Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2004

 

REGELING  UITZONDERING  EINDHEFFINGSBESTANDDELEN  LOONBELASTING  VOOR  DE  PREMIEHEFFING  WERKNEMERSVERZEKERINGEN  2001

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2005
(art. I, onderdeel J, Walvis)

 
 

20 december 2000, Stcrt. 2000, 252
Inwerkingtreding: 1 januari 2001
(T.a.v. artt. 6:5 en 8:2 CSV)

 

 

 

 
REGELING houdende het buiten de premieheffing werknemersverzekeringen brengen van  loon met een bestemmingskarakter

20 december 2000/nr. SV/AVF/2000/85279
Directie Sociale Verzekeringen

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
     Gelet op artikel 6, achtste lid, en artikel 8, tweede lid, van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Eindheffingsbestanddelen die geacht worden te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking
Als vergoeding die wordt geacht volledig te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking dan wel als vergoeding die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel wordt ervaren, worden aangewezen:
a. vergoedingen van de aan- en verkoopkosten van de woning van de werknemer bij bedrijfsverplaatsingen en andere zakelijke verhuizingen als bedoeld in artikel 84, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001;
b. vergoedingen van parkeer-, veer- en tolgelden als bedoeld in artikel 84, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001;
c. vervallen;
d. vervallen;
e. uitkeringen tot vergoeding van door de werknemer geleden verlies wegens diefstal en dergelijke die hem in verband met het vervullen van de dienstbetrekking zijn overkomen als bedoeld in artikel 84, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001;
f. uitkeringen tot vergoeding van door de werknemer geleden schade tengevolge van overstromingen, aardbevingen en dergelijke die niet pleegt te worden verzekerd als bedoeld in artikel 84, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001;
g. vergoedingen ter zake van een recht op openbaar vervoer als bedoeld in artikel 84, onderdeel f, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001;
h. vergoedingen ter zake van maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is als bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel e, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001;
i. vergoedingen ter zake van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen, mits de deelname aan die voorzieningen openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid als bedoeld in artikel 83, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001; en
j. vergoedingen ter zake van een beperkt recht op geheel of gedeeltelijk vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer als bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel j, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.

 

Art. 2. Waardering eindheffingsbestanddelen, in de vorm van loon in natura, op nihil
De waarde van de volgende aan de werknemer toegekende verstrekkingen worden, voor zover zij niet in geld zijn betaald, op nihil gesteld:
a. de met parkeer-, veer- en tolgelden overeenkomende verstrekkingen als bedoeld in artikel 84, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001;
b. verstrekkingen tot vergoeding van door de werknemer geleden verlies wegens diefstal en dergelijke die hem in verband met het vervullen van de dienstbetrekking zijn overkomen als bedoeld in artikel 84, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001;
c. verstrekkingen tot vergoeding van door de werknemer geleden schade tengevolge van overstromingen, aardbevingen en dergelijke die niet pleegt te worden verzekerd als bedoeld in artikel 84, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001;
d. verstrekkingen van een recht op openbaar vervoer als bedoeld in artikel 84, onderdeel g, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001;
e. verstrekkingen van maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is als bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel f, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001;
f. verstrekkingen van maaltijden in bedrijfskantines of andere soortgelijke ruimten op de plaats waar de arbeid wordt verricht als bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel g, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001;
g. verstrekkingen van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen, mits de deelname aan die voorzieningen openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid als bedoeld in artikel 83, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001;
h. verstrekkingen van een beperkt recht op geheel of gedeeltelijk vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer als bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel k, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001; en
i. verstrekking van een geschenk in natura eenmaal per jaar, ter gelegenheid van een algemeen erkende feestdag of het sint-nicolaasfeest, voor zover de waarde in het economische verkeer niet meer bedraagt dan Ç|35,00.

 

Art. 3. Intrekking
De Regeling uitzondering eindheffingsbestanddelen loonbelasting voor de premieheffing werknemersverzekeringen wordt ingetrokken.

 

Art. 4. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 december 2000, treedt zij in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari 2001.

 

Art. 5. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitzondering eindheffingsbestanddelen loonbelasting voor de premieheffing werknemersverzekeringen 2001.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Ĺs-Gravenhage, 20 december 2000.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.

 

 

 

TOELICHTING
[20 december 2000]

 

     Deze regeling strekt ertoe een aantal bijzondere loonbestanddelen buiten de premieheffing werknemersverzekeringen te brengen. Hiermee wordt een eerste stap gezet tot administratieve lastenverlichting op het terrein van de premieheffing werknemersverzekeringen en wordt vooruitgelopen op de komende vereenvoudiging van de uitvoering werknemersverzekeringen.
     Voor de premieheffing werknemersverzekeringen moet een werkgever per individuele werknemer het verloonde bedrag opgeven aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.]. Dit geldt ook voor loonelementen waarvoor bij de loonbelasting de eindheffing kan of moet worden toegepast. Bij de eindheffing behoeft in het algemeen niet per individuele werknemer te worden vastgesteld wat aan loon is genoten. Een systeem van (collectieve) eindheffing verdraagt zich echter niet met individuele aanspraken van werknemers. Individuele premieheffing voor deze bijzondere loonelementen betekent echter wel een administratieve last voor werkgevers.
     Een aantal loonbestanddelen die thans onder de eindheffing valt, wordt daarom met ingang van 1 januari 2001 niet meer in de premieheffing werknemersverzekeringen betrokken.
     Deze loonelementen maken thans nagenoeg nooit onderdeel uit van het uitkeringsloon. In beginsel gaat het immers om vergoedingen (dan wel overeenkomstige verstrekkingen) voor bepaalde kosten die de werknemer heeft gemaakt. In de algemene dagloonregels voor de ZW, de WW en de WAO is bepaald dat bedragen, strekkende tot vergoeding van te maken onkosten, ook al zijn deze niet afzonderlijk vastgesteld, geacht worden niet tot het (uitkeringsdag)loon te behoren. Deze regeling eerbiedigt reeds vˇˇr de datum van inwerkingtreding ontstane rechten. In die uitzonderlijke gevallen waarin een loonelement thans wÚl tot het dagloon behoort, wordt dit derhalve gehandhaafd.
     De in de artikelen 1 en 2 van deze ministeriŰle regeling genoemde loonbestanddelen zijn in de artikelen 82 en 84 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 aangewezen als naar het tabeltarief te belasten bezwaarlijk te individualiseren loon respectievelijk als loon met een bestemmingskarakter. Indien sprake is van bezwaarlijk te individualiseren loon, mag, op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964, de werkgever opteren over dit loon eind te heffen. Ingeval er sprake is van loon met een bestemmingskarakter, dan moet op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel e, van de Wet op de loonbelasting 1964 over dit loon eindgeheven worden.
     Indien de werkgever voor de loonbelasting verplicht is de eindheffing toe te passen, worden de in deze regeling genoemde loonbestanddelen buiten de premieheffing werknemersverzekeringen gebracht. Kiest de werkgever ervoor de eindheffing toe te passen (in geval van bezwaarlijk te individualiseren loon), dan blijven genoemde loonbestanddelen eveneens buiten de premieheffing.
     Voor zover het een vergoeding betreft, is bepaald dat de vergoeding wordt geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. Als het een verstrekking in natura betreft, wordt deze verstrekking op nihil gewaardeerd.
     Zoals reeds eerder vermeld, treedt deze regeling op 1 januari 2001 in werking. Voor reiskostenvergoedingen waarover in verband met het voldoen aan het 40-dagencriterium eindgeheven moet worden (artikel 1, onderdeel c), betekent dit dat onder de regeling uitsluitend de reiskosten vallen die volledig nß deze datum zijn toegekend. Verder dient het uiteraard te gaan om een vergoeding van reiskosten waarvan vooraf in alle redelijkheid kan worden ingeschat dat de werknemer niet op ten minste 40 dagen heen en weer reist van zijn woon- of verblijfplaats en zijn vaste arbeidsplaats.
     Voor de toepassing van de dagloonregels (de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april 1967, nr. 61524 (Stcrt. 1967, 126), de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april 1967, nr. 61525 (Stcrt. 1967, 162) [zie Dagloonregelen Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, respectievelijk Algemene dagloonregelen Ziektewet, red.] en de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid) is deze regeling (en dan specifiek artikel 2) een aanvulling op de Regeling waardering loon in natura 2000 [zie ook Regeling vergoeding gemengde kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002, red.]. In die zin dient deze regeling voor de toepassing van de dagloonregels niet anders te worden toegepast dan de Regeling waardering loon in natura 2000.
     Met deze regeling wordt de Regeling uitzondering eindheffingsbestanddelen loonbelasting voor de premieheffing werknemersverzekeringen ingetrokken. Deze regeling zou oorspronkelijk per 1 januari 2001 in werking treden.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x