Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2004

 

REGELING  VASTSTELLING  GELDSWAARDE  AANSPRAAK  OP  UITKERINGEN

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2005
(art. I, onderdeel J, Walvis)

 
 

3 september 1954, Stcrt. 1954, 173
Inwerkingtreding: 9 september 1954
(T.a.v. art. 8:2 CSV)

 

 

 

 
     De Staatssecretaris van Sociale Zaken;
     Gelet op artikel 8, tweede lid, van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering;
     Gehoord de Sociale Verzekeringsraad;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
De geldswaarde van een aanspraak op toekomstige of voorwaardelijke uitkeringen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering, wordt, indien de werkgever bij een derde stortingen verricht teneinde de aanspraak te dekken, gesteld op de bedragen van deze stortingen. Worden geen stortingen verricht, dan wordt de geldswaarde van de aanspraak gesteld op de bedragen welke naar schatting door de werkgever gestort zouden moeten worden.

 

Art. 2.
In afwijking van artikel 1 kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten aanzien van bepaalde gevallen of groepen van gevallen de geldswaarde van een aanspraak vaststellen.

 

Art. 3.
Voor de berekening van het loon waarover de premies op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet en de Ziekenfondswet worden geheven, worden rente- en kostenvoordelen uit personeelsleningen, voor zover deze - zo de werknemer deze zelf zou betalen - in het kalenderjaar waarin het desbetreffende loontijdvak valt aftrekbare kosten zouden vormen in de zin van de artikelen 3.120 tot en met 3.123 van de Wet inkomstenbelasting 2001, op nihil gesteld, onder de volgende voorwaarden:
a. de werknemer verklaart schriftelijk aan de werkgever, onder vermelding van het bestedingsdoel en onder bijvoeging van afschriften van aankoopbewijzen en onkostennota's en dergelijke, dat en in hoeverre de lening kan worden aangemerkt als een lening waarvan de rente en de kosten aftrekbare kosten zijn in de zin van de artikelen 3.120 tot en met 3.123 van de Wet inkomstenbelasting 2001; en
b. de werkgever bewaart de in onderdeel a bedoelde schriftelijke verklaringen van de werknemer bij de loonadministratie en vermeldt jaarlijks op de loonbelastingkaart van de werknemer door middel van een codering dat sprake is van een personeelslening waarbij hij de rente- en/of kostenvoordelen (gedeeltelijk) niet tot het loon heeft gerekend.

 

Art. 3a.
-1. Onverminderd artikel 3 wordt voor de berekening van het loon waarover de premies op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet en de Ziekenfondswet worden geheven, het rentevoordeel ter zake van een door de werkgever dan wel een met de werkgever verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening, voor zover de rente die ter zake van de geldlening in het economische verkeer verschuldigd zou zijn hoger is dan 4,4% per jaar, op nihil gesteld.
-2. Voor de berekening van het loon waarover de premies op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet en de Ziekenfondswet worden geheven, wordt, in zoverre in afwijking van het eerste lid, het rentevoordeel ter zake van een door de werkgever dan wel door een met de werkgever verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening, voor zover de werknemer het geleende bedrag op een dusdanige wijze aanwendt dat een in de plaats van de lening voor de desbetreffende aanwending gekomen vergoeding of verstrekking hetzij geheel of nagenoeg geheel op nihil zou zijn gesteld, hetzij op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder y of onder z, van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekeringen niet tot het loon zou hebben behoord, op nihil gesteld.

 

Art. 3b.
Voor de toepassing van artikel 3a, tweede lid, geldt met betrekking tot de kalenderjaren 2001 en 2002 dat een werknemer wordt geacht de bedoelde geldlening of geldleningen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste Ç 3403,00 (â7499,00) op een dusdanige wijze aan te wenden dat een in de plaats van de lening of leningen voor de desbetreffende aanwending gekomen vergoeding of verstrekking geheel of nagenoeg geheel op nihil zou zijn gesteld.

Art. 3c.
Ingeval in een reeds op 31 december 1996 bestaande of aansluitend naar strekking ter zake ongewijzigd voortgezette publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst is voorzien in vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken, wordt, in afwijking van artikel 1, de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken gesteld op een percentage van de nominale waarde van die bonnen of aanspraken.
Het in de eerste zin bedoelde percentage bedraagt voor:
1999: 77,5;
2000: 80;
2001: 82,5;
2002: 85;
2003: 87,5;
2004: 90;
2005: 92,5

 

Art. 4.
Deze beschikking treedt in werking op de eerste dag na die waarop zij in de Nederlandse Staatscourant is geplaatst en werkt terug tot 1 Januari 1954.

 

 

's-Gravenhage, 3 September 1954.
De Staatssecretaris voornoemd,
A.A. van Rhijn
.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x