanige gemoedsbezwaren hebben, kan op zijn verzoek door de Sociale verzekeringsbank dan wel door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden ontheven dan wel vrijgesteld van verplichtingen hem bij of krachtens één van deze wetten of de Coördinatiewet Sociale Verzekering opgelegd.
-2.
In afwijking van het eerste lid kan geen vrijstelling worden verleend van de verplichtingen, bedoeld in artikel 56 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de artikelen 13 en 49 van de Ziektewet, de artikelen 12 en 80 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de artikelen 13 en 25 van de Werkloosheidswet.

 

Art. 2.
Het verzoek geschiedt door indiening van een door de verzoeker ondertekende verklaring, waarvan het model door de Sociale verzekeringsbank en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt vastgesteld. Deze verklaring houdt ten minste in dat degene die de verklaring indient, overwegende gemoedsbezwaren heeft tegen elke vorm van verzekering, dat hij mitsdien noch zichzelf, noch iemand anders, noch zijn eigendommen heeft verzekerd. Voor zover de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten in het geding zijn, moet uit de verklaring tevens blijken of degene die haar indient, de in deze wetten geregelde voorzieningen al dan niet als verzekeringen beschouwt. Uit een door een werkgever ingediende verklaring moet voorts blijken of deze ook gemoedsbezwaren heeft tegen de nakoming van de hem als werkgever opgelegde verplichtingen.

 

Art. 3.
-1. Wanneer het verzoek een rechtspersoon betreft, wordt de verklaring ingediend door het op grond van de wet of de statuten van die rechtspersoon daartoe bevoegde orgaan.
-2. Onverminderd het bepaalde in artikel 2 houdt de verklaring als bedoeld in het eerste lid tevens in dat de natuurlijke personen die behoren tot het orgaan dat op grond van de wet of de statuten bevoegd is te besluiten de vrijstelling aan te vragen, in meerderheid overwegende gemoedsbezwaren hebben.
-3. Bij het verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt gevoegd:
a. afschrift van de aan elk van de tot de in het tweede lid bedoelde meerderheid behorende natuurlijke personen verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 1;
b. een gewaarmerkt afschrift van de statuten van de rechtspersoon; en
c. een gewaarmerkt afschrift van de notulen van de vergadering waarin het besluit tot het aanvragen van de vrijstelling is genomen.

 

Art. 4.
-1. De in de artikelen 2 en 3 bedoelde verklaring wordt ingediend bij de Sociale verzekeringsbank.
-2. De Sociale verzekeringsbank onderzoekt of de verklaring overeenkomstig de waarheid is.

 

Art. 5.
Wanneer bij het verlenen van de vrijstelling slechts één uitvoeringsorgaan betrokken is, verleent dat orgaan, indien de verklaring naar zijn mening overeenkomstig de waarheid is, de vrijstelling. Aan een werkgever die heeft verklaard geen gemoedsbezwaren te hebben tegen de nakoming van de hem als werkgever opgelegde verplichtingen kan op die grond een vrijstelling van de hem anders dan in zijn hoedanigheid van werkgever opgelegde verplichtingen niet worden geweigerd.

 

Art. 6.
-1. Wanneer bij het verlenen van de vrijstelling meer dan één uitvoeringsorgaan is betrokken, doet de Sociale verzekeringsbank van haar bevindingen omtrent het door haar ingestelde onderzoek mededeling aan het andere betrokken uitvoeringsorgaan.
-2. Indien de verklaring naar de mening van de betrokken uitvoeringsorganen overeenkomstig de waarheid is, verlenen zij, gemeenschappelijk, ieder voor zoveel betreft de hem ter uitvoering opgedragen tak of takken van verzekering, de vrijstelling. De laatste volzin van artikel 5 is van overeenkomstige toepassing.
-3. Indien de betrokken uitvoeringsorganen omtrent de beslissing tot het verlenen van vrijstelling geen overeenstemming kunnen bereiken, wordt de gevraagde vrijstelling geweigerd.

 

Art. 7.
-1. Tot het verlenen van vrijstelling van verplichtingen tot uitvoering van de Ziekenfondswet is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd in de gevallen waarin deze is belast met de afdracht van de premie aan de Algemene Kas, bedoeld in artikel 1q van de Ziekenfondswet. In overige gevallen is de Sociale verzekeringsbank bevoegd.
-2. Het orgaan dat krachtens het eerste lid van dit artikel bevoegd is tot het verlenen van de aldaar genoemde vrijstelling doet van een vermeende vrijstelling mededeling aan het College voor zorgverzekeringen, dat vervolgens hiervan kennis geeft aan het daarvoor naar zijn oordeel in aanmerking komende ziekenfonds dan wel aan de daarvoor in aanmerking komende ziekenfondsen.

 

Art. 8.
Voor zover de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten in het geding zijn, wordt, indien de verzoeker heeft verklaard dat hij de in één of meer van de genoemde wetten geregelde voorzieningen niet als verzekering beschouwt, geen vrijstelling verleend van de in die wet(ten) opgelegde verplichtingen.

 

Art. 9.
Van de verleende vrijstelling wordt door de Sociale verzekeringsbank aan de verzoeker een bewijs uitgereikt, waarvan het model wordt vastgesteld door de Sociale verzekeringsbank en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

 

Art. 10.
Zodra ten aanzien van de vrijgestelde een ander uitvoeringsorgaan bevoegd is dan het orgaan dat hem de vrijstelling verleende, is de vrijgestelde verplicht binnen één maand aan eerstbedoeld orgaan mededeling te doen dat hij is vrijgesteld van de in artikel 1 bedoelde verplichtingen. Voor zover het dezelfde tak van verzekering betreft, wordt de vrijstelling alsdan geacht te zijn verleend door dat andere uitvoeringsorgaan.

 

Art. 11.
-1. Degene die is vrijgesteld van zijn verplichtingen als werkgever is verplicht te zorgen dat het hem uitgereikte bewijs van vrijstelling of een afschrift daarvan wordt en blijft opgehangen op een plaats welke vrij toegankelijk is voor alle in zijn dienst zijnde werknemers en waar deze geregeld plegen te komen, op zodanige wijze dat van hetgeen op het desbetreffende stuk staat vermeld, gemakkelijk kan worden kennisgenomen.
-2. Degene die vrijgesteld is van zijn verplichtingen op grond van de Ziekenfondswet als werkgever is verplicht, zodra een werknemer in zijn dienst treedt die voor de verplichte ziekenfondsverzekering in aanmerking komt, hiervan onverwijld mededeling te doen aan het door de werknemer gekozen ziekenfonds. Indien een werknemer die als verplicht verzekerd bij een ziekenfonds staat ingeschreven, de dienst van een werkgever als in de eerste volzin bedoeld verlaat, dan wel wegens het overschrijden van de loongrens of anderszins niet langer op grond van zijn dienstbetrekking bij deze werkgever voor de verplichte ziekenfondsverzekering in aanmerking komt, is de werkgever verplicht hiervan onverwijld mededeling te doen aan het ziekenfonds waarbij de werknemer laatstelijk als verplicht verzekerde stond ingeschreven.
-3. Het College voor zorgverzekeringen kan voor de mededelingen als in het tweede lid bedoeld modellen vaststellen.

 

Art. 12.
-1. Indien de vrijgestelde aan de loonbelasting is onderworpen, is hij verplicht van de hem verleende vrijstelling mededeling te doen aan degene die de inhouding verricht, door het tonen aan laatstbedoelde van het uitgereikte bewijs van vrijstelling.
-2. Voor de werknemer die niet aan de loonbelasting is onderworpen, geldt dezelfde verplichting ten opzichte van diens werkgever.

 

Art. 13.
Indien van degene die aan loonbelasting is onderworpen, premievervangende belasting voor de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is ingehouden, dient daarvan op de loonbelastingkaart aantekening te worden gemaakt.

 

Art. 14.
De werkgever verstrekt geen verklaringen als bedoeld in artikel 4 van het Inschrijvingsbesluit Ziekenfondsverzekering (Stb. 1965, 653) aan in zijn dienst zijnde werknemers die zijn vrijgesteld van verplichtingen op grond van de Ziekenfondswet.

 

Art. 15.
Degene die is vrijgesteld van verplichtingen op grond van de Ziekenfondswet:
a. als werknemer; of
b. als zelfstandige;
heeft voor zichzelf en voor zijn medeverzekerden als bedoeld in artikel 4 van de Ziekenfondswet geen aanspraken op verstrekkingen op grond van die wet.

 

Art. 16.
-1. Een vrijstelling wordt door het uitvoeringsorgaan ingetrokken:
a. op verzoek van hem aan wie de vrijstelling is verleend;
b. indien naar het oordeel van het uitvoeringsorgaan de gemoedsbezwaren op grond waarvan de vrijstelling is verleend, niet langer geacht kunnen worden te bestaan.
-2. De vrijstelling kan worden ingetrokken indien verplichtingen welke nog op de vrijgestelde rusten ingevolge de in artikel 1 genoemde wetten, of welke hem bij deze regeling zijn opgelegd, niet door hem worden nageleefd.
-3. In het geval als bedoeld in artikel 5 geschiedt de intrekking van de vrijstelling door het orgaan dat de vrijstelling heeft verleend of, op grond van artikel 10, geacht wordt te hebben verleend.
-4. In het geval als bedoeld in artikel 6 geschiedt de intrekking van de vrijstelling gemeenschappelijk door de uitvoeringsorganen welke de vrijstelling hebben verleend of, op grond van artikel 10, geacht worden te hebben verleend.
-5. Indien de betrokken uitvoeringsorganen omtrent de beslissing tot het intrekken van de vrijstelling geen overeenstemming kunnen bereiken, vindt intrekking plaats.
-6. Het uitvoeringsorgaan kan bij de intrekking tevens bepalen dat een verzoek om vrijstelling gedaan binnen twee jaren na de dagtekening van de intrekking enkel op die grond niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
-7. Degene wiens vrijstelling is ingetrokken, is verplicht binnen drie dagen na de dagtekening van de desbetreffende kennisgeving het bewijs van vrijstelling terug te geven aan het orgaan dat hem van de intrekking mededeling heeft gedaan.
-8. Indien degene wiens vrijstelling is ingetrokken, aan de loonbelasting is onderworpen, doet het uitvoeringsorgaan dat de vrijstelling heeft ingetrokken, van de intrekking mededeling aan degene die de inhouding verricht.
-9. Ten aanzien van de werknemer die niet aan de loonbelasting is onderworpen, wordt eenzelfde mededeling als in het vorige lid bedoeld gedaan aan diens werkgever.
-10. Wanneer de toepassing van de Ziekenfondswet in het geding is, doet het orgaan dat de vrijstelling heeft ingetrokken, van de intrekking mededeling aan het College voor zorgverzekeringen, dat vervolgens hiervan kennis geeft aan het daarvoor naar zijn oordeel in aanmerking komende ziekenfonds dan wel aan de daarvoor in aanmerking komende ziekenfondsen.
-11. Artikel 12 vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de mededeling van de intrekking der vrijstelling.
-12. Onverminderd het bepaalde in de vorige leden vervalt de vrijstelling welke is verleend aan een rechtspersoon, na verloop van vijf jaar na de datum van ingang van de vrijstelling. Met ingang van de datum waarop een vrijstelling is vervallen, kan een nieuwe vrijstelling worden verleend.

 

Art. 17. Vervallen.

 

Art. 18.
In geval van intrekking van een vrijstelling van verplichtingen als werknemer is het uitvoeringsorgaan bevoegd de uitkering van ziekengeld geheel of ten dele te weigeren ter zake van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte - zwangerschap, bevalling en gebrek daaronder begrepen - bestaande op de dag van intrekking der vrijstelling, dan wel ontstaan binnen vier weken na bedoelde dag. Overeenkomstige bevoegdheid komt toe aan de ziekenfondsen met betrekking tot het verlenen van verstrekkingen op grond van de Ziekenfondswet over de eerste vier weken na het intrekken van de vrijstelling aan medeverzekerden als bedoeld in artikel 4 van die wet. Op deze termijnen is de Algemene termijnenwet niet van toepassing.

 

Art. 19.
-1. Een vóór de dag waarop deze regeling in werking treedt verleende vrijstelling met betrekking tot de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wordt geacht tevens betrekking te hebben op de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet.
-2. Onverminderd het bepaalde in artikel 16, eerste tot en met elfde lid, vervalt een vóór de dag waarop deze regeling in werking treedt aan een rechtspersoon verleende vrijstelling na verloop van vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze regeling.

 

Art. 20.
Deze regeling die met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant wordt geplaatst, treedt in werking met ingang van 1 januari 1990.

 

 

's-Gravenhage, 22 december 1989.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
B. de Vries.
De Staatssecretaris van Financiën,
M.J.J. van Amelsvoort.
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
H.J. Simons
.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x