Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2004

 

UITVOERINGSREGELING  WERKNEMERSSPAARREGELINGEN  EN  WINSTDELINGSREGELINGEN

Vervallen voor de CSV
m.i.v. 1 januari 2005
(art. I, onderdeel J, Walvis)

 
 

13 december 1993, Stcrt. 1993, 241
Inwerkingtreding: 1 januari 1994
(T.a.v. o.a. artt. 11 en 34a Wet LB en 6 CSV)

 

 

 

 
     De Staatssecretaris van FinanciŰn en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op de artikelen 11 en 34a van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel 6 van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering en artikel IX van de Wet van 1 november 1993 tot wijziging van een aantal wetten inzake belastingen, alsmede van een aantal andere wetten met het oog op het bevorderen van werknemersparticipaties en winstdelings- en spaarregelingen voor werknemers (Stb. 1993, 573);

     Besluiten:

 

 

HOOFDSTUK  I

Algemeen

 

Art. 1.
Deze regeling geeft uitvoering aan artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel 6 van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering en artikel IX van de Wet van 1 november 1993 tot wijziging van een aantal wetten inzake belastingen, alsmede van een aantal andere wetten met het oog op het bevorderen van werknemersparticipaties en winstdelings- en spaarregelingen voor werknemers (Stb. 1993, 573).

 

 

HOOFDSTUK  II

Vervallen

 

Art. 2. Vervallen.

 

Art. 3. Vervallen.

 

Art. 4. Vervallen.

 

Art. 5. Vervallen.

 

Art. 6. Vervallen.

 

Art. 7. Vervallen.

 

Art. 8. Vervallen.

 

Art. 8a. Vervallen.

 

Art. 8b. Vervallen.

 

Art. 8c. Vervallen.

 

Art. 9. Vervallen.

 

Art. 10. Vervallen.

 

Art. 11. Vervallen.

 

Art. 12. Vervallen.

 

Art. 13. Vervallen.

 

 

HOOFDSTUK  III

Spaarloonregelingen

 

Art. 14.
-1. Het spaarloon mag in ieder kalenderjaar waarin de werknemer overeenkomstig de spaarloonregeling heeft gespaard, niet meer bedragen dan het in artikel 31, tweede lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 vermelde bedrag.
-2. Deelname aan een spaarloonregeling mag slechts open staan voor werknemers die tot de werkgever in dienstbetrekking staan of geacht worden te staan.

 

Art. 15.
-1. Het spaarloon moet door de werkgever of een in de spaarloonregeling aangewezen instelling die het spaarloon beheert, voor iedere werknemer - onder vermelding van het jaar van storting - per kalenderjaar afzonderlijk worden geadministreerd op een bijzondere rekening - hierna te noemen: spaarloonrekening - niet zijnde een premiespaarrekening in de zin van artikel 2, derde lid.╣
-2. Als instelling, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden aangewezen spaarbanken, handelsbanken, landbouwkredietinstellingen, bouwkassen, spaarfondsen, verzekeringsmaatschappijen en daarmee vergelijkbare rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.
-3. Het spaarloon mag door de werknemer niet worden vervreemd of bezwaard.
 
1. Artikel 2 is vervallen, red.

 

Art. 16.
Het aan de werknemer toekomende spaarloon mag worden omgezet in effecten. Met betrekking tot de effecten zijn de artikelen 6 en 7 van overeenkomstige toepassing.╣ Deze effecten worden voor toepassing van deze regeling als spaarloon aangemerkt.
 
1. De artikelen 6 en 7 zijn vervallen, red.

 

Art. 17.
Het tegoed op een spaarloonrekening mag uitsluitend bestaan uit:
a. spaarloon;
b. op het tegoed gekweekte inkomsten.

 

Art. 18.
Het verloop van het tegoed op een spaarloonrekening moet voor iedere werknemer per kalenderjaar waarin hij overeenkomstig de spaarloonregeling heeft gespaard, afzonderlijk worden geadministreerd voor zoveel betreft:
a. spaarloon;
b. op het tegoed gekweekte inkomsten over de periode waarin het spaarloon ingevolge de spaarloonregeling niet ter beschikking van de werknemer komt.

 

Art. 19.
Spaarloon mag niet eerder ter beschikking van de werknemer komen dan nadat het gedurende ten minste de termijn, genoemd in artikel 32, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 6, negende lid, van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering, op de spaarloonrekening heeft gestaan.

 

Art. 19a.
-1. In afwijking van artikel 19 mag de werknemer over het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken ter zake van de verwerving van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 door de werknemer of zijn partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
-2. Rechtstreekse betalingen door de werkgever, als bedoeld in het eerste lid, mogen voor toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de spaarloonrekening als bedoeld in het eerste lid.

 

Art. 19b.
-1. In afwijking van artikel 19 mag de werknemer mede over het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken ter voldoening van:
a. door de werknemer te betalen premies, andere dan bijdragen ingevolge een pensioenregeling, welke verschuldigd zijn ingevolge een overeenkomst van levensverzekering waarbij een lijfrente als bedoeld in artikel 3.124, onderdeel b, en artikel 3.125, eerste lid, onderdeel a, c en d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is verzekerd bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126 van de Wet inkomstenbelasting 2001, mits de polis onbezwaard deel uitmaakt van het vermogen van de werknemer of dat van zijn echtgenoot en de termijnen voor de lijfrente, behoudens in geval van overlijden, niet eerder kunnen ingaan dan in het vijfde jaar nadat de premies zijn voldaan;
b. premies, andere dan bijdragen ingevolge een pensioenregeling, welke verschuldigd zijn ingevolge een overeenkomst van levensverzekering waarbij een kapitaalsuitkering bij in leven zijn is verzekerd, en de voldane premies voor bij dezelfde overeenkomst overeengekomen vrijstelling van premiebetaling bij invaliditeit, ziekte of ongeval, mits de polis onbezwaard deel uitmaakt van het vermogen van de werknemer of dat van zijn partner in de zin van artikel 1.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
c. door de werknemer vrijwillig te betalen premies ingevolge een pensioenregeling.
-2. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde overeenkomst van levensverzekering moet:
a. voldoen aan artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 en zijn aangegaan met een levensverzekeraar als bedoeld in onderdeel g van dat lid;
b. door de werknemer of zijn partner in de zin van artikel 1.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn gesloten op het leven van de werknemer, diens partner in de zin van artikel 1.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of kinderen voor wie de werknemer of zijn partner in de zin van artikel 1.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 op 1 januari van het jaar waarin de premie is voldaan recht had op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet of die zelf recht hadden op studiefinanciering ingevolge hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering;
c. voor zover het tijdstip van de uitkering niet wordt bepaald door het overlijden van de verzekerde, voorzien in een looptijd van ten minste vier jaren.
-3. Voor de toepassing van dit artikel worden mede aangemerkt als ingevolge een overeenkomst van levensverzekering verschuldigde premies: regelmatige inleggingen bij een instelling als bedoeld in artikel 2, achtste lid,╣ waartoe de werknemer of zijn partner in de zin van artikel 1.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 zich ingevolge een overeenkomst tot sparen met levensverzekering heeft verplicht. Het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing.
-4. Rechtstreekse betalingen door de werkgever van premies als bedoeld in het eerste lid en van inleggingen voor een spaarovereenkomst als bedoeld in het derde lid mogen voor de toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de spaarloonrekening als bedoeld in de aanhef van het eerste lid.
-5. Bedragen die worden ingehouden op het loon als vrijwillig te betalen premies ingevolge een pensioenregeling mogen voor de toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met bestedingen ten laste van de spaarloonrekening.
 
1. Artikel 2 is vervallen, red.

 

Art. 19c.
-1. In afwijking van artikel 19 mag de werknemer mede over het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken binnen zes maanden na de start van activiteiten uit welke de werknemer vermoedelijk, als ondernemer in de zin van artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, winst uit onderneming als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zal gaan genieten. De periode van zes maanden wordt verlengd met de periode welke ligt tussen het moment waarop door de werknemer een beschikking als bedoeld in het tweede lid wordt aangevraagd en het moment waarop die beschikking wordt afgegeven door de inspecteur.
-2. De aanwezigheid van activiteiten als bedoeld in het eerste lid moet blijken uit een voor bezwaar vatbare beschikking die, op verzoek van de werknemer, door de inspecteur is afgegeven. In die beschikking moet zijn opgenomen de datum waarop de activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid zijn gestart en de datum waarop de periode van zes maanden zoals bedoeld in het eerste lid eindigt.
-3. Voor de toepassing van dit artikel wordt aangenomen dat de activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid zijn gestart op het moment waarop de inschrijving in het register van de Kamer van Koophandel heeft plaatsgevonden, dan wel had moeten plaatsvinden. Voor ondernemingen die niet kunnen worden ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel moet de datum waarop de activiteiten zijn gestart, worden bepaald aan de hand van de feiten en omstandigheden.
-4. Rechtstreekse betalingen door de werkgever, als bedoeld in het eerste lid, mogen voor toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de spaarloonrekening als bedoeld in het eerste lid.

 

Art. 19d.
-1. In afwijking van artikel 19 mag de werknemer mede over het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken ter zake van compensatie van loon dat niet is genoten door de werknemer als gevolg van de opname van onbetaald verlof of gedeeltelijk onbetaald verlof door de werknemer, mits de dienstbetrekking ten tijde van het onbetaald verlof of gedeeltelijk onbetaald verlof ongewijzigd blijft voortbestaan.
-2. Voor de toepassing van dit artikel kan ten hoogste worden aangemerkt als opgenomen ter compensatie van het loon dat niet is genoten door de werknemer als gevolg van de opname van onbetaald verlof of gedeeltelijk onbetaald verlof door de werknemer, 50% van het bedrag waarmee het door de werknemer genoten loon is verminderd als gevolg van de opname van onbetaald verlof of gedeeltelijk onbetaald verlof door de werknemer.
-3. Voor de toepassing van dit artikel wordt het door de werknemer genoten loon in aanmerking genomen met inachtneming van het volgende:
a. artikel 11, eerste lid, onderdeel j, van de Wet op de loonbelasting 1964 vindt geen toepassing;
b. tantiŔmes en toevallige bijzondere beloningen, alsmede tot het loon behorende aanspraken, worden niet in aanmerking genomen.
-4. Rechtstreekse betalingen als bedoeld in het eerste lid mogen voor de toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de spaarloonrekening als bedoeld in het eerste lid.

 

Art. 19e.
-1. In afwijking van artikel 19 mag de werknemer mede over het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken:
a. ter zake van de kosten van het volgen van een opleiding of studie door de werknemer, met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning, met uitzondering van kosten:
1║. die verband houden met een werk of studeerruimte, daaronder begrepen de inrichting;
2║. van binnenlandse reizen voor zover die meer bedragen dan het bedrag per kilometer, bedoeld in artikel 15b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964;
b. ter zake van cursussen, congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke gevolgd door de werknemer ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.
-2. Rechtstreekse betalingen door de werkgever als bedoeld in het eerste lid mogen voor de toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de spaarloonrekening als bedoeld in het eerste lid.

 

Art. 20.
In geval van overlijden van de werknemer eindigt de deelname van de werknemer aan de spaarloonregeling. Het gehele tegoed van zijn spaarloonrekening mag ter beschikking van de erfgenamen van de werknemer worden gesteld.

 

Art. 21.
In afwijking van artikel 19 mag de werknemer over het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken bij beŰindiging van de dienstbetrekking.

 

Art. 22.
-1. Ingeval het spaarloon door de werknemer of zijn erfgenamen is opgenomen bij beŰindiging van de dienstbetrekking van de werknemer, daaronder begrepen het overlijden van de werknemer, wordt voor de toepassing van de Wet op de loonbelasting 1964 en de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering voor elke volle maand gedurende welke het spaarloon is opgenomen binnen de in artikel 32, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 6, achtste lid,╣ van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering genoemde termijn, of binnen de in de spaarloonregeling overeengekomen termijn een evenredig deel van het spaarloon aangemerkt als loon verstrekt door de werkgever, niet zijnde spaarloon.
-2. Spaarloon waarover door een werknemer in strijd met een spaarloonregeling wordt beschikt, wordt voor de toepassing van de Wet op de loonbelasting 1964 en de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering aangemerkt als loon verstrekt door de werkgever, niet zijnde spaarloon.
-3. Het in het eerste en tweede lid bedoelde loon wordt geacht te zijn genoten ten tijde van het beschikken.

1. Volgens de redactie dient "achtste lid" te worden vervangen door: negende lid.

 

 

HOOFDSTUK  IV

Slot- en overgangsbepalingen

 

Art. 23.
Als spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 6, achtste lid,╣ van de Coordinatiewet Sociale Verzekering zijn uitgesloten, regelingen waaraan de deelname uitsluitend is opengesteld voor:
a. een werknemer die enig werknemer is van een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en waarin hij, al dan niet tezamen met zijn partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn direct of indirect, voor ten minste ÚÚn derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is;
b. een werknemer die tezamen met zijn partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 enig werknemer is van een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en waarin hij, al dan niet tezamen met zijn partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn direct of indirect, voor ten minste ÚÚn derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is.

1. Volgens de redactie dient "achtste lid" te worden vervangen door: negende lid.

 

Art. 24.
Deze regeling verstaat, voor zoveel de belastingheffing betreft, onder werkgever, de inhoudingsplichtige.

 

Art. 25.
-1. Indien bij of krachtens een op 31 december 1993 bestaande arbeidsovereenkomst dan wel publiekrechtelijke regeling een bedrijfsspaarregeling in de zin van het Besluit bedrijfsspaarregelingen (Stb. 1965, 261) is vastgelegd, blijven hetzij tot en met 31 december 1994, hetzij tot en met 31 december 1995, hetzij tot en met 31 december 1996, de op 31 december 1993 bestaande wettelijke bepalingen met betrekking tot die bedrijfsspaarregeling van kracht indien de werkgever in onderscheidenlijk het kalenderjaar 1994, de kalenderjaren 1994 en 1995 of de kalenderjaren 1994, 1995 en 1996 afziet van het treffen van regelingen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel h, en artikel 34a van de Wet op de loonbelasting 1964 zoals deze luiden van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1996.
-2. Indien met betrekking tot een bedrijfsspaarregeling het eerste lid toepassing vindt in het kalenderjaar 1994, in de kalenderjaren 1994 en 1995, dan wel in de kalenderjaren 1994, 1995 en 1996, wordt met betrekking tot die bedrijfsspaarregeling in artikel IX van de Wet van 1 november 1993 tot wijziging van een aantal wetten inzake belastingen, alsmede van een aantal andere wetten met het oog op het bevorderen van werknemersparticipaties en winstdelings- en spaarregelingen voor werknemers in plaats van ôop 31 december 1993 bestaande aansprakenö gelezen onderscheidenlijk ôop 31 december 1994 bestaande aansprakenö, ôop 31 december 1995 bestaande aansprakenö of ôop 31 december 1996 bestaande aansprakenö.

 

Art. 25a.
-1. Op een bedrag aan ingehouden spaargelden dat met toepassing van artikel 8, zoals dit artikel luidde op 31 december 2000, is gelijkgesteld met ingehouden spaargelden op een premiespaarrekening, blijft deze gelijkstelling van kracht tot uiterlijk 1 januari 2006. In afwijking hiervan mag de spaarpremie ter zake van deze spaargelden worden toegekend voordat een spaartermijn van vier jaren is vervuld.
-2. Een bedrag aan spaarloon dat met toepassing van artikel 16, tweede lid, zoals dit artikel luidde op 31 december 2000, is gelijkgesteld met spaarloon op een spaarloonrekening, wordt met ingang van 1 januari 2001 niet langer als spaarloon aangemerkt.

 

Art. 25b. Vervallen.

 

Art. 25c.
Artikel 22, tweede lid, is niet van toepassing op spaarloon dat in de kalenderjaren 1999 en 2000 is gespaard en waarover wordt beschikt na 31 december 2002.

 

Art. 26.
-1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1994.
-2. Deze regeling kan worden aangehaald als: Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen.

 

 

     [Slotformulier en ondertekening ontbreken, red.]

 

 

 

TOELICHTING
[13 december 1993]

 

     In verband met de op 1 november 1993 tot stand gekomen initiatiefwet van de leden Vermeend/Vreugdenhil tot wijziging van een aantal wetten inzake belastingen, alsmede van een aantal andere wetten met het oog op het bevorderen van werknemersparticipaties en winstdelings- en spaarregelingen voor werknemers (hierna: de initiatiefwet) is het Besluit bedrijfsspaarregelingen (hierna: het besluit) vervangen door de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen (hierna: de regeling).
     In het voorontwerp Uitvoeringsregeling bedrijfsspaarregelingen 1994 (Kamerstukken II 1992-1993, 20 291, nr. 13 herdruk, blz. 17-23) zijn reeds de contouren geschetst van de regeling, die op hoofdlijnen is afgestemd op het besluit. Gelet op de in de initiatiefwet aangebrachte stroomlijning en vereenvoudiging van de bestaande gefacilieerde spaarregelingen is in de regeling een aantal artikelen van het besluit niet overgenomen of in aangepaste vorm overgenomen.
     In bijlage 1 is een transponeringstabel opgenomen die de aansluiting van de bepalingen van de nieuwe regeling laat zien ten opzichte van de bepalingen van het besluit. Bijlage 2 bevat een soortgelijke tabel die de omgekeerde relatie legt en aangeeft welke bepalingen van het besluit niet zijn overgenomen en welke bepalingen in de regeling wel zijn overgenomen, alsmede op welke plaats zij daar te vinden zijn. De regeling is onderverdeeld in vier hoofdstukken. Na een algemeen hoofdstuk volgt een hoofdstuk met betrekking tot premiespaarregelingen en een hoofdstuk over spaarloonregelingen. In het laatste hoofdstuk zijn slot- en overgangsbepalingen opgenomen.
     In de hierna volgende artikelsgewijze toelichting is een artikel of artikellid als nieuw aangeduid indien de desbetreffende bepaling niet was opgenomen in het besluit.

 

Artikel 1

     In het nieuwe artikel 1 is vermeld aan welke delegatiebepalingen de regeling uitvoering geeft. Dit artikel kan, indien daartoe aanleiding bestaat, worden aangepast en zal derhalve steeds de actuele situatie weergeven.

 

Artikel 2

     Artikel 2, eerste, vijfde, zesde en zevende lid, van de regeling is ontleend aan artikel 2 van het besluit en bevat nadere voorschriften waaraan een premiespaarregeling moet voldoen.
     In het nieuwe tweede lid van artikel 2 is wettelijk vastgelegd dat deelname aan een premiespaarregeling uitsluitend openstaat voor werknemers die in dienstbetrekking staan of geacht worden te staan tot de werkgever. Duidelijkheidshalve zij opgemerkt dat deze voorwaarde niet meebrengt dat de gewezen werknemer de op het moment van beŰindiging van zijn dienstbetrekking (bij voorbeeld in verband met pensionering) ingehouden besparingen zou moeten opnemen. Na afloop van de dienstbetrekking kunnen echter geen nieuwe besparingen meer worden gedaan ingevolge een premiespaarregeling. Het ontmoet echter geen bezwaar als gewezen werknemers nog deelnemen aan een premiespaarregeling als de werkgever nog loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, opgevat volgens de criteria die worden gehanteerd bij het arbeidskostenforfait van de loon- en inkomstenbelasting, betaalt aan uitkeringsgerechtigden.
     In het derde en het achtste lid van artikel 2 zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot de administratie van de ingehouden spaargelden. Deze leden zijn ontleend aan artikel 3, eerste en tweede lid, van het besluit. De in artikel 2, achtste lid, opgenomen opsomming van toegestane instellingen is ten opzichte van de opsomming in artikel 3, tweede lid, van het besluit verruimd met verzekeringsmaatschappijen. In dit verband zij opgemerkt dat zolang deelnames aan regelingen een vrijwillig karakter hebben en behouden, de beperkingen van artikel 1637s van het Burgerlijk Wetboek en het daaraan gekoppelde Besluit fondsen en spaarregelingen niet van toepassing zijn.
     Het vierde lid van artikel 2 is ontleend aan artikel 4 van het besluit en bepaalt de hoogte van de toe te kennen spaarpremie. In de nieuwe opzet is de onder het regime van het besluit bestaande differentiatie in toe te kennen spaarpremies afhankelijk van de periode dat de ingehouden spaargelden op de spaarrekening hebben gestaan, vervallen. De spaarpremie ter grootte van 100% van de ingehouden spaargelden mag worden toegekend nadat zij ten minste gedurende vier jaren op de premiespaarrekening hebben gestaan.

 

Artikel 3

     In artikel 3 van de regeling zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot spaarpremie die voorlopig mag worden bijgeschreven op de premiespaarrekening. Dit artikel is ontleend aan artikel 5 van het besluit. In het tweede lid van artikel 3 is bepaald dat de werknemer over voorlopig bijgeschreven spaarpremies niet mag beschikken. Een uitzondering is gemaakt voor de aankoop van effecten, zolang die effecten onbezwaard deel uitmaken van het vermogen van de werknemer. Met betrekking tot deze effecten zijn de in artikel 7 opgenomen voorschriften van toepassing. In de tweede volzin van artikel 3, tweede lid, is bepaald dat het in de aankoopprijs begrepen bedrag aan voorlopig bijgeschreven spaarpremies wordt gelijkgesteld met voorlopig bijgeschreven spaarpremies.
     In geval van verkoop van de effecten moet het in de aankoopprijs begrepen bedrag dat wordt gelijkgesteld met voorlopig bijgeschreven spaarpremies onmiddellijk worden teruggestort op de premiespaarrekening. Indien de effecten met verlies zouden worden verkocht, ontmoet het geen bezwaar uitsluitend de opbrengst op de premiespaarrekening te storten.

 

Artikel 4

     Artikel 4 van de regeling, dat is ontleend aan artikel 6, eerste lid, van het besluit, bepaalt op welke wijze de toekenning van spaarpremie dient plaats te vinden bij beŰindiging van de dienstbetrekking voordat een spaartermijn van vier jaren is vervuld. In dat geval mag voor elke volle maand gedurende welke de ingehouden spaargelden op de premiespaarrekening hebben gestaan, een evenredig deel van die spaarpremie worden toegekend. Ter voorkoming van misverstand zij opgemerkt dat in de premiespaarregeling kan worden toegestaan dat in plaats hiervan de ingehouden spaargelden na beŰindiging van de dienstbetrekking op de premiespaarrekening mogen blijven staan. Alsdan kan na afloop van de spaartermijn van vier jaar de volledige spaarpremie worden toegekend.

 

Artikel 5

     Artikel 5 bevat voorschriften met betrekking tot de toekenning van spaarpremie ingeval ingehouden spaargelden worden besteed ter verwerving van een tot hoofdverblijf dienende eigen woning van de werknemer of zijn echtgenoot, dan wel, ingeval de werknemer ongehuwd is, zijn partner met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert. In dat geval mag ter zake van de ingehouden spaargelden een spaarpremie worden toegekend van ten hoogste 100%, ook al hebben die spaargelden niet ten minste vier jaren op de premiespaarrekening gestaan. Uiteraard dient hierbij het in artikel 2, vijfde lid, van de regeling bedoelde maximum in acht te worden genomen. Duidelijkheidshalve zij opgemerkt dat het hier gehanteerde begrip eigen woning toelaat dat de blokkeringsmogelijkheid ook geldt voor het zelf bouwen van een eigen woning en bij de aankoop van een woonark voor eigen bewoning.
     Het eerste lid van artikel 5 is ontleend aan artikel 11 van het besluit. In het tweede lid van artikel 5, dat is ontleend aan artikel 12, onderdeel a en b, van het besluit, zijn betalingen ter verwerving van lidmaatschappen van co÷peraties en aflossingen op hypothecaire leningen aangemerkt als besteed ter verwerving van een eigen woning. Het derde lid van artikel 5 biedt de mogelijkheid rechtstreekse betalingen ter zake van vorenbedoelde hypotheekaflossingen gelijk te stellen met ten laste van de premiespaarrekening verrichte betalingen. Hierdoor kan de inhouding van spaargelden en vervolgens de bij- en afboeking op de premiespaarrekening worden overgeslagen. Onder het bestaande regime zijn regelingen die hierin voorzien ingevolge artikel 29, onderdeel c, van het besluit aangewezen als premiespaarregeling.

 

Artikel 6

     Artikel 6 van de regeling stemt goeddeels overeen met artikel 7 van het besluit en bevat voorschriften met betrekking tot het zogenaamde effectensparen. Tot de in onderdeel a van artikel 6 vermelde ,,aankoopprijs" mogen mede worden gerekend de transactiekosten die gemoeid zijn met de aankoop van de desbetreffende effecten. Deze kosten dienen uiteraard uitsluitend betrekking te hebben op de effecten die met de ingehouden spaargelden zijn gekocht.
     In onderdeel b van artikel 6 is bepaald dat bij verkoop van de effecten niet de opbrengst van de effecten, maar het in de aankoopprijs begrepen bedrag aan ingehouden spaargelden wordt gelijkgesteld met de ingehouden spaargelden. Op deze wijze is het mogelijk ingeval de van de premiespaarrekening gekochte effecten met verlies worden verkocht, het tekort uit eigen middelen van de werknemer aan te vullen. Deze wijziging ten opzichte van artikel 7, onderdeel b, van het besluit betekent overigens geen verruiming ten opzichte van de bestaande praktijk, omdat regelingen die hierin voorzien thans plegen te worden aangewezen als premiespaarregelingen.

 

Artikel 7

     Artikel 7 van de regeling stemt goeddeels overeen met artikel 8 van het besluit en geeft nadere voorschriften met betrekking tot het zogenaamde effectensparen.

 

Artikel 8

     In artikel 8 van de regeling, dat is ontleend aan de artikelen 9, 10, 13, 14 en 15 van het besluit, zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot het zogenaamde verzekeringssparen. Het eerste lid van artikel 8 biedt de mogelijkheid de ingehouden spaargelden op de premiespaarrekening met behoud van recht op spaarpremie aan te wenden voor een lijfrenteovereenkomst welke in de inkomstenbelasting is gefacilieerd. Het tweede lid voorziet in vorenbedoelde aanwending van de ingehouden spaargelden voor een overeenkomst van levensverzekering waarbij een kapitaalsuitkering bij in leven zijn, is verzekerd. Een overlijdensrisicoverzekering voldoet niet aan deze omschrijving; een zogenaamde gemengde verzekering of een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule wel. In het derde lid zijn nadere voorschriften gegeven met betrekking tot die overeenkomst.
     Het vierde lid is ontleend aan artikel 15 van het besluit. Het nieuwe vijfde lid strekt ertoe rechtstreekse betalingen van levensverzekeringspremies gelijk te stellen met ten laste van de premiespaarrekening voldane premies. Hierdoor kan de inhouding van spaargelden en vervolgens de bij- en afboeking op de premiespaarrekening worden overgeslagen. Onder het bestaande regime zijn regelingen die hierin voorzien ingevolge artikel 29, onderdeel c, van het besluit aangewezen als premiespaarregeling.
     In het zesde lid, dat is ontleend aan artikel 10, tweede lid, van het besluit, is bepaald dat in afwijking van het tweede lid een polis van levensverzekering mag worden verpand tot zekerheid van een hypothecaire lening welke rust op en is aangegaan ter financiering van een eigen woning van de werknemer. Het zevende lid, dat is ontleend aan artikel 13 van het besluit, biedt de mogelijkheid tot onmiddellijke premiŰring over te gaan bij het besteden van spaargelden voor levensverzekeringspremies. De premie mag ingevolge artikel 2, vierde lid, van de regeling niet hoger zijn dan 100% van de ingehouden spaargelden, waarbij uiteraard het in artikel 2, vijfde lid, bedoelde maximum in acht moet worden genomen. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat onder ingehouden spaargelden mede wordt verstaan de op grond van artikel 6, onderdeel b, van de regeling met ingehouden spaargelden gelijkgestelde bedragen.

 

Artikel 9

     Artikel 9 van de regeling is ontleend aan artikel 17 van het besluit en bevat een voorschrift waaruit het tegoed op de premiespaarrekening mag bestaan.

 

Artikel 10

     In artikel 10 van de regeling, dat is ontleend aan artikel 18 van het besluit, zijn enige administratieve voorschriften opgenomen met betrekking tot het verloop van het tegoed op de premiespaarrekening. In verband met de in het kader van de initiatiefwet ge´ntroduceerde verhoogde rentevrijstelling (artikel 47a, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964) en verhoogde dividendvrijstelling (artikel 47b, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964) zijn deze administratieve voorschriften ook van toepassing op de op het tegoed gekweekte inkomsten over een periode van vier jaren na inhouding van de besparing. De verhoogde rentevrijstelling en dividendvrijstelling zijn namelijk op die inkomsten van toepassing. Ook voor artikel 10 van de regeling geldt dat onder ingehouden spaargelden mede wordt verstaan de in artikel 6, onderdeel b, met ingehouden spaargelden gelijkgestelde bedragen.

 

Artikel 11

     Artikel 11 van de regeling stemt vrijwel overeen met artikel 19 van het besluit en bevat administratieve voorschriften met betrekking tot de door de werkgever toegekende spaarpremies.

 

Artikel 12

     In het nieuwe artikel 12 van de regeling is bepaald dat de deelname van de werknemer aan de premiespaarregeling eindigt bij diens overlijden. In dat geval mag, in afwijking van artikel 3 van de regeling, het gehele tegoed op de premiespaarrekening ter beschikking van de erfgenamen van de werknemer komen. Voor de mogelijke fiscale gevolgen van het beschikken over voorlopig bijgeschreven spaarpremies die op grond van artikel 4 niet als spaarpremie kunnen worden toegekend, zij verwezen naar artikel 13 van de regeling.

 

Artikel 13

     In artikel 13 van de regeling, dat is ontleend aan artikel 41 van het besluit, is in de eerste plaats bepaald wat er gebeurt als er in strijd met een premiespaarregeling aan een werknemer spaarpremies worden toegekend. In dat geval worden die spaarpremies voor de toepassing van de Wet op de loonbelasting 1964 en de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering aangemerkt als loon verstrekt door de werkgever. Hetzelfde gevolg treedt ook op ingeval door de werknemer in strijd met een premiespaarregeling (artikel 3, tweede lid) over voorlopig bijgeschreven spaarpremies wordt beschikt. Als ingevolge artikel 12 van de regeling na het overlijden van de werknemer door diens erfgenamen over voorlopig bijgeschreven spaarpremies wordt beschikt die op grond van artikel 4 van de regeling niet als spaarpremie kunnen worden toegekend, wordt het deel van die voorlopig bijgeschreven spaarpremies dat niet als spaarpremie kan worden toegekend, als loon verstrekt door werkgever aangemerkt.

 

Hoofdstuk III (Spaarloonregelingen)


     In hoofdstuk III zijn nadere voorschriften opgenomen met betrekking tot spaarloonregelingen. Ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel h, onder 2░, (nieuw) van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt onder spaarloonregeling mede begrepen een winstdelings- of aandelenoptieregeling.
     Winstdelingsregelingen en aandelenoptieregelingen kunnen worden beschouwd als bijzondere spaarloonregelingen, waarvoor in artikel 11, zevende en achtste lid, (nieuw) van de Wet op de loonbelasting 1964 specifieke kenmerken zijn vermeld. Daarnaast moeten deze regelingen voldoen aan de algemene voorwaarden van een spaarloonregeling, zoals vervat in artikel 11, zesde lid, (nieuw) van de Wet op de loonbelasting 1964 en de in dit hoofdstuk opgenomen nadere voorschriften. Wat een aandelenoptieregeling betreft, moet de regeling inhouden dat ingeval de werknemer het recht uitoefent dan wel vervreemdt of afkoopt, ten minste de tegenwaarde van dat optierecht op een spaarloonrekening van de werknemer wordt gestort. De bedoelde tegenwaarde is de tegenwaarde ten tijde van de toekenning van het optierecht. Deze storting kan bij uitoefening desgewenst plaatsvinden in de vorm van de verworven aandelen. In dat geval zijn de bepalingen inzake effectensparen (artikel 16 van de regeling) van toepassing. De blokkeringstermijn van ten minste vier jaar vangt aan op het moment waarop de toekenning van de opties in de heffing van loonbelasting zou zijn betrokken indien de vrijstelling niet van toepassing zou zijn geweest. Is deze termijn van vier jaar ten tijde van de uitoefening, vervreemding of afkoop van het optierecht reeds verstreken, dan behoeft geen storting op een spaarloonrekening plaats te vinden.

 

Artikel 14

     In het eerste lid van artikel 14 van de regeling, dat is ontleend aan artikel 21, tweede lid, en artikel 33, tweede lid, van het besluit, is het maximaal toegestane bedrag aan spaarloon per kalenderjaar bepaald.
     Het tweede lid van artikel 14, dat is ontleend aan artikel 33, eerste lid, van het besluit, voorziet erin dat deelname aan een spaarloonregeling uitsluitend openstaat voor werknemers die in dienstbetrekking staan of geacht worden te staan tot de werkgever. Voorts wordt verwezen naar de toelichting op artikel 2.

 

Artikel 15

     In artikel 15 van de regeling, dat is ontleend aan de artikelen 22 en 34 van het besluit, zijn nadere voorschriften opgenomen met betrekking tot het spaarloon. Het eerste lid bevat in de eerste plaats administratieve voorschriften met betrekking tot het spaarloon. Voorts is bepaald dat de werkgever en in de spaarloonregeling aangewezen instellingen het spaarloon moeten administreren op een spaarloonrekening. Het tweede lid geeft een opsomming van instellingen die het spaarloon mogen beheren. Evenals voor premiespaarregelingen is in de nieuwe opzet de limitatieve opsomming van aangewezen instellingen voor spaarloonregelingen uitgebreid met verzekeringsmaatschappijen. In het derde lid is bepaald dat het spaarloon door de werknemer niet mag worden vervreemd of bezwaard.

 

Artikel 16

     Artikel 16 is ontleend aan de artikelen 23, 24, 25, 26 en 34 van het besluit. Artikel 16, eerste lid, van de regeling bevat voorschriften met betrekking tot het omzetten van spaarloon in effecten. De artikelen 6 en 7 zijn van overeenkomstige toepassing. Duidelijkheidshalve zij opgemerkt dat de werknemer bij verkoop van effecten (artikel 6, onderdeel b) ten hoogste de opbrengst op de spaarloonrekening hoeft terug te storten. Indien de aandelen met verlies zijn verkocht, betekent dit niet dat het hierdoor ontbrekende bedrag tot het loon moet worden gerekend.
     Het tweede lid van artikel 16 voorziet in het zogenaamde verzekeringssparen.

 

Artikel 17

     Artikel 17 van de regeling is ontleend aan artikel 27 van het besluit en bepaalt waaruit het tegoed op de spaarloonrekening mag bestaan.

 

Artikel 18

     Artikel 18 van de regeling, dat is ontleend aan artikel 28 van het besluit, bevat administratieve voorschriften met betrekking tot het verloop van het tegoed op de spaarloonrekening. In verband met de in het kader van de initiatiefwet ge´ntroduceerde verhoogde rentevrijstelling (artikel 47a, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964) en verhoogde dividendvrijstelling (artikel 47b, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964) zijn deze administratieve voorschriften ook van toepassing op de op het tegoed gekweekte inkomsten over de periode waarin het spaarloon ingevolge de spaarloonregeling niet ter beschikking van de werknemer komt. De verhoogde rentevrijstelling en dividendvrijstelling zijn namelijk op die inkomsten van toepassing.

 

Artikel 19

     In artikel 19 van de regeling, dat is ontleend aan de artikelen 23 en 25 van het besluit, is bepaald wanneer het spaarloon ter beschikking van de werknemer mag komen. Als regel geldt dat het spaarloon ten minste vier jaren op de spaarloonrekening moet hebben gestaan.

 

Artikel 20

     Artikel 20 van de regeling, dat is ontleend aan artikel 36 van het besluit, bepaalt dat artikel 12 (gevolgen bij overlijden van de werknemer) van overeenkomstige toepassing is. In artikel 22 zijn de fiscale gevolgen opgenomen met betrekking tot het beschikken over spaarloon.

 

Artikel 21

     In artikel 21 van de regeling, dat is ontleend aan de artikelen 25, 26 en 36 van het besluit, is met betrekking tot spaarloonregelingen bepaald dat een werknemer onder bepaalde omstandigheden, in afwijking van artikel 19 van de regeling, reeds voordat de spaartermijn van ten minste vier jaren is verlopen over het tegoed op de spaarloonrekening mag beschikken. De mogelijke fiscale gevolgen van het beschikken over het spaartegoed zijn opgenomen in artikel 22 van de regeling. In het eerste lid, onderdeel a, is bepaald dat over het tegoed op de spaarloonrekening mag worden beschikt bij beŰindiging van de dienstbetrekking. Het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid voorzien erin dat over het tegoed op de spaarloonrekening mag worden beschikt voor de aankoop van een eigen woning van de werknemer.

 

Artikel 22

     In artikel 22 van de regeling zijn de fiscale voorschriften opgenomen met betrekking tot het beschikken over het spaarloon. Het nieuwe eerste lid van artikel 22 heeft betrekking op het opnemen van spaarloon bij de beŰindiging van de dienstbetrekking van de werknemer binnen een termijn van vier jaren. Artikel 22, tweede en derde lid, dat is ontleend aan artikel 41 van het besluit, bevat voorschriften voor de situatie dat over het spaarloon in strijd met een spaarloonregeling wordt beschikt.

 

Artikel 23

     Het nieuwe artikel 23 van de regeling strekt ertoe nadere invulling te geven aan de in artikel 11, vijfde en zesde lid, en artikel 34a, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 6, vijfde en zesde lid, van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering opgenomen voorwaarde dat deelname aan een premiespaarregeling, spaarloonregeling of winstdelingsregeling als bedoeld in artikel 34a van de Wet op de loonbelasting 1964 open dient te staan voor ten minste driekwart van de werknemers van de inhoudingsplichtige. Zoals is uiteengezet in de nota naar aanleiding van het eindverslag (Kamerstukken II 1992-1993, 20 291, nr. 13, blz. 8) wordt in de visie van de initiatiefnemers niet aan deze voorwaarde voldaan als de regeling uitsluitend openstaat voor de directeur-grootaandeelhouder die tevens enig werknemer is. In artikel 23, aanhef en onder a, is deze uitleg van de initiatiefnemers wettelijk vastgelegd, teneinde op dit punt misverstanden te voorkomen. In de aanhef en onder b is vanuit dezelfde gedachtegang bepaald dat regelingen die uitsluitend openstaan voor de directeur-grootaandeelhouder en zijn echtgenoot of partner, indien zij tevens de enige werknemers zijn, eveneens zijn uitgesloten. Ten overvloede zij nog vermeld dat geen nadere regeling nodig is geacht voor gevallen waarin een spaarregeling of winstdelingsregeling openstaat voor driekwart van de werknemers die onder een collectieve arbeidsovereenkomst vallen, maar deze werknemers bij een afzonderlijke inhoudingsplichtige geen driekwart van het werknemersbestand uitmaken. In dat geval wordt de driekwarteis per collectieve arbeidsovereenkomst beoordeeld.

 

Artikel 24

     Artikel 24 van de regeling stemt overeen met artikel 42 van het besluit.

 

Artikel 25

     In artikel 25 van de regeling zijn voorzieningen opgenomen om de overgang van het regime dat is uitgewerkt in het besluit, naar het nieuwe regime op grond van de artikelen 11 en 34a van de Wet op de loonbelasting 1964 te vergemakkelijken. Deze voorzieningen berusten op de delegatiebevoegdheid van artikel IX van de initiatiefwet. De in artikel 25 opgenomen voorzieningen geven de werkgever de mogelijkheid om de huidige bedrijfsspaarregelingen in een overgangsperiode van maximaal drie jaren te handhaven teneinde in die periode te komen tot afspraken met betrekking tot spaarregelingen en/of winstdelingsregelingen nieuwe stijl. Bedrijfsspaarregelingen zijn immers veelal in overleg tussen de sociale partners tot stand gekomen, zodat omzetting in nieuwe regelingen opnieuw overleg vergt. Dit overleg zal in veel gevallen niet vˇˇr 1 januari 1994 kunnen worden afgerond. De voorzieningen voor de overgangsperiode hebben alleen betrekking op situaties waarin vˇˇr 1 januari 1994 bedrijfsspaarregelingen tot stand zijn gekomen die zijn vastgelegd in de bestaande arbeidsovereenkomst dan wel publiekrechtelijke regeling. Bij publiekrechtelijke regeling dient in het bijzonder te worden gedacht aan rechtspositionele regelingen voor overheidssectoren. In die gevallen kan de werkgever kiezen voor uitstel van het regime voor de spaarregelingen en winstdelingsregelingen nieuwe stijl tot 1 januari 1995, 1 januari 1996 of 1 januari 1997. Indien voor uitstel tot 1 januari 1995 wordt gekozen, blijven de oude bepalingen voor premiespaarregelingen, winstdelingsspaarregelingen en spaarloonregelingen het gehele kalenderjaar 1994 van toepassing. Gekozen is voor het gehele kalenderjaar 1994, omdat het voor de uitvoeringspraktijk bijzonder lastig zou zijn in een kalenderjaar met twee verschillende regimes te worden geconfronteerd. Indien voor uitstel tot 1 januari 1996 wordt gekozen, blijven in dat geval de oude bepalingen voor premiespaarregelingen, winstdelingsspaarregelingen en spaarloonregelingen de gehele kalenderjaren 1994 en 1995 van toepassing. Indien voor uitstel tot 1 januari 1997 wordt gekozen, blijven deze oude bepalingen de gehele kalenderjaren 1994, 1995 en 1996 van toepassing.
     Het van toepassing zijn van deze oude bepalingen houdt mede in dat het maximum van de premiespaarregeling dan nog op het oude niveau van â750,- blijft en dat het loonbelastingtarief van 15% voor spaarloonregelingen oude stijl blijft gelden. Het is dus niet mogelijk in de overgangsperiode de voordelen van de oude regeling, bij voorbeeld het naast elkaar kunnen bestaan van een winstdelingsspaarregeling en een spaarloonregeling, te combineren met de voordelen van de nieuwe regeling zoals het verhoogde maximum voor de premiespaarregeling of het 35%-tarief voor winstdelingsregelingen. Om voor de nieuwe regeling in aanmerking te komen, moet de werkgever dus afzien van de overgangsvoorzieningen. Ten slotte is in het derde lid van artikel 25 nog een bijzondere voorziening getroffen om de overgang naar het nieuwe regime soepel te laten verlopen. Premiespaarregelingen, spaarloonregelingen of niet-geblokkeerde winstdelingsregelingen die vˇˇr 1 juli 1994 tot stand zijn gekomen, worden voor zoveel nodig geacht het gehele kalenderjaar 1994 te hebben bestaan.

 

 

 

BIJLAGE  1

Transponeringstabel

 

Artikelen Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen Artikelen Besluit bedrijfsspaarregelingen

1, (nieuw)

 

2, eerste, en derde tot en met achtste lid

2, 3 en 4

2, tweede lid (nieuw

 

3

5

4 6

5

11 en 12

6

7

7

8

8

9, 10, 13, 14 en 15

9

17

10

18

11

19

12 (nieuw)

 

13

41

14, eerste lid

21, tweede lid

 

33, tweede lid

14, tweede lid

33, eerste lid

15

22 en 34

16, eerste lid

23, 24 en 34

16, tweede lid

25, onderdeel a, en 26

17

27

18

28

19

23 en 35

20

36, eerste lid, onderdeel a, onder 1░

21

25, 26 en 36

22, eerste lid (nieuw)

 

22, tweede en derde lid

41

23 (nieuw)

 

24

42

25 (nieuw)

 

26 (nieuw)

 

 

 

 

BIJLAGE  2

Transponeringstabel

 

Artikelen Besluit bedrijfsspaarregelingen Artikelen Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen

1 (vervallen)

 

2

2

3

2, derde en achtste lid

4

2, vierde lid

5

3

6, eerste lid

4

6, tweede lid (vervallen)

 

7

6

8

7

9, eerste lid

8

9, tweede lid (vervallen)

 

10

8

11

5

12, onderdeel a en b

5

12, onderdeel c (vervallen)

  

13

8, zevende lid

14, eerste lid

8, derde lid, onderdeel c

15

8, vierde lid

16 (vervallen)

 

17

9

18

10

19

11

20 (vervallen)

 

21, eerste lid (vervallen)

 

21, tweede lid

14

22

15

23

16, eerste lid, en 19

24

16, eerste lid

25

16, tweede lid, en 21

26

16, tweede lid, en 21

27

17

28

18

29 (vervallen)

 

29a (vervallen)

 

30 (vervallen)

 

31 (vervallen)

 

32 (vervallen)

 

33, eerste lid

14, tweede lid

33, tweede lid

14, eerste lid

34

15

35

19

36

20 en 21

37 (vervallen)

 

38 (vervallen)

 

39 (vervallen)

 

40 (vervallen)

 

41

13 en 22

42

24

43, 44, 45 en 46

 

47 (vervallen)

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x