Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Coördinatiewet Sociale Verzekering
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2003

 

UITVOERINGSREGELING  INLENERSAANSPRAKELIJKHEID

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2004
(art. 12:1 Uiko04)

 
 

17 juni 1998, Stcrt. 1998, 113
Inwerkingtreding: 1 juli 1998
(T.a.v. artt. 34:6 Invorderingswet 1990 en 16a:10 CSV)

 

 

 

 
17 juni 1998/nr. WDB 98/209MSV/AVF/98/2642
Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken/Directie Wetgeving Directe Belastingen/Directie Sociale Verzekeringen

     De Staatssecretaris van Financiën en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op de artikelen 34, zesde lid, van de Invorderingswet 1990 en 16a, tiende lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering;

     Besluiten:

 

 

Art. 1. Reikwijdte en begripsbepalingen
-1. Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 34, zesde lid, van de Invorderingswet 1990 en 16a, tiende lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
-2. In deze regeling wordt hierna verstaan onder:
a. Invorderingswet: de Invorderingswet 1990;
b. Coördinatiewet: de Coördinatiewet Sociale Verzekering;
c. uitlener: een inhoudingsplichtige of werkgever als bedoeld in de artikelen 34, eerste lid, van de Invorderingswet en 16a, eerste lid, van de Coördinatiewet;
d. inlener: een inlener als bedoeld in de artikelen 34, eerste en tweede lid, van de Invorderingswet en 16a, eerste en tweede lid, van de Coördinatiewet;
e. rekeninghouder: de houder van een g-rekening;
f. kredietinstelling: een kredietinstelling als bedoeld in de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet;
g. ontvanger: de ontvanger der rijksbelastingen;
h. Uitvoeringsinstituut: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
i. loonbelasting: de loonbelasting en de premie voor de volksverzekeringen welke gelijktijdig wordt geheven met de loonbelasting, één en ander voor zover verband houdend met de terbeschikkingstelling van arbeidskrachten;
j. omzetbelasting: de omzetbelasting met betrekking tot de terbeschikkingstelling van arbeidskrachten;
k. premie: de premie en de voorschotpremie, één en ander voor zover verband houdend met de terbeschikkingstelling van arbeidskrachten;
l. g-rekening: een geblokkeerde rekening, zijnde een rekening als bedoeld in de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet, welke door een uitlener bij een kredietinstelling wordt gehouden en waarvan de saldi uitsluitend bestemd zijn te dienen tot voldoening van de door de uitlener verschuldigde of nog verschuldigd wordende loonbelasting, omzetbelasting en premie, in verband waarmee op die saldi ten behoeve van de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut gezamenlijk een pandrecht is gevestigd;
m. g-rekeningovereenkomst: een conform de bijlage bij deze regeling gesloten overeenkomst met betrekking tot het openen en gebruiken van een g-rekening en het vestigen van een pandrecht op die rekening als bedoeld in onderdeel l, tussen de uitlener, de ontvanger, het Uitvoeringsinstituut en een kredietinstelling.

 

Art. 2. Voorwaarden medewerking totstandkoming g-rekeningovereenkomst
De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut verlenen hun medewerking aan het tot stand komen van een g-rekeningovereenkomst slechts op schriftelijk verzoek van de uitlener en mits die uitlener zijn bedrijf uitsluitend of nagenoeg uitsluitend maakt van het tegen vergoeding uitlenen van personeel dan wel, naar redelijkerwijs mag worden aangenomen, op korte termijn die hoedanigheid zal verwerven.

 

Art. 3. Weigering medewerking
De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut weigeren hun medewerking aan het tot stand komen van een g-rekeningovereenkomst, indien:
a. met de uitlener reeds een g-rekeningovereenkomst is gesloten, tenzij deze aannemelijk maakt dat het gebruik maken van meer dan één g-rekening voor zijn bedrijfsvoering noodzakelijk is;
b. gegronde vrees bestaat dat onjuist gebruik van de g-rekening zal worden gemaakt.

 

Art. 4. Bewaren g-rekeningovereenkomst
Het oorspronkelijke, door alle in artikel 1, tweede lid, onderdeel m, bedoelde partijen getekende, exemplaar van de g-rekeningovereenkomst wordt door de in dat onderdeel bedoelde kredietinstelling bewaard zolang de g-rekening in stand blijft, doch in ieder geval gedurende zeven jaren. De instelling verschaft de andere partijen een kopie daarvan. Met betrekking tot de eerste volzin is artikel 52, vijfde en zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 5. Vereisten vrijwarende betaling
Een betaling die wordt verricht op een g-rekening wordt voor de toepassing van de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet slechts in aanmerking genomen, voor zover:
a. de factuur welke de uitlener ter zake van de door hem aan de inlener geleverde prestatie of prestaties heeft doen toekomen, voldoet aan de eisen welke de Wet op de omzetbelasting 1968 daaraan stelt alsmede de vermelding bevat van het tijdstip waarop de overeenkomst is gesloten ingevolge welke de uitlener de gefactureerde prestatie of prestaties heeft verricht, voor zover aanwezig tevens van het nummer of kenmerk van die overeenkomst en van het tijdvak of de tijdvakken waarin de uitlener de gefactureerde prestatie of prestaties heeft verricht;
b. die betaling vergezeld gaat van de vermelding van het nummer van de desbetreffende factuur, voor zover toepasselijk tevens van een ander onderscheidend op die factuur vermeld kenmerk, welk nummer, of welk nummer en aanvullend kenmerk tezamen, een uniek identificatiegegeven vormt waarmee die factuur terstond of vrijwel terstond kan worden teruggevonden in de administratie van de inlener;
c. de administratie van de inlener voorts zodanig is ingericht en zodanig wordt gevoerd dat daarin terstond of vrijwel terstond tevens kan worden teruggevonden:
1º. de overeenkomst of de inhoud daarvan, ingevolge welke de uitlener de in onderdeel a bedoelde prestatie of prestaties heeft verricht;
2º. gegevens inzake de nakoming van die overeenkomst met inbegrip van, naar de eisen van het bedrijf van de inlener, een registratie van de personen die zijn ingeleend en van de dagen waarop en de uren gedurende welke die personen werkzaamheden hebben verricht in verband waarmee voor de inlener aansprakelijkheid bestaat ingevolge de artikelen 34 van de Invorderingswet en 16a van de Coördinatiewet;
3º. de betalingen die in verband met de nakoming van vorenbedoelde overeenkomst zijn gedaan.

 

Art. 6. Bescherming te goeder trouw zijnde inlener
Indien een inlener een arbeidskracht inleent van een natuurlijk of rechtspersoon die niet de werkgever of de inhoudingsplichtige voor de loonbelasting is van deze arbeidskracht, doch die inlener niet weet of behoort te weten dat dit het geval is, worden de betalingen van die inlener op de g-rekening van die persoon voor de toepassing van de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet in aanmerking genomen als waren zij verricht op de g-rekening van de uitlener.

 

Art. 7. Doorstorting
Een betaling ten laste van het saldo van een g-rekening aan een ander dan de ontvanger of het Uitvoeringsinstituut wordt niet aangemerkt als een betaling welke in mindering komt op het bedrag aan loonbelasting en - voor zover toepasselijk - omzetbelasting, onderscheidenlijk premie, waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan als bedoeld in de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet.

 

Art. 8. Verdeling tussen ontvanger en Uitvoeringsinstituut bij uitwinning pandrecht en andere acties voor gezamenlijke rekening
-1. De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut zijn beide bevoegd, mits handelende voor gezamenlijke rekening, over te gaan tot uitwinning van het te hunnen behoeve op het saldo van de g-rekening gevestigde pandrecht, alsmede jegens de bij een betaling ten laste van een g-rekening naar een andere g-rekening betrokken rekeninghouders dan wel andere betrokkenen actie te ondernemen wegens wanprestatie of onrechtmatige daad, of welke andere actie dan ook, teneinde de gevolgen van een onjuist gebruik van de g-rekening ongedaan te maken of te compenseren.
-2. De met toepassing van het eerste lid ontvangen gelden worden, nadat eventuele aan derden te vergoeden kosten inzake de in het eerste lid bedoelde acties hierop in mindering zijn gebracht, tussen de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut verdeeld naar rato van ieders vorderingen inzake de loon- en omzetbelasting, onderscheidenlijk premie, waarvoor aansprakelijkheid bestaat, met dien verstande dat:
a. de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut in daartoe aanleiding gevende gevallen een afwijkende verdeling overeen kunnen komen; en
b. een eenmaal toegepaste verdeling kan worden herzien indien later bekend wordende gegevens redelijkerwijs tot herziening aanleiding geven.

 

Art. 9. Grenzen aansprakelijkstelling
-1. Indien de aansprakelijkheid zowel loonbelasting en, voor zover toepasselijk, omzetbelasting als premie betreft, is zowel de ontvanger als het Uitvoeringsinstituut bevoegd, ieder voor de uit eigen hoofde van de inlener ingevolge diens aansprakelijkheid te vorderen belasting, onderscheidenlijk premie, de inlener aansprakelijk te stellen voor ten hoogste het verschil tussen het gezamenlijke bedrag aan loonbelasting, omzetbelasting en premie waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan en het gezamenlijke bedrag van de ter zake door de inlener op de g-rekening van de uitlener gestorte bedragen voor zover die bedragen ingevolge de artikelen 34, derde en vierde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde en vijfde lid, van de Coördinatiewet in mindering komen op het gezamenlijke bedrag aan loonbelasting, omzetbelasting en premie waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan, met dien verstande dat, indien zowel de ontvanger als het Uitvoeringsinstituut omtrent dezelfde tot aansprakelijkheid leidende feiten daadwerkelijk tot aansprakelijkstelling overgaat, het gezamenlijke bedrag van beide aansprakelijkstellingen niet uitgaat boven het vorenbedoelde bedrag waarvoor de inlener ten hoogste aansprakelijk kan worden gesteld.
-2. Artikel 8, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 10. Deblokkeringsverzoek
-1. De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut verlenen, in afwijking in zoverre van artikel 1, tweede lid, onderdeel l, de rekeninghouder op diens verzoek en onder door hen te stellen voorwaarden toestemming het saldo van de g-rekening geheel dan wel tot een bepaald bedrag voor andere doeleinden aan te wenden dan voor de voldoening van loonbelasting en - voor zover toepasselijk - van omzetbelasting, onderscheidenlijk van premie, voor zover aannemelijk is dat het saldo van de g-rekening uitgaat boven hetgeen door de rekeninghouder aan loon- en omzetbelasting alsmede premie vermoedelijk nog verschuldigd is of binnenkort verschuldigd zal worden.
-2. De rekeninghouder richt een dergelijk verzoek (deblokkeringsverzoek) schriftelijk aan de ontvanger of het Uitvoeringsinstituut.
-3. Op het verzoek wordt beslist, handelende in onderlinge overeenstemming, door de ontvanger dan wel door het Uitvoeringsinstituut, al naargelang aan welke van beide het verzoek is gericht.
-4. De rekeninghouder verschaft in dit verband de ontvanger of het Uitvoeringsinstituut - op de door dezen aangegeven wijze - alle gegevens en inlichtingen welke van belang kunnen zijn voor een juiste beoordeling van het deblokkeringsverzoek; wordt daaraan niet of onvoldoende voldaan, wordt het verzoek afgewezen.
-5. De beslissing op het verzoek wordt aan de rekeninghouder bekendgemaakt door uitreiking of toezending van een kennisgeving ter zake.

 

Art. 11. Opzegging
-1. De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut zijn bevoegd een g-rekeningovereenkomst eenzijdig en zonder rechterlijke tussenkomst op te zeggen, indien:
a. de betrokken rekeninghouder geen of op onjuiste wijze gebruik maakt van de g-rekening;
b. de betrokken rekeninghouder niet of niet meer de hoedanigheid blijkt te bezitten van uitlener in de zin van de artikelen 34, eerste lid, van de Invorderingswet en 16a, eerste lid, van de Coördinatiewet, dan wel niet of niet meer blijkt te voldoen aan de voorwaarde dat hij zijn bedrijf uitsluitend of nagenoeg uitsluitend maakt van het tegen vergoeding uitlenen van personeel;
c. met de rekeninghouder meer dan één g-rekeningovereenkomst is gesloten en de rekeninghouder niet aannemelijk maakt dat het door hem aanhouden van meer dan één g-rekening voor zijn bedrijfsvoering noodzakelijk is;
d. de rekeninghouder in staat van faillissement is verklaard;
e. aan de rekeninghouder surseance van betaling is verleend.
-2. De rekeninghouder en de betrokken kredietinstelling zijn, onverminderd het bepaalde in het vierde lid, bevoegd de g-rekeningovereenkomst eenzijdig, zonder rechterlijke tussenkomst en zonder opgaaf van reden op te zeggen.
-3. De opzegging geschiedt schriftelijk. Zij wordt niet eerder van kracht dan nadat zij aan de overige partijen bij de g-rekeningovereenkomst is bekendgemaakt. De opzegging wordt voorts niet van kracht zolang en voor zover die opzegging een belemmering zou vormen voor de toepassing van het vierde lid.
Na opzegging van de g-rekeningovereenkomst blijft die overeenkomst niettemin van toepassing op het saldo van de desbetreffende g-rekening ten tijde van de opzegging, alsmede op hetgeen nadien op die rekening wordt gestort, één en ander voor zover daardoor geen strijdigheid ontstaat met de gevolgen die rechtens zijn verbonden aan het in staat van faillissement verklaren van de rekeninghouder of het hem verlenen van surseance van betaling.
Een betaling die wordt verricht op een rekening welke oorspronkelijk is geopend ingevolge een g-rekeningovereenkomst doch met betrekking waartoe een opzegging van die overeenkomst van kracht is geworden, wordt niet aangemerkt als een betaling welke in mindering komt op het bedrag aan loonbelasting en - voor zover toepasselijk - omzetbelasting, onderscheidenlijk premie, waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan als bedoeld in de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet, tenzij die betaling deel is gaan uitmaken van het saldo op die rekening of het gedeelte van dat saldo op die rekening waarop, ondanks die opzegging, ingevolge het vierde lid het in artikel 1, tweede lid, onderdeel l, bedoelde pandrecht is komen te rusten.

 

Art. 12. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop de artikelen 16 en 17 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs in werking treden en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot loonbelasting, omzetbelasting en premie waarvoor aansprakelijkheid is ontstaan ingevolge de artikelen 34 van de Invorderingswet en 16a van de Coördinatiewet op of na het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling.

 

Art. 13. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling inlenersaansprakelijkheid.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

De Staatssecretaris van Financiën,
W.A. Vermeend.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.

 

 

 

BIJLAGE

G-rekeningovereenkomst inlenersaansprakelijkheid

 

De ondergetekenden:
- ... (naam), ... (adres, postcode en woon- of vestigingsplaats), ingeschreven in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken te ... onder nummer ..., verder te noemen de rekeninghouder;
- het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, verder te noemen het Uitvoeringsinstituut;
- de ontvanger der rijksbelastingen, verder te noemen de ontvanger;
- de ... (naam van de kredietinstelling), ... (adres, postcode en vestigingsplaats), verder te noemen de kredietinstelling.
Overwegende:
- dat de rekeninghouder inhoudingsplichtige is in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 en als zodanig bij de ontvanger bekend staat onder nummer ... en/of werkgever is in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en als zodanig bij het Uitvoeringsinstituut bekend staat onder nummer ..., en dat de rekeninghouder voor de heffing van omzetbelasting bij de ontvanger bekend staat onder nummer ...;
- dat de rekeninghouder bij de kredietinstelling een rekening wenst te openen, waarvan de saldi, behoudens de in punt 5 van deze overeenkomst voorziene uitzondering, uitsluitend bestemd zijn voor betalingen als bedoeld in de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet 1990 en 16a, vierde lid, van de CSV;
- dat het, teneinde te bewerkstelligen dat de saldi van die rekening daadwerkelijk zullen dienen tot vorenbedoelde betalingen, noodzakelijk is dat de saldi noch door middel van verrekening, noch door middel van beslag, noch anderszins, zullen kunnen worden gebruikt voor andere betalingen dan vorenbedoeld;
- dat het in verband met het vorenstaande noodzakelijk is dat de saldi van die rekening worden verpand aan de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut gezamenlijk.
Zijn overeengekomen als volgt:
1. De rekeninghouder opent hierbij een geblokkeerde rekening (g-rekening) bij de kredietinstelling onder nummer ...... .
2. De rekeninghouder verklaart dat de saldi van de g-rekening hierbij in eerste onderpand worden gegeven aan de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut gezamenlijk voor hetgeen zij nu of te eniger tijd van hem te vorderen hebben of zullen krijgen ter zake van de verschuldigde belasting, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, en aan premie en voorschotpremie als bedoeld in artikel 16a, eerste lid, van de CSV, één en ander voor zover verband houdende met door hem aan derden ter beschikking gestelde werknemers waarvoor hij ingevolge de Wet op de loonbelasting 1964 als inhoudingsplichtige en in verband waarmee hij, voor zover toepasselijk, voor de Wet op de omzetbelasting 1968 als ondernemer wordt aangemerkt en/of waarvoor hij als werkgever in de zin van de CSV wordt aangemerkt, één en ander met dien verstande dat de rente die de kredietinstelling over die saldi vergoedt op een andere rekening van de rekeninghouder zal worden gecrediteerd.
3. De in punt 2 bedoelde verpanding zal geacht worden te zijn geëffectueerd telkens op het moment dat bedragen op de g-rekening worden gecrediteerd.
4. De kredietinstelling verklaart in verband met het vorenstaande afstand te doen van haar recht op verrekening, van pand of enig ander recht dat afbreuk zou kunnen doen aan het ten behoeve van de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut gevestigde pandrecht.
5. Betalingen ten laste van de g-rekening, andere dan die bedoeld in de beweegreden van deze overeenkomst en andere dan terugstortingen als bedoeld in punt 8, zullen slechts geschieden na daartoe ontvangen schriftelijke machtiging van de ontvanger of het Uitvoeringsinstituut.
6. De rekeninghouder verleent hierbij aan de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut gezamenlijk volmacht tot inning van de saldi van de g-rekening alsmede tot verrekening van het aldus geïnde met al hetgeen zij nu of te eniger tijd van hem te vorderen hebben of zullen krijgen ter zake van de in punt 2 bedoelde belasting en premie.
7. De rekeninghouder verplicht zich hierbij tegenover de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut om in geval van faillissement, aanvraag tot surseance van betaling en in het algemeen bij opschorting van zijn betalingen uiterlijk binnen drie dagen mededeling te doen van het saldo van de g-rekening.
8. De rekeninghouder verplicht zich hierbij tegenover de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut om in het geval dat op zijn g-rekening vanaf een andere g-rekening een bedrag wordt gestort, dit bedrag onmiddellijk terug te storten op de g-rekening van de storter, opdat de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut op dit bedrag jegens de storter hun pandrecht kunnen doen gelden. Indien dit laatste niet of niet meer mogelijk is omdat de storter inmiddels in staat van faillissement is verklaard dan wel aan hem surseance van betaling is verleend, verplicht de rekeninghouder zich om, in afwijking in zoverre van de vorige volzin, dat bedrag onder vermelding van de herkomst over te maken aan de ontvanger of het Uitvoeringsinstituut.
9. De rekeninghouder verplicht zich hierbij tegenover de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut om opdrachten tot betaling ten laste van de g-rekening slechts op één aangifte of één belastingaanslag, onderscheidenlijk slechts op één premienota, betrekking te doen hebben.
10. De kredietinstelling verklaart in verband met de in punt 8 omschreven plicht tot terugstorten op de daadwerkelijke terugstortingen punt 4 overeenkomstig te zullen toepassen.
11. In de administratie van de kredietinstelling worden bij betalingen ten gunste van de g-rekening de gegevens vastgelegd zoals deze op de desbetreffende betalingsopdrachten zijn vermeld. Hetzelfde geldt voor de gegevens die bij betalingen ten laste van de g-rekening op de betalingsopdrachten zijn vermeld.
12. De kredietinstelling zal de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut op een afzonderlijk tussen hen overeen te komen wijze regelmatig op de hoogte houden van alle gegevens die op de g-rekening betrekking hebben. De rekeninghouder verklaart zich met deze gegevensuitwisseling akkoord.

Aldus overeengekomen en getekend te ... op ...

De rekeninghouder,

De ontvanger,
voor deze,

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
voor deze,

De kredietinstelling,

 

 

 

TOELICHTING
[17 juni 1998]

 

Algemeen

 

     Met ingang van 1 juli 1998 is, ingevolge de inwerkingtreding van (de artikelen 16 en 17 van) de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi), een herziene regeling van de zogenoemde inlenersaansprakelijkheid (artikelen 34 van de Invorderingswet 1990, hierna Invorderingswet, en 16a van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, hierna Coördinatiewet) van kracht geworden. Artikel 34 van de Invorderingswet heeft betrekking op de loonbelasting en premie volksverzekeringen die is toe te rekenen aan de terbeschikkingstelling van arbeidskrachten door de uitlener aan de inlener, alsmede op de daarmee verband houdende omzetbelasting. Artikel 16a van de Coördinatiewet ziet op de premie werknemersverzekeringen welke wordt vastgesteld en ingevorderd door de namens het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.] optredende uitvoeringsinstelling.
     Een belangrijk element van het nieuwe regime van de inlenersaansprakelijkheid is het bieden van de mogelijkheid aan de aansprakelijke, de inlener, zich tegen het risico van aansprakelijkstelling voor door de uitlener onbetaald gelaten loon- en omzetbelasting, alsmede premie, in te dekken door gebruik te maken van het zogeheten g-rekeningenstelsel. Dat houdt in dat, naast het naleven van enkele administratieve voorwaarden, het voor de voldoening van de loon- en omzetbelasting, onderscheidenlijk premie bestemde gedeelte van het ter zake van de uitlening van het personeel door de uitlener aan de inlener in rekening te brengen bedrag wordt gestort op de g-rekening van de uitlener. Tot het beloop van het aldus gestorte bedrag verkrijgt de inlener dan (mits geen sprake is van malafiditeit als bedoeld in de artikelen 34, vierde lid, van de Invorderingswet en 16a, vijfde lid, van de Coördinatiewet) een wettelijke vrijwaring van zijn aansprakelijkheid. Dat is neergelegd in de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet. Artikel 34, zesde lid, van de Invorderingswet en artikel 16a, tiende lid, van de Coördinatiewet voorzien in een nadere regeling van één en ander bij ministeriële regeling. De onderhavige regeling geeft daaraan uitvoering.
     Aan het nieuwe regime van de inlenersaansprakelijkheid ligt de gedachte ten grondslag dat het nieuwe regime zoveel mogelijk dient overeen te komen met de bestaande wettelijke regeling van de zogenoemde ketenaansprakelijkheid (artikelen 35 van de Invorderingswet en 16b van de Coördinatiewet). In de eerste plaats omdat zich in de praktijk nogal wat gevallen voordoen waarbij de scheidslijn tussen het uitlenen van arbeidskrachten en het aannemen van werk moeilijk te ontwaren is. In de tweede plaats om een gekunstelde etikettering van overeenkomsten als uitleen- of aannemingsovereenkomsten te voorkomen. In de derde plaats om de niet geringe uitvoeringslasten die de bestrijding van dergelijke gekunstelde etiketteringen meebrengt te voorkomen. Het ligt daarom voor de hand de nadere regelgeving rond het gebruik van de g-rekening ten behoeve van de inlenersaansprakelijkheid, afgezien van de noodzakelijke aanpassing van terminologie, in beginsel te ontlenen aan de bestaande voor de ketenaansprakelijkheid bij ministeriële regeling gegeven uitvoeringsvoorschriften [zie Uitvoeringsregeling ketenaansprakelijkheid premie werknemersverzekeringen, red.].
     Afgezien van twee in de parlementaire geschiedenis van het nieuwe regime van de inlenersaansprakelijkheid (artikelen 16 en 17 van de Waadi, Kamerstukken II 1996-1997, 25 264) onderkende verschillen tussen de inleners- en de ketenaansprakelijkheid - de inlenersaansprakelijkheid ziet ook op omzetbelasting en het zogenoemde doorstorten van gelden van de ene g-rekening naar de andere is bij de inlenersaansprakelijkheid niet toegestaan - wordt zowel in vorengenoemde wetsartikelen als in de voorliggende regeling nog op een aantal andere, voor het bedrijfsleven zeer belangrijke, punten afgeweken van de bestaande wettelijke regeling van het g-rekeningenregime in het kader van de ketenaansprakelijkheid.
     De mogelijkheid door middel van het gebruik van de g-rekening het aansprakelijkheidsrisico van de inlener af te dekken, is in de nieuwe wettelijke regeling van de inlenersaansprakelijkheid ontleend aan het voorstel van wet tot wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en de Invorderingswet 1990 in verband met de invoering van de opdrachtgeversaansprakelijkheid en de kopersaansprakelijkheid in de confectiesector en invoering van een vrijwaringsregeling in de ketenaansprakelijkheid (Kamerstukken II 1996-1997, 25 035, nr. 2; hierna: wetsvoorstel Opdrachtgeversaansprakelijkheid). In dat wetsvoorstel wordt voorzien in een wettelijke vrijwaring van de aansprakelijke aannemer die bonafide is, tot het beloop van de door hem op de g-rekening van zijn onderaannemer gestorte gelden. Dat brengt mee dat, anders dan onder de oude regeling het geval was, de aannemer niet langer behoeft in te staan voor hetgeen de onderaannemer doet of nalaat met de op zijn g-rekening gestorte gelden. Overgebracht naar de inlenersaansprakelijkheid betekent dit dat de bonafide inlener van arbeidskrachten zich tot het beloop van zijn stortingen op de g-rekening van de uitlener wettelijk van aansprakelijkheid wordt gevrijwaard.
     In de tweede plaats zijn de zogeheten administratieve voorschriften rond het gebruik van de g-rekening grotendeels herzien. De in verband met de invoering van de inlenersaansprakelijkheid nieuwe stijl noodzakelijke aanpassing van of aanvulling op de bestaande uitvoeringsvoorschriften rond het gebruik van de g-rekening is namelijk tevens aanleiding geweest na te gaan in hoeverre het mogelijk is te komen tot een duidelijker en aan de ontwikkeling van de administratieve technieken aangepaste, waar mogelijk ook eenvoudiger regeling van die administratieve voorwaarden. Formeel gelden die herziene voorwaarden vooralsnog alleen voor de inlenersaansprakelijkheid; ze vormen echter tevens het model voor de herziening van de administratieve voorwaarden rond het gebruik van de g-rekening in het kader van de ketenaansprakelijkheid en de opdrachtgeversaansprakelijkheid.
     Tot nu toe waren de uitvoeringsvoorschriften rond het gebruik van de g-rekening, slechts betrekking hebbend op de ketenaansprakelijkheid, opgenomen in een drietal regelingen, te weten hoofdstuk IV van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, het G-rekeningenbesluit 1991 en de Regeling van 26 mei 1982 (Stcrt. 1982, 107), houdende administratievoorschriften bij onderaanneming. Thans is gekozen voor het uitgangspunt de nieuwe voorschriften omtrent het functioneren van de g-rekening voortaan neer te leggen in één gezamenlijke van Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid uitgaande uitvoeringsregeling. De eerste tranche daarvan heeft zijn beslag gekregen in de onderhavige Uitvoeringsregeling inlenersaansprakelijkheid. Het ligt in de bedoeling om, zodra het wetsvoorstel Opdrachtgeversaansprakelijkheid tot wet is verheven en in werking treedt, de onderhavige regeling formeel uit te breiden tot de ketenaansprakelijkheid alsmede tot de opdrachtgeversaansprakelijkheid in de confectiesector. De genoemde drie bestaande regelingen kunnen dan vervallen.
     In de voorgaande alinea is sprake van het formeel uitbreiden van het bereik van deze regeling tot de ketenaansprakelijkheid. Dat houdt ook verband met het door de Belastingdienst voorgenomen uitvoeringsbeleid waarin materieel reeds met ingang van 1 juli 1998 de onderhavige regeling ook (voor zoveel nodig: overeenkomstig) zal worden toegepast met betrekking tot de ketenaanaansprakelijkheid. De Belastingdienst acht het namelijk passend in zoverre ten gunste van het betrokken bedrijfsleven vooruit te lopen op de totstandkoming van de wettelijke vrijwaringsregeling voor de ketenaansprakelijkheid en een vereenvoudiging van de zogenoemde administratieve voorwaarden ter zake, nu er naar de opvatting van die dienst geen redenen zijn de desbetreffende aansprakelijken de voordelen van de nieuwe opvattingen ter zake te onthouden. Zo zal dan feitelijk van aannemers en onderaannemers niet meer worden gevergd dat de zogenoemde overmakingsovereenkomsten schriftelijk dienen te worden gesloten en dat in de overeenkomsten alle thans voor dergelijke overeenkomsten wettelijk voorgeschreven details moeten worden opgenomen. Vorm en inhoud van de overmakingsovereenkomst worden aan partijen overgelaten. Zo zal ook reeds de facto vrijwaring worden verleend aan de bonafide aannemer tot het beloop van de door hem op de g-rekening van de onderaannemer gestorte bedragen indien voldaan wordt - overeenkomstig toegepast - aan de in de onderhavige regeling opgenomen administratieve voorwaarden. Hiermede wordt ook recht gedaan aan het uitgangspunt dat het regime van de inlenersaansprakelijkheid - om de hiervoor aangegeven redenen - zoveel mogelijk hetzelfde dient te zijn als het regime voor de ketenaansprakelijkheid. Ook beperkt het de uitvoeringslasten, zowel voor het bedrijfsleven als voor de uitvoeringsinstanties, als er in beginsel gelijke regels gelden voor beide typen van aansprakelijkheid. Verder bestaat er in brede kring steun voor de verbetering van de vrijwaringsmogelijkheden voor de aannemers in het kader van de ketenaansprakelijkheid.
     De inwerkingtreding van de Waadi per 1 juli 1998 en de in dat kader ingevoerde Uitvoeringsregeling inlenersaansprakelijkheid hebben ook betekenis voor de regelingen die bestaan met betrekking tot de ketenaansprakelijkheid. Het huidige G-rekeningenbesluit 1991 van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal worden aangepast in die zin dat de - vereenvoudigde en gemoderniseerde - administratieve voorschriften die in de Uitvoeringsregeling inlenersaansprakelijkheid zijn opgenomen, ook zullen gaan gelden voor het gebruik van een g-rekening in het kader van de ketenaansprakelijkheid.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1. Reikwijdte en begripsbepalingen

     De begripsbepalingen in de onderdelen a tot en met k van artikel 1, tweede lid, zijn overwegend van technische aard. Enkele onderdelen verdienen nadere toelichting.
     Naar aanleiding van onderdeel h wijzen wij erop dat, zoals uit de verdere tekst van deze regeling, daaronder begrepen die van de in de bijlage bij deze regeling opgenomen g-rekeningovereenkomst, tot uitdrukking komt, het Lisv het bestuursorgaan is dat formeel verantwoordelijk is voor de uitvoering van de wettelijke regelingen waarop de Coördinatiewet van toepassing is alsmede voor de toepassing van de Coördinatiewet als zodanig. De daaraan verbonden bevoegdheden en verplichtingen worden ingevolge de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 krachtens een daartoe door het Lisv verstrekt mandaat feitelijk uitgeoefend, respectievelijk nageleefd, door de uitvoeringsinstelling die krachtens genoemde wet is belast met de uitvoeringswerkzaamheden voor de sector waarbij de betrokken werkgevers zijn aangesloten [zie Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, red.].
     Een tweede punt heeft betrekking op de onderdelen i (loonbelasting en premie volksverzekeringen) en j (omzetbelasting). Hoewel ingevolge artikel 32, tweede lid, van de Invorderingswet de aansprakelijkheid van de inlener zich onder omstandigheden mede kan uitstrekken tot in te vorderen bedragen die verband houden met de belasting waarvoor aansprakelijkheid geldt, te denken valt in casu aan door de hoofdschuldenaar verschuldigd geworden heffings- en invorderingsrente, vallen dergelijke nevenschulden buiten het bereik van de wettelijke vrijwaringsregeling door storting op de g-rekening. De inlener kan immers voor die heffings- of invorderingsrente slechts aansprakelijk worden gesteld voor zover het belopen van die heffings- of invorderingsrente aan hem te wijten is. Het zou dan ook onjuist zijn een inlener die een dergelijk verwijt kan worden gemaakt in staat te stellen zich tegen de gevolgen van dat verwijtbaar gedrag te kunnen indekken door storting van gelden op de g-rekening van de uitlener. Bestuurlijke boeten spelen hier geen rol omdat die ingevolge de artikelen 34 van de Invorderingswet en 16a van de Coördinatiewet uitdrukkelijk buiten de inlenersaansprakelijkheid zijn gehouden.
     Onderdeel l werkt uit wat een g-rekening is en met welk doel een dergelijke rekening wordt geopend. Tevens wordt in dat onderdeel vastgelegd dat er op de saldi van die rekening een pandrecht rust ten behoeve van de ontvanger en het Lisv gezamenlijk. Onderdeel m geeft aan dat aan het openen van een g-rekening een vierpartijenovereenkomst ten grondslag ligt, namelijk een overeenkomst tussen de uitlener, de ontvanger, het Lisv en de door de uitlener aangezochte kredietinstelling. Dit komt overeen met hetgeen voorheen reeds gold en ook thans geldt voor de ketenaansprakelijkheid.

 

Artikel 2. Voorwaarden medewerking totstandkoming g-rekeningovereenkomst

     Artikel 2 bevat naast het voorschrift dat de uitlener de ontvanger en het Lisv schriftelijk moet verzoeken om medewerking te verlenen aan het tot stand komen van een g-rekeningovereenkomst ook een belangrijke beperking: niet elke uitlener mag de beschikking krijgen over een g-rekening. Alleen de professionele uitzendonderneming die haar bedrijf uitsluitend of nagenoeg uitsluitend maakt van het tegen vergoeding uitlenen van personeel, zal daarover de beschikking mogen krijgen. Hoewel wij begrip hebben voor de behoeften van ondernemers en ondernemingen die niet aan dat criterium kunnen voldoen, hebben we de wenselijkheid oneigenlijk gebruik van de g-rekening te voorkomen zwaarder laten wegen. Naarmate er minder g-rekeningen zijn, is er in zijn algemeenheid ook minder gelegenheid tot oneigenlijk gebruik. Door het aantal in het kader van de inlenersaansprakelijkheid te openen g-rekeningen beperkt te houden, blijft tevens de mogelijkheid aanwezig een redelijke mate van toezicht te houden op het gebruik van dergelijke g-rekeningen. Zou deze beperking niet worden aangebracht, zou elke ondernemer of onderneming die op verhoudingsgewijs beperkte schaal personeel uitleent, de beschikking kunnen krijgen over een g-rekening en zou het g-rekeningenstelsel al snel onbeheersbaar worden, zoals dat in de jaren ’80 is gebeurd.
     Wij wijzen er overigens op dat dit niet met zich meebrengt dat de cliënten van de ondernemers of ondernemingen die op verhoudingsgewijs beperkte schaal personeel uitlenen, van elke mogelijkheid tot afdekking van het aansprakelijkheidsrisico zouden zijn uitgesloten. Men kan namelijk gebruik maken van de mogelijkheid de voor voldoening van loonbelasting en - voor zover toepasselijk - omzetbelasting alsmede van premie bestemde gelden rechtstreeks te storten bij de ontvanger, respectievelijk bij de namens het Lisv werkzame uitvoeringsinstelling voor de sociale verzekeringen.
     Uit het slot van artikel 2 blijkt dat de ondernemer of onderneming die niet de hoedanigheid bezit van een professionele uitzendonderneming maar, naar redelijkerwijs mag worden aangenomen, op korte termijn die hoedanigheid zal verwerven, het gaat bijvoorbeeld om een startende ondernemer, eveneens de medewerking van de ontvanger en het Lisv zal krijgen om een g-rekening te openen. Deze regel komt overeen met die welke thans reeds in het kader van de ketenaansprakelijkheid wordt gehanteerd.
     Overeenkomstig de bestaande regels in het kader van de ketenaansprakelijkheid komen in het kader van de inlenersaansprakelijkheid slechts die ondernemers en ondernemingen voor de opening van een g-rekening in aanmerking die zelf ter zake van het door het betrokken personeel genoten loon inhoudingsplichtige zijn voor de loonbelasting of werkgever in de zin van de Coördinatiewet en uit dien hoofde gehouden tot voldoening van de door het Lisv te innen premie. Een ondernemer of rechtspersoon zonder eigen personeel komt dus niet in aanmerking voor het verkrijgen van een g-rekening.

 

Artikel 3. Weigering medewerking

     Artikel 3 bevat de regel, overeenkomstig hetgeen geldt voor de ketenaansprakelijkheid, dat de ontvanger en het Lisv hun medewerking aan het openen van een g-rekening weigeren als de uitlener al een g-rekening heeft, tenzij deze aannemelijk maakt dat het gebruik maken van meer dan één g-rekening voor zijn bedrijfsvoering noodzakelijk is (onderdeel a), alsmede in het geval gegronde vrees bestaat dat onjuist gebruik van de g-rekening zal worden gemaakt (onderdeel b).
     In onderdeel a ligt besloten dat het niet in alle gevallen uitgesloten is dat een ondernemer (of onderneming) over meer dan één g-rekening beschikt. Dit in afwijking van de in het kader van de ketenaansprakelijkheid in 1991 ter beteugeling van oneigenlijk gebruik van g-gelden ingevoerde hoofdregel dat een ondernemer over niet meer dan één g-rekening diende te beschikken. Toen is echter tevens voorzien in een met artikel 3, onderdeel a, overeenkomende uitzonderingsmogelijkheid omdat het in de praktijk nogal eens voorkomt dat het bedrijf van een ondernemer feitelijk is gesplitst in verschillende zelfstandig opererende bedrijfsonderdelen. Voor zover het aannemelijk is dat een dergelijke splitsing - en in het verlengde daarvan het beschikken over een g-rekening per bedrijfsonderdeel - functioneel is en uit bedrijfseconomisch oogpunt voor de betrokken ondernemer geboden, hetgeen deze ondernemer of onderneming aannemelijk zal moeten maken, kan ingestemd worden met het aanhouden van meer dan één g-rekening per ondernemer.
     Het weigeren van de medewerking aan het openen van een g-rekening, bedoeld in onderdeel b, berust op de gegronde vrees dat er van de g-rekening onjuist gebruik zal worden gemaakt. Of van gegronde vrees sprake is, zal voor elk individueel geval aan de hand van feiten en omstandigheden beoordeeld moeten worden. Te denken valt niet alleen aan door de aanvrager reeds eerder gepleegde fraude of misbruik of oneigenlijk gebruik met betrekking tot belastingen of premies, maar ook aan situaties waarin bepaalde beleidsbepalende personen actief zijn in een onderneming terwijl zij eerder actief waren in een andere onderneming waarvan de g-rekening wegens onjuist gebruik daarvan is opgezegd.

 

Artikel 4. Bewaren g-rekeningovereenkomst

     Artikel 4 geeft een regeling voor het bewaren van het origineel van de g-rekeningovereenkomst en de verstrekking van een kopie daarvan aan de andere bij de g-rekeningovereenkomst betrokken partijen. Deze regeling komt qua strekking overeen met de bestaande regeling in het kader van de ketenaansprakelijkheid. Op één punt is zij vollediger dan die bestaande regeling, namelijk in die zin dat bewaring plaatsvindt zolang de g-rekening blijft bestaan. Voor het overige heeft modernisering door aanpassing aan de hedendaagse administratieve techniek plaatsgevonden. De betrokken kredietinstelling heeft de keuze de op schrift gestelde g-rekeningovereenkomst als zodanig te bewaren of gebruik te maken van de mogelijkheid om, overeenkomstig hetgeen ter zake in artikel 52, vijfde en zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is geregeld, een dergelijk bescheid om te zetten in een vastlegging op een elektronische gegevensdrager (bijvoorbeeld op een harde schijf [cd-rom, red.] of een diskette). Het vijfde lid van dat artikel bevat de bevoegdheid gegevens van de ene gegevensdrager over te zetten op een andere gegevensdrager; het zesde lid verbindt daaraan de eisen dat controle daarvan binnen een redelijke termijn mogelijk moet zijn en dat de betrokkene de in dat kader benodigde medewerking behoort te verlenen. In artikel 4 wordt een termijn van zeven jaren gehanteerd in plaats van de voorheen geldende termijn van tien jaren, in overeenstemming met de Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en van enige andere wetten in verband met de verkorting van de bewaartermijn van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers (Stb. 1998, 184) (tijdstip van inwerkingtreding 1 juni 1998). Die termijnverkorting geldt zowel voor de civielrechtelijke als voor de fiscale administratie- en bewaarplicht. De bewaartermijn van zeven jaren is de minimumbewaartermijn, welke begint te lopen op het tijdstip waarop de g-rekeningovereenkomst perfect is geworden (door ondertekening door alle partijen) en die ook geldt indien gedurende die zeven jaren de g-rekening wordt opgeheven. Blijft de g-rekening langer dan zeven jaren in stand, dan dient het originele exemplaar van de overeenkomst dan wel de op een elektronische gegevensdrager vastgelegde inhoud van de overeenkomst bewaard te blijven zolang die rekening in stand blijft.

 

Artikel 5. Vereisten vrijwarende betaling

     Artikel 5 bevat de administratieve voorwaarden voor het verkrijgen van wettelijke vrijwaring door storting op de g-rekening. Blijkens de aanhef is het artikel, zoals dat ook geldt voor alle andere bepalingen in deze regeling, vooralsnog alleen van toepassing op de inlenersaansprakelijkheid. Voor de in het artikel opgenomen voorschriften is enerzijds aansluiting gezocht bij de huidige wettelijke regeling inzake het gebruik van de g-rekening in het kader van de ketenaansprakelijkheid. Anderzijds is bij het ontwerpen van de onderhavige regeling gestreefd naar administratieve lastenverlichting voor het bedrijfsleven. Dit door vereenvoudiging waar mogelijk, verduidelijking waar dat gewenst leek, en modernisering door middel van een aanpassing aan de moderne administratietechniek.
     Een vereenvoudiging vloeit in de eerste plaats voort uit het feit dat vorenbedoelde administratieve voorwaarden volledig zijn opgenomen in artikel 5 van de onderhavige regeling in plaats van in de hiervoor in het algemeen deel van deze toelichting genoemde drie regelingen.
     In de tweede plaats is er, vergeleken met hetgeen thans nog geldt voor de ketenaansprakelijkheid, sprake van een vereenvoudiging en verlichting van de administratieve voorwaarden, doordat die voorwaarden zich voortaan uitsluitend richten tot de aansprakelijke, in deze regeling vooralsnog alleen de inlener. Zo is het verkrijgen van vrijwaring door de aansprakelijke niet langer afhankelijk van het al dan niet voldoen door de hoofdschuldenaar, in casu de uitlener, aan diens verplichting tot het verrichten van betalingen ten laste van de g-rekening aan de ontvanger of het Lisv. Dit aspect is een logisch uitvloeisel van de opzet van de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet waarbij de bonafide inlener niet hoeft in te staan voor de handelingen van de uitlener, voor wiens belasting- en premieschuld aansprakelijkheid bestaat. De aansprakelijke, de inlener, is weliswaar tot op zekere hoogte afhankelijk van de medewerking van de belastingschuldige of tot betaling van premie gehouden werkgever in de zin van de Coördinatiewet, voor wiens loon- en omzetbelasting- of premieschuld de aansprakelijkheid bestaat, maar deze medewerking is echter van bescheiden omvang (vermelding van enkele aanvullende gegevens op de factuur voor de inlener), hetgeen slechts nieuw is voor zover die gegevens daarop niet reeds werden vermeld en zal zonder veel bezwaar door de inlener contractueel kunnen worden bedongen van de uitlener.
     In de thans nog voor de ketenaansprakelijkheid geldende wettelijke regeling is een schriftelijke overmakingsovereenkomst tussen aannemer en onderaannemer vereist, gepaard gaande aan gedetailleerde voorschriften omtrent de inhoud van die overeenkomst. In de onderhavige regeling - dit is het derde punt van vereenvoudiging (en modernisering) - wordt het geheel aan de betrokken partijen overgelaten in welke vorm een dergelijke overeenkomst wordt gegoten en wat de inhoud daarvan zal zijn. Zo kan in plaats van een schriftelijke overeenkomst bijvoorbeeld de overeenkomst in de vorm van een elektronisch bericht worden gegoten, kan de overeenkomst blijken uit een eenzijdige vastlegging van een mondeling aangegane overeenkomst, kan splitsing plaatsvinden tussen een kaderovereenkomst met aanvullingen per individuele prestatie, etc. Daarbij hoeft niet meer vastgelegd te worden dan voor een effectieve controlemogelijkheid voor de fiscus en het Lisv noodzakelijk is.
     Een vereenvoudiging, tevens verlichting van administratieve lasten ten opzichte van het bestaande wettelijke regime voor de ketenaansprakelijkheid, is voorts het schrappen van een aantal gedetailleerde voorschriften omtrent de gegevens welke de aansprakelijke, in casu de inlener, dient te vermelden op opdrachten tot betaling op de g-rekening van de hoofdschuldenaar, in casu de uitlener.
     Hetzelfde geldt voor betalingen door de rekeninghouder, in casu de uitlener, vanaf de g-rekening aan de ontvanger of het Lisv. Deels leidt de letterlijke toepassing van dergelijke voorschriften in de praktijk tot problemen. Deels passen ze ook niet in de nieuwe opzet van de vrijwaringsregelingen in de keten- en in de inlenersaansprakelijkheid, namelijk voor zover ze niet gericht zijn tot de aansprakelijke, in casu de inlener, maar tot de hoofdschuldenaar van de belasting en van de premie, in casu de uitlener, voor wiens belasting- en premieschuld aansprakelijkheid bestaat. In de derde plaats voegen ze niets toe aan hetgeen reeds uit de civielrechtelijke regels inzake de betaling van een geldschuld voortvloeit. Volstaan kan worden met de in artikel 5 neergelegde vereisten.
     Krachtens artikel 5, onderdeel a, worden aan die factuur - hier de factuur waarop de door de uitlener aan de inlener verrichte prestatie alsmede de ter zake verschuldigde omzetbelasting in rekening wordt gebracht - in aanvulling op het in onderdeel a bepaalde enige aanvullende eisen gesteld; eisen die overigens slechts nieuw zijn voor zover in de praktijk de vermelding van de desbetreffende gegevens nog niet is voorzien. Verlangd wordt dat die factuur voldoet aan de eisen die de Wet op de omzetbelasting 1968 daaraan stelt, alsmede de vermelding bevat van enige aanvullende gegevens.
     De eisen die de Wet op de omzetbelasting 1968 stelt, zijn met name neergelegd in artikel 35 van die wet. Onderdeel a van artikel 5 komt overeen met artikel 35 van de Wet op de omzetbelasting 1968 in zoverre dat in de aanhef van het eerste lid van genoemd artikel 35 ook wordt voorgeschreven dat een factuur genummerd is. Artikel 5, onderdeel a, vraagt echter, voor het geval factuurnummers onvoldoende onderscheidend zijn, bovendien een aanvullend identificerend gegeven, zoals een debiteurennummer, een nummer dat in de praktijk al veelal wordt toegepast. Onderdeel b houdt in dat ook de overige door de Wet op de omzetbelasting 1968 aan facturen gestelde eisen in de onderhavige regeling zelfstandig worden gesteld ten behoeve van de handhaving van de inlenersaansprakelijkheid. Voor zover facturen in de praktijk deze gegevens nog niet bevatten, wordt in dit onderdeel verlangd dat die facturen een vermelding bevatten van het tijdstip waarop de desbetreffende overeenkomst van in- en uitlening van personeel is gesloten, van het eventuele nummer of ander kenmerk van die overeenkomst en van het tijdvak of tijdvakken waarin de prestaties in kwestie zijn geleverd (bij in termijnen te leveren prestaties: het tijdvak waarin het gefactureerde gedeelte van de prestatie is voldaan). Wat betreft de vraag wanneer de gefactureerde prestatie is verricht, wordt, gezien de aard van de belasting- en premieschulden, in afwijking in zoverre van genoemd artikel 35, eerste lid, onderdeel a, niet de vermelding gevraagd van de dag waarop de prestatie is verricht, maar van het tijdvak of de tijdvakken waarin de prestatie is verricht. Ook moet vermeld worden het tijdstip waarop de onderliggende overeenkomst is gesloten en, zo aanwezig, het nummer of kenmerk van die overeenkomst.
     Onderdeel b van artikel 5 stelt aan de aansprakelijke inlener de voorwaarde dat zijn betaling op de g-rekening van de uitlener vergezeld gaat van de vermelding van het factuurnummer en, voor zover dit nummer onvoldoende onderscheidend is om die factuur snel in de administratie van de inlener terug te vinden en foutloos de verbinding te leggen met de juiste uitlener in elk concreet geval van inlening van personeel, een aanvullend onderscheidend kenmerk. Daarbij is met name gedacht aan een debiteurennummer. Hoewel in de bestaande wettelijke regeling van de ketenaansprakelijkheid niet over de factuur wordt gesproken, vormt deze van meet af aan een belangrijk aanknopingspunt voor de toepassing van de ketenaansprakelijkheid. De factuur vormt immers de belangrijkste verbinding tussen de aansprakelijke, in casu de inlener, en de hoofdschuldenaar van de belasting en de premie, in casu de uitlener, omdat daaruit blijkt in hoeverre die hoofdschuldenaar daadwerkelijk bepaalde prestaties heeft geleverd aan de aansprakelijke. Dat geldt al geruime tijd voor de ketenaansprakelijkheid. Hetzelfde is komen te gelden in de inlenersaansprakelijkheid voor de factuur van de uitlener aan de inlener inzake de door de eerste aan de laatste ter beschikking gestelde arbeidskrachten. Bij de handhaving van de inlenersaansprakelijkheid kan dan ook, overeenkomstig de door het bedrijfsleven gedane suggestie, een centrale rol aan de factuur worden toegekend.
     Onderdeel c van artikel 5 ziet op de administratie van de inlener. Zoals feitelijk ook thans reeds het geval is met betrekking tot de ketenaansprakelijkheid steunen de ontvanger en het Lisv bij de handhaving van aansprakelijkheidsregelingen in verregaande mate op de administratie van met name de aansprakelijke, in casu de inlener. De aansprakelijke heeft in het algemeen zelf al de behoefte te beschikken over een goede administratie waaruit onder meer snel kenbaar is welke fiscale verplichtingen hij heeft en ter voldoening aan de civielrechtelijke administatie- en bewaarverplichting. Afgezien daarvan dient de administratie van de aansprakelijke tevens te voldoen aan de eisen die artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen daaraan stelt. De in dat artikel opgenomen administratieplicht (zie het derde lid van genoemd artikel 52) omvat mede hetgeen krachtens andere belastingwetten wordt bijgehouden, aangetekend of opgemaakt, zoals voor de loonbelasting en voor de omzetbelasting. In de praktijk zullen de administraties van de inleners dan ook veelal reeds zodanig zijn ingericht en zullen die administraties zodanig worden gevoerd dat een onderzoek in het kader van de inlenersaansprakelijkheid goed uitvoerbaar is. Omdat vorengenoemd artikel 52 tamelijk abstract is, is in onderdeel c van artikel 5 op enkele punten nader uitgewerkt aan welke eisen de administratie van een inlener moet voldoen in het kader van de toepassing van de inlenersaansprakelijkheid. De administratie van de inlener dient zodanig te zijn ingericht en zodanig te worden gevoerd dat daarin bij controle terstond of vrijwel terstond kan worden teruggevonden de (inhoud van) de overeenkomst krachtens welke de uitlener de gefactureerde prestatie heeft geleverd (artikel 5, onderdeel c, onder 1º). Eveneens moeten in de administratie van de inlener terstond of vrijwel terstond kunnen worden teruggevonden, zo volgt uit artikel 5, onderdeel c, onder 2º, de gegevens inzake de nakoming van die overeenkomst, met inbegrip van, naar de eisen van het bedrijf van de aansprakelijke, een registratie van de personen die zijn ingeleend en van de dagen waarop en de uren gedurende welke die personen werkzaamheden hebben verricht in verband waarmee voor de inlener aansprakelijkheid bestaat ingevolge de artikelen 34 van de Invorderingswet en 16a van de Coördinatiewet. De goede toegankelijkheid van de administratie, zoals hiervoor bedoeld, dient ten slotte, zo bepaalt artikel 5, onderdeel c, onder 3º, van deze regeling, eveneens te gelden voor de betalingen die in verband met de nakoming van de overeenkomst in kwestie aan de uitlener zijn gedaan. Tot laatstbedoelde betalingen behoren de betalingen die de inlener in verband met één en ander op de g-rekening van de uitlener heeft verricht.
     Het element "naar de eisen van het bedrijf van de inlener" in artikel 5, onderdeel c, onder 2º, vormt een nuancering ten gunste van het bedrijfsleven van de verplichting tot het voeren van de zogenoemde schaduwloonadministratie door inleners (artikel 16a, achtste lid, in verbinding met artikel 10 van de Coördinatiewet). Deze verplichting houdt in dat de aansprakelijke een administratie dient te voeren aan de hand waarvan het door de ingeleende arbeidskracht genoten loon kan worden vastgesteld (een gelijke verplichting geldt in de ketenaansprakelijkheid ook voor aannemers). Een volstrekt letterlijke toepassing daarvan is in de praktijk niet goed mogelijk. Wel kan worden verlangd, zoals nu is uitgewerkt in artikel 5, onderdeel c, van deze regeling, dat er goede aanknopingspunten in de administratie van de aansprakelijke aanwezig zijn om tot een verantwoorde toerekening te komen van het bedrag aan loonbelasting en - voor zover toepasselijk - omzetbelasting en aan premie, aan de concrete gevallen van inlening van arbeidskrachten. Wat men in concreto kan eisen - en dat is de strekking van de woorden "naar de eisen van het bedrijf" - is mede afhankelijk van hetgeen gezien de omvang en aard van de onderneming van de individuele inlener kan worden gevergd. Van een onderneming met een verfijnde verregaand geautomatiseerde administratie, hetgeen veelal een grote onderneming zal zijn, mag in het algemeen meer worden verwacht dan van een kleine zelfstandige. Een met de vorengenoemde nuancering overeenstemmend element is ook te vinden zowel in de thans geldende civielrechtelijke administratieplicht (artikel 2:10, eerste lid, BW) als in de fiscale administratieplicht (artikel 52, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen).
     Nu (steunend op de delegatie in de artikelen 34, zesde lid, van de Invorderingswet en 16a, tiende lid, van de Coördinatiewet) in de onderhavige uitvoeringsregeling op adequate wijze is vastgelegd welke eisen kunnen worden gesteld aan de administratie van de aansprakelijke, in casu de inlener, is de verwijzing in artikel 16a van de Coördinatiewet naar artikel 10 van die wet overbodig geworden. Het ligt in de bedoeling de tekst van genoemd artikel 16a te gelegener tijd daaraan aan te passen.

 

Artikel 6. Bescherming te goeder trouw zijnde inlener

     Een voor inlenende ondernemers en organisaties gunstige regeling is opgenomen in artikel 6. Deze voorziening is opgenomen om te voorkomen dat een bonafide inlener die arbeidskrachten inleent van een ondernemer die, naar de inlener redelijkerwijs mocht aannemen, eigen werknemers ter beschikking heeft gesteld aan de inlener, hoewel dat in werkelijkheid niet zo is (feitelijk is dus sprake van doorlening) benadeeld zou kunnen worden door de door deze ondernemer opgewekte schijn. Dit terwijl de inlener in goed vertrouwen gelden heeft gestort op de aan zijn wederpartij (al dan niet uit anderen hoofde) ter beschikking staande g-rekening. Bijvoorbeeld in de volgende situatie. Een inlener heeft regelmatig personeel ingeleend van een bepaalde uitzendonderneming waarbij het altijd ging om eigen personeel van die uitlener. In dat kader werd ook gebruik gemaakt van de aan de uitzendende onderneming behorende g-rekening. Op een bepaald moment doet zich vervolgens een piek voor in de afzet van uitzenddiensten waaraan de uitzendende onderneming niet geheel met eigen personeel kan voldoen. In verband daarmee leent die uitzendonderneming van een ander uitzendbureau personeel in en stelt dat ter beschikking van de inlener in kwestie (doorlening), zonder die inlener daarvan op de hoogte te stellen (de uitzendende onderneming wekt dus de schijn de werkgever van laatstbedoelde uitzendkrachten te zijn). De (uiteindelijke) inlener weet dat niet en behoeft dat dan ook niet te weten. Die inlener zou dan zonder de bescherming van artikel 6 de dupe worden van de valse pretenties, althans de onzorgvuldigheid, van zijn wederpartij omdat stortingen op de g-rekening van een doorlener in principe geen vrijwaring kunnen opleveren. Dit volgt uit de bewoordingen van de artikelen 34, eerste en derde lid, van de Invorderingswet en 16a, eerste en vierde lid, van de Coördinatiewet. Daar is de term uitlener gereserveerd voor degene die inhoudingsplichtige is voor de loonbelasting en werkgever in de zin van de Coördinatiewet en niet voor de doorlener en wordt uitsluitend aan stortingen op de g-rekening van de uitlener wettelijke vrijwaring van aansprakelijkheid verbonden. Ingevolge artikel 6 worden de stortingen op de g-rekening van de doorlener in bovengeschetste omstandigheden gelijkgesteld met stortingen op de g-rekening van de uitlener.
     Wij wijzen er nog op dat artikel 6 voor de betrokken inlener een te zijnen gunste geformuleerde uitzondering is op de in de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet. In een voorkomend geval moet dus die inlener de toepasselijkheid van artikel 6 stellen en aannemelijk maken.

 

Artikel 7. Doorstorting

     Aan het "verbod" tot doorstorting van g-gelden in het kader van de inlenersaansprakelijkheid wordt gestalte gegeven in artikel 7. Om onjuist gebruik van de g-rekening in het kader van de inlenersaansprakelijkheid tegen te gaan, dient, zo is toegelicht in de memorie van toelichting op wetsvoorstel Waadi (Kamerstukken II 1996-1997, 25 264, nr. 3, blz. 10-11), degene die niet zijn eigen personeel uitleent maar in feite optreedt als intermediair (doorlener) - door de door hem ingeleende arbeidskrachten op zijn beurt weer uit te lenen aan een ander - niet gefacilieerd te worden door de opening van een nieuwe of het gebruik van een bestaande in verband met aanneming van werk tot stand gebrachte g-rekening, waarop hij gelden kan ontvangen van de uiteindelijke inlener om die gelden vervolgens door te storten naar de ontvanger en het Lisv. Met het oog daarop bewerkstelligt artikel 7 dat in alle gevallen waarin betalingen ten laste van een g-rekening worden gedaan op een andere g-rekening - wanneer dus doorstorting van g-geld plaatsvindt - die betalingen niet in aanmerking kunnen komen als vrijwarende storting in de zin van de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet. Het is dit aspect van de onderhavige regeling dat wel wordt aangeduid als het verbod tot doorstorting. Eén en ander betekent overigens niet dat degene die arbeidskrachten inleent van een doorlener, geen mogelijkheid zou hebben zich in te dekken tegen de inlenersaansprakelijkheid. Daarvoor staan twee wegen open. In de eerste plaats kan de uiteindelijke inlener als het ware met een boog om de doorlener heen storten op de g-rekening van de inhoudingsplichtige/werkgever die in de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet wordt aangemerkt als uitlener. Dit zal de uiteindelijke inlener wel met de doorlener overeen moeten komen. In de tweede plaats bestaat de mogelijkheid (ook dit zal overeengekomen moeten worden) het gedeelte van het factuurbedrag dat geacht wordt betrekking te hebben op loon- en omzetbelasting, alsmede premie, rechtstreeks te storten bij de ontvanger en het Lisv.

 

Artikel 8. Verdeling tussen ontvanger en Lisv bij uitwinning pandrecht en andere acties voor gezamenlijke rekening

     Artikel 8 richt zich niet tot de in- of uitlener maar geeft een nadere uitwerking aan de onderlinge verhouding van de bij de toepassing van de inlenersaansprakelijkheid betrokken uitvoeringsinstanties: de ontvanger en het Lisv. In de eerste plaats gaat het om de uitoefening van het ten behoeve van de ontvanger en het Lisv gezamenlijk op het saldo van de g-rekening van de uitlener gevestigde pandrecht. Het eerste lid van artikel 8 schrijft voor dat het uitwinnen voor gezamenlijke rekening geschiedt. Dit vloeit voort uit het vervangen van het vermoeden van betaling in het g-rekeningenregime, zoals dat thans nog wettelijk is geregeld met betrekking tot de ketenaansprakelijkheid, door een stelsel van wettelijke vrijwaring in de nieuwe artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet. Anders dan in de bestaande wettelijke regeling van het vermoeden van betaling in het kader van de ketenaansprakelijkheid, zijn de verdere lotgevallen van de te goeder trouw door de inlener op de g-rekening gestorte gelden in het voor de inlenersaansprakelijkheid met ingang van 1 juli 1998 geldende herziene g-rekeningenstelsel niet van belang voor het verkrijgen van vrijwaring. De bonafide aansprakelijke die stort op de g-rekening verkrijgt zonder meer vrijwaring voor het gestorte bedrag. Dat bedrag is echter, zo volgt uit de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet, zowel voor de voldoening van loon- en omzetbelasting als voor de voldoening van premie bedoeld en komt in mindering op het gezamenlijke bedrag aan loon- en omzetbelasting alsmede premie waarvoor in eerste aanleg voor de inlener aansprakelijkheid is ontstaan. Uitwinning van het pandrecht op het saldo van de g-rekening dient dan ook voor gezamenlijke rekening te geschieden. Het ligt voorts voor de hand deze lijn door te trekken naar acties wegens wanprestatie of onrechtmatige daad (of welke actie dan ook) die erop gericht zijn de gevolgen van een oneigenlijke aanwending van g-gelden, bij voorbeeld voor de betaling van materialen, te herstellen. Aldus wordt veilig gesteld dat de ontvanger en het Lisv zich op de g-gelden van de uitlener kunnen verhalen dan wel voor de schade tengevolge van het onjuist gebruik van g-gelden in de vorm van een schadevergoeding gecompenseerd kunnen worden voor het teloorgaan van de verhaalsmogelijkheden op het saldo van de g-rekening van de uitlener.
     Uit een oogpunt van doelmatigheid is het daarbij gewenst dat de ontvanger en het Lisv niet formeel onafhankelijk van elkaar handelen maar dat elk van hen voor gezamenlijke rekening handelt.
     Voor de verdeling van de opbrengst van de uitoefening van het pandrecht of van één der andere genoemde acties kan geen vaste verdeelsleutel worden gegeven. In de praktijk kan immers de mate waarin de ontvanger is voldaan ter zake van de schulden waarvoor hij de inlener aansprakelijk kan stellen, afwijken van de mate waarin het Lisv is voldaan. Daarom bepaalt artikel 8, tweede lid, in de eerste plaats dat de verdeling van de opbrengsten van de uitwinning van het pandrecht en andere mogelijke acties geschiedt naar evenredigheid van ieders vorderingen. De ontvanger en het Lisv dienen bij hun invorderingsacties in beginsel uitsluitend uit te gaan van de formeel vastgestelde loonbelasting-, omzetbelasting- en premieschulden. Daartegen kan de uitlener echter bezwaar maken en beroep instellen bij de daarvoor competente rechter. Die mogelijkheid heeft vervolgens ook de aansprakelijk gestelde inlener. Over de mate waarin de formele belasting- en premieschulden overeenkomen met de materiële belasting- en premieschuld kan dan ook lange tijd onzekerheid bestaan, met name indien door de belanghebbenden gebruik wordt gemaakt van alle mogelijke rechtsmiddelen. Op de definitieve vaststelling van de belasting- en premieschulden in kwestie kan dan ook niet worden gewacht alvorens verhaal wordt genomen op het saldo van de g-rekening of wordt opgetreden tegen oneigenlijk gebruik van g-gelden. In verband daarmee is het nodig dat de ontvanger en het Lisv in onderling overleg kunnen uitgaan van een geschat beloop van de materiële belasting- en premieschulden, in zoverre in afwijking van de formele schuldbedragen. Dit is neergelegd in onderdeel a van artikel 8, tweede lid. Blijkt achteraf, bijvoorbeeld doordat na het doorlopen van een aantal rechtsgangen de definitief vastgestelde belasting- en premiebedragen meer dan in verwaarloosbare mate afwijken van die waarop een eerdere verdeling was gebaseerd, dan kan verrekening plaatsvinden op grond van onderdeel b van artikel 8, tweede lid.
     In de aanhef van dat tweede lid is tot uitdrukking gebracht dat de verdeling plaatsvindt op nettobasis, dat wil zeggen na aftrek van aan derden te vergoeden kosten. Die kosten zullen doorgaans bestaan uit de kosten welke door een advocaat in rekening zullen worden gebracht in verband met acties wegens wanprestatie of onrechtmatige daad, na aftrek van het bedrag van een eventuele door de rechter toegekende tegemoetkoming daarin ten laste van de wederpartij van de ontvanger of het Lisv. Het is dus niet de bedoeling dat tussen de ontvanger en het Lisv onderling kosten in rekening worden gebracht.
     Een voorbeeld moge dit verduidelijken.
     Uitlener X stelt in maand y enige arbeidskrachten ter beschikking aan inlener Z. De daaraan toe te rekenen loonbelasting e.d. bedraagt 350, de daaraan toe te rekenen premie werknemersverzekeringen 150, totaal 500. Inlener Z stort dat bedrag ook op de g-rekening van uitlener X. Deze wendt dat g-geld echter niet aan voor het beoogde doel, maar bijvoorbeeld voor het voldoen van de rekening van een collega-uitlener voor enige doorgeleende krachten (anderen dan de door X aan Z uitgeleende krachten). Betaling van de vorengenoemde 350 en 150 aan de ontvanger respectievelijk het Lisv blijft om die reden uit. Het Lisv komt als eerste in actie, ontdekt het geschetste oneigenlijke gebruik van het g-geld, maakt bij de burgerlijke rechter een vordering tot terugbetaling dan wel tot schadevergoeding aanhangig (voor zoveel nodig mede namens de ontvanger) en krijgt deze vordering toegewezen. Voor het voeren van deze procedure heeft het Lisv, vanwege de verplichte procesvertegenwoordiging, een advocaat ingeschakeld. De daaraan verbonden kosten bedragen 75, waarvan er 25 worden gedekt door de proceskostenveroordeling ten gunste van het Lisv. Per saldo is dus 50 aan (externe) kosten gemaakt om 500 te "redden". Daarvan blijft 30%, oftewel 15, voor rekening van het Lisv. Voor rekening van de ontvanger komt 70%, oftewel 35. Het personeel van de desbetreffende uitvoeringsinstelling heeft a uren aan deze zaak besteed, terwijl aan de inzet van dat personeel ook bureaukosten en huisvestingskosten zijn toe te rekenen. Noch deze uren, noch deze overige kosten komen echter voor verrekening in aanmerking. In het omgekeerde geval, de zaak wordt behandeld door de ontvanger en zijn advocaat, geldt uiteraard hetzelfde.

 

Artikel 9. Grenzen aansprakelijkstelling

     Hoewel artikel 9 zich niet tot de inlener of uitlener richt maar tot de ontvanger en - formeel het Lisv, feitelijk de voor het Lisv optredende uitvoeringsinstelling - zijn de duidelijkheid en de rechtszekerheid welke het artikel beoogt te scheppen naar ons oordeel vooral van belang voor het betrokken bedrijfsleven. Artikel 9, eerste lid, geeft namelijk aan binnen welke grenzen, uitgaande van de wettekst van de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet, aansprakelijkstelling van de inlener kan plaatsvinden. Ook de in dit artikel opgenomen bepalingen worden in de eerste plaats opgeroepen door het toekennen van een wettelijk vrijwarend karakter aan de stortingen van een aansprakelijke op de g-rekening van de hoofdschuldenaar inzake belasting of premie. De vrijwaringsregeling in de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet steunt immers op het uitgangspunt dat de stortingen op de g-rekening bestemd zijn zowel voor de voldoening van loon- en omzetbelasting als van premie. Het gezamenlijke bedrag aan stortingen op de g-rekening komt in mindering op het gezamenlijk bedrag waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan van zowel de loon- en omzetbelasting als premie. Het verschil tussen die twee gezamenlijke bedragen vormt dus, bezien vanuit de vrijwaringsregeling, het maximale bedrag waarvoor de inlener door de ontvanger en het Lisv kan worden aangesproken. Daarnaast geldt uiteraard tevens als maximum het bedrag dat de ontvanger, onderscheidenlijk het Lisv van de betrokken hoofdschuldenaar nog te vorderen heeft met betrekking tot de loon- en omzetbelasting, onderscheidenlijk de premie, ter zake van het aan de orde zijnde geval van terbeschikkingstelling van arbeidskrachten. Met andere woorden: de aansprakelijkheid geldt slechts voor het openstaande bedrag.
     Het hiervoor omschreven maximale bedrag waarvoor - bezien vanuit de vrijwaringsregeling - de inlener met betrekking tot bepaalde feiten aansprakelijk kan worden gesteld, is deels toe te rekenen aan de loon- en omzetbelasting waarvoor de inlener aansprakelijk is en deels aan de premie waarvoor de inlener aansprakelijk is. Echter, om te weten hoe groot dat bedrag nu is, dient de ontvanger niet alleen te weten tot welk bedrag aan loonbelasting en aan omzetbelasting in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan, maar ook op welk bedrag in het desbetreffende geval de in eerste aanleg verschuldigde premie gesteld moet worden, terwijl voor het Lisv het omgekeerde geldt. De ontvanger en het Lisv zullen voor de beantwoording van de in concrete gevallen ter zake rijzende vragen voor elkaar over en weer de in dit verband noodzakelijke hand- en spandiensten moeten verrichten. Alleen op die wijze wordt jegens de inlener recht gedaan aan de wettelijke vrijwaringsregeling. Dit geldt ook in gevallen waarin hetzij de ontvanger, hetzij het Lisv zelf meent niet meer te vorderen te hebben van de hoofdschuldenaar, de uitlener, en dus zelf niet overweegt tot aansprakelijkstelling over te gaan.
     Ingeval de aansprakelijke inlener wel stortingen op de g-rekening heeft gedaan, doch die gelden niet zijn gebruikt voor voldoening van de belasting- en premieschuld van de uitlener, terwijl die schulden ook niet op andere wijze zijn voldaan, is het gevolg dat het gezamenlijke bedrag van de door de ontvanger en door het Lisv uit te brengen aansprakelijkstelling lager is dan het gezamenlijke bedrag van de bij de ontvanger en het Lisv openstaande posten. Dit vloeit eenmaal voort uit de nieuwe, voor de inlenersaansprakelijkheid met ingang van 1 juli 1998 geldende vrijwaringsregeling, waarin besloten ligt dat de bonafide aansprakelijke niet verantwoordelijk is voor de wijze waarop de houder van de g-rekening met de saldi van die rekening omgaat. In dit geval dienen de ontvanger en het Lisv de omvang van de aan de aansprakelijke inlener uit te brengen aansprakelijkstellingen dus te beperken tot een zodanig bedrag dat de bovengrens die uit de nieuwe vrijwaringsregeling voortvloeit, niet wordt overschreden.
     De onderlinge afstemming van de bedragen waarvoor de inlener door de ontvanger respectievelijk het Lisv aansprakelijk kan worden gesteld, dient te geschieden aan de hand van een redelijke verdeelsleutel. Een vaste sleutel kan niet gegeven worden, omdat in de praktijk veel verschillen optreden in de mate waarin hetzij de ontvanger hetzij het Lisv is voldaan. De bedragen waarvoor de schulden in de boeken van de ontvanger respectievelijk het Lisv nog openstaan, voor zover althans de inlener daarvoor aansprakelijk is, vormen in beginsel de meest voor de hand liggende verdeelsleutel. Om dezelfde redenen als die welke zijn toegelicht inzake artikel 8, tweede lid, dient onder omstandigheden van die verdeelsleutel afgeweken kunnen worden. Daarom is in het tweede lid van artikel 9, artikel 8, tweede lid, van overeenkomstige toepassing verklaard.
     De werking van artikel 9, eerste lid, willen we illustreren aan de hand van twee voorbeelden (waarbij ook wel over uitvoeringsinstelling wordt gesproken in plaats van over Lisv).


Voorbeeld 1

     Het op de g-rekening van de uitlener gestorte bedrag is in zijn geheel aangewend ter voldoening van hetzij de ontvanger, hetzij het Lisv.
     Uitlener A stelt arbeidskrachten ter beschikking aan inlener B voor een bedrag van 1000. In dit bedrag zijn begrepen 350 aan belastingen en 150 aan premies Lisv. Inlener B stort ter zake slechts 150 op de g-rekening van uitlener A. Dit bedrag wordt door A in zijn geheel aangewend om de premies Lisv te voldoen. Uitlener A gaat vervolgens failliet. De ontvanger wil B aansprakelijk stellen voor de onbetaald gebleven belastingschuld van A, zijnde 350.
     Alvorens tot aansprakelijkstelling over te gaan, informeert de ontvanger bij de desbetreffende uitvoeringsinstelling wat de premieschuld van A is in verband met de uitlening aan B en in hoeverre deze schuld reeds is voldaan. In dit voorbeeld zijn de premies Lisv reeds geheel voldaan. Voor de uitvoeringsinstelling is er dus geen aanleiding om tot aansprakelijkstelling over te gaan. Het bedrag waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan (voor het gezamenlijke bedrag van 350 + 150 = 500), minus het vrijwarende, op de g-rekening gestorte bedrag ad 150, leidend - vanuit de vrijwaringsregeling bezien - tot een bedrag waarvoor ten hoogste aansprakelijkstelling kan plaatsvinden ad 350, correspondeert in dit geval geheel met het bedrag dat in de administratie van de ontvanger nog open staat inzake de belastingschuld van A waarvoor B aansprakelijk is. De ontvanger kan B dus voor het gehele openstaande bedrag van 350 aansprakelijk stellen.


Voorbeeld 2

     Het op de g-rekening gestorte bedrag wordt slechts ten dele aangewend ter voldoening van de ontvanger en het Lisv.
     Ook in dit voorbeeld stelt uitlener A arbeidskrachten ter beschikking aan inlener B voor een bedrag van 1000, zijn in dit bedrag begrepen 350 aan belastingen en 150 aan premies Lisv en stort inlener B ter zake slechts 150 op de g-rekening van A. Anders dan in voorbeeld 1 wendt uitlener A thans van dit bedrag 50 aan voor de voldoening van de met deze uitlening verband houdende premies Lisv, 50 voor de met de uitlening verband houdende belastingen (en 50 voor iets anders). Uitlener A laat vervolgens de belasting- en premieschulden onbetaald en gaat failliet.
     De uitvoeringsinstelling wil B aansprakelijk stellen voor de onbetaald gebleven premieschuld van A, zijnde 100 (150 minus 50). Alvorens tot aansprakelijkstelling over te gaan, informeert de uitvoeringsinstelling bij de ontvanger wat de belastingschuld is van A in verband met de uitlening aan B en in hoeverre deze schuld reeds is voldaan. Er blijkt bij de ontvanger nog 300 open te staan (350 minus 50), waarvoor de ontvanger inlener B aansprakelijk wil stellen. Omdat dus sprake is zowel van een openstaande belastingschuld als van een openstaande premieschuld van A, is er zowel voor de uitvoeringsinstelling als voor de ontvanger aanleiding om tot aansprakelijkstelling van B over te gaan. In verband daarmee moeten zij hun aansprakelijkstellingen op elkaar afstemmen.
     In dat kader stellen zij enerzijds vast dat het gezamenlijke bedrag van de door ieder van hen aan B uit te brengen aansprakelijkstellingen, bezien vanuit de vrijwaringsregeling, maximaal 350 kan bedragen (het gezamenlijke bedrag van de aansprakelijkheidsschulden in eerste aanleg ad 500 (350 + 150) minus het op de g-rekening gestorte bedrag ad 150). Anderzijds dat dit totaalbedrag van 350 lager is dan het gezamenlijke bedrag van hetgeen openstaat in de administratie van de ontvanger (300) en in de administratie van de uitvoeringsinstelling (100) ad in totaal 400. Een deel daarvan, groot 50, mag dus niet in de aansprakelijkstellingen van inlener B worden betrokken. Oftewel: er is sprake van een "tekort" van 50. De ontvanger en de uitvoeringsinstelling zullen dit tekort van 50 moeten verdelen over ieders aansprakelijkstelling, of, anders gezegd, zij moeten hun aansprakelijkstelling beperken naar rato van ieders vordering op A. De uitvoeringsinstelling kan B aansprakelijk stellen voor 100/400 x 350 = 87,5. De ontvanger kan B aansprakelijk stellen voor 300/400 x 350 = 262,5. Tezamen dus tot een bedrag van 350.

 

Artikel 10. Deblokkeringsverzoek

     Artikel 10 gaat over het zogenoemde deblokkeren en houdt in feite een codificatie in van de huidige uitvoeringspraktijk in het kader van de ketenaansprakelijkheid. Deblokkeren houdt in dat de ontvanger en het Lisv toestemming verlenen het op de g-rekening aanwezige saldo of een deel daarvan te gebruiken voor een ander doel dan de voldoening van de loon- en omzetbelasting en de premie welke verband houdt met de terbeschikkingstelling van arbeidskrachten. Daartoe kan aanleiding bestaan indien de aansprakelijken veiligheidshalve te hoge bedragen hebben gestort op die rekening. Ook kan het zijn dat, om welke reden dan ook, de belasting- en premieschulden van de uitlener reeds geheel of ten dele door hem vanaf een vrije rekening zijn voldaan. Verder is het mogelijk dat er rechtstreekse stortingen zijn gedaan waarmee de belasting- of premieschuld waarvoor in beginsel aansprakelijkheid bestaat, is voldaan. Van belang is eveneens - dat geldt met name voor de loon- en omzetbelasting - dat er enige tijd verloopt tussen het ontstaan van de materiële schuld en de formalisering daarvan, terwijl op grond van ervaring het vermoeden bestaat dat binnenkort een loon- of omzetbelastingschuld invorderbaar zal worden. Zolang en voor zover niet aannemelijk is dat het op een bepaald tijdstip op de g-rekening aanwezig saldo min of meer duurzaam overtollig is uit het oogpunt van de bestemming van de saldi op die rekening, zal de ontvanger of het Lisv een deblokkeringsverzoek niet honoreren. Onder omstandigheden kan daarvan worden afgeweken, bijvoorbeeld doordat zekerheid wordt gesteld door middel van een bankgarantie of compensatie wordt geboden door verrekening van een te deblokkeren bedrag met andere vorderingen. Op het laatste zien de woorden "onder door hen te stellen voorwaarden" in artikel 10, eerste lid.
     Ter voorkoming van problemen rond de bewijslast van het al dan niet hebben gedaan van een deblokkeringsverzoek is in het tweede lid voorgeschreven dat het deblokkeringsverzoek schriftelijk moet worden gedaan.
     Het verzoek kan worden ingediend hetzij bij de ontvanger, hetzij bij de voor het Lisv optredende uitvoeringsinstelling. De instelling waar het verzoek binnenkomt, handelt het verzoek af, tot en met de bekendmaking van de beslissing op het verzoek aan de desbetreffende rekeninghouder. Materieel beslissen de ontvanger en het Lisv gezamenlijk ("in onderlinge overeenstemming" volgens het derde lid). De afhandelende instantie is ook die welke de verzoeker vraagt de nodige gegevens te verstrekken, veelal door middel van een daartoe ontworpen formulier. Wordt de gevraagde informatie niet of niet in de gevraagde vorm verschaft, dan wordt het verzoek afgewezen (vierde lid).

 

Artikel 11. Opzegging

     De regels met betrekking tot de opzegging van de g-rekeningovereenkomst zijn neergelegd in artikel 11. Het eerste lid komt inhoudelijk in grote lijnen overeen met de bestaande wettelijke regels inzake opzegging van de g-rekeningovereenkomst in het kader van de ketenaansprakelijkheid. Nieuw is de opzegging bij verlening van surseance van betaling, omdat de bevoegdheden van degene aan wie die surseance is verleend nog slechts kunnen worden uitgeoefend met de goedkeuring van de desbetreffende bewindvoerder. Indien dit verantwoord lijkt, wordt vervolgens met de curator, dan wel met degene aan wie surseance van betaling is verleend en de betrokken bewindvoerder, zo deze dat wensen, een nieuwe g-rekeningovereenkomst gesloten.
     Ter voorkoming van bewijsproblemen is in het derde lid bepaald dat opzegging schriftelijk geschiedt. Voorts vermeldt dat lid dat een opzegging niet eerder van kracht wordt dan nadat de opzegging aan de overige bij de g-rekeningovereenkomst betrokken partijen is bekendgemaakt. De opzegging zal voorts niet van kracht zijn zolang en voor zover die opzegging een belemmering zou vormen van de toepassing van het vierde lid.
     In dat vierde lid is namelijk met het oog op de rechtszekerheid en de rechtsbescherming neergelegd, hetgeen overigens door de uitvoeringsinstanties werd en wordt aangenomen voor de ketenaansprakelijkheid, dat opzegging niet kan verhinderen dat de g-rekeningovereenkomst, dus ook het pandrecht van de ontvanger en het Lisv, van toepassing blijft op het saldo van de g-rekening ten tijde van de opzegging. Nieuw is dat hetzelfde ook geldt voor hetgeen nadien op die rekening wordt gestort in verband met de aansprakelijkheid met betrekking tot de loonbelasting, omzetbelasting en premie waarvoor de inlener aansprakelijk is. Eén en ander kan evenwel geen doorgang vinden voor zover daardoor strijd zou ontstaan met de gevolgen die rechtens zijn verbonden aan het in staat van faillissement verklaren van de rekeninghouder of het hem verlenen van surseance van betaling.
     Aan de andere kant, zo bepaalt het vijfde lid, kunnen er geen vrijwarende stortingen meer gedaan worden op de g-rekening van de uitlener indien daarop niet het pandrecht van de ontvanger en het Lisv komt te rusten. Dit is met name van belang in het geval dat de uitlener failliet wordt verklaard.

 

Artikel 12. Inwerkingtreding

     De werking van deze regeling is blijkens artikel 12 afhankelijk gesteld van het in werking treden van de artikelen 16 en 17 van de wet waarin wetsvoorstel Waadi is uitgemond (Wet van 14 mei 1998, Stb. 1998, 306). Beoogd is onmiddellijke werking. Ter voorkoming van misverstanden is daarom bepaald dat deze regeling voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot aansprakelijkheidsverplichtingen die op of na de datum van inwerkingtreding ontstaan.

 

De Staatssecretaris van Financiën,
W.A. Vermeend.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x