Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Besluit in- en doorstroombanen
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 1999

 

REGELING  IN-  EN  DOORSTROOMBANEN  VOOR  LANGDURIG  WERKLOZEN

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2000
(art. 20 Besluit ID-banen)

 
 

17 december 1998, Stcrt. 1998, 246
Inwerkingtreding: 1 januari 1999
(T.a.v. artt. 3:1 en 8:1 Kaderwet SZW-subsidies)
(Zie ook: BvsR99B00-01)

 

 

 

 
REGELING voor de subsidiring van dienstbetrekkingen in de collectieve en non-profitsector voor langdurig werklozen gericht op instroom in het arbeidsproces respectievelijk doorstroom naar andere functies in het arbeidsproces

17 december 1998/nr. AM/RAW/98/40972
Directie Arbeidsmarkt

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Handelende in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid;
     Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Begripsbepalingen
-1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. langdurig werkloze: de persoon, bedoeld in artikel 10;
c. dienstbetrekking: een arbeidsovereenkomst als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek of een publiekrechtelijke aanstelling;
d. werknemer: de voormalig langdurig werkloze die op een dienstbetrekking werkzaam is;
e. arbeidsplaats: een periode van n jaar waarop 32 uur per week arbeid wordt verricht in dienstbetrekking op basis waarvan de subsidie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt bepaald;
f. vergoeding: de vergoeding die door de gemeente aan een werkgever wordt verstrekt om een arbeidsplaats in de vorm van een dienstbetrekking met een langdurig werkloze te vervullen;
g. werkgever: een publiekrechtelijk lichaam of een instelling als bedoeld in het tweede, derde of vierde lid tot welke een langdurig werkloze in dienstbetrekking staat en die ondernemer is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de ondernemingsraden;
h. onderneming: de onderneming, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de ondernemingsraden;
i. Arbeidsvoorzieningsorganisatie: de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, bedoeld in de Arbeidsvoorzieningswet 1996;
-2. Onder een instelling wordt verstaan een rechtspersoon die op grond van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 niet onderworpen is aan die belasting of op grond van de artikelen 5 of 6 van die wet is vrijgesteld van die belasting.
-3. Het gemeentebestuur kan voor de besteding van de subsidie op grond van deze regeling als instelling aanmerken een rechtspersoon die onderworpen is aan de vennootschapsbelasting, doch waarbij de behartiging van het algemeen belang op de voorgrond staat en die voor de exploitatie mede afhankelijk is van overheidssubsidies.
-4. Onverminderd het tweede en derde lid wordt voor de toepassing van deze regeling als instelling beschouwd de rechtspersoon die op grond van de door de Minister Volksgezondheid, Welzijn en Sport vastgestelde beleidsregels, genoemd in artikel 16, vergoedingen voor het aangaan van dienstbetrekkingen met langdurig werklozen op extra arbeidsplaatsen kon ontvangen.

 

Art. 2. Totstandkoming en aantallen arbeidsplaatsen
-1. De minister verstrekt subsidie aan de gemeente voor de totstandkoming van arbeidsplaatsen voor langdurig werklozen die in de vorm van dienstbetrekkingen bij werkgevers worden vervuld.
-2. Het gemeentebestuur stelt voor het tot stand brengen van arbeidsplaatsen op het gebied van openbare veiligheid en toezicht een beleid vast na bespreking in het reguliere overleg tussen de burgemeester van de gemeente waar de werkzaamheden op de dienstbetrekkingen in belangrijke mate worden verricht, de officier van justitie van het betreffende arrondissement en de korpschef van het regionale politiekorps.
-3. In bijlage I bij deze regeling is per gemeente het aantal arbeidsplaatsen opgenomen waarop dienstbetrekkingen voor langdurig werklozen kunnen worden vervuld; dit aantal betreft de som van de aan de gemeente toegekende arbeidsplaatsen tot en met 1998 op grond van de in artikel 18 genoemde regeling en het aantal arbeidsplaatsen dat na de datum van inwerkingtreding van deze regeling tot en met het jaar 2003 kan worden toegekend, waarbij geen rekening is gehouden met de op grond van de regels van de Minister Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot stand gekomen arbeidsplaatsen.
-4. Het gemeentebestuur zendt de minister bij wijze van aanvraag vr 1 april 1999 een bereidverklaring voor het tot stand brengen van de arbeidsplaatsen, die is ingericht overeenkomstig bijlage II bij deze regeling.
-5. Het aantal arbeidsplaatsen, bedoeld in het derde lid, kan in de loop van 1999 worden herzien, rekening houdend met:
a. het aantal dienstbetrekkingen ultimo 1998, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet inschakeling werkzoekenden, met uitzondering van die met jongeren als bedoeld in die wet; of
b. het aantal arbeidsplaatsen waarop tot en met 1 januari 1999 geen dienstbetrekking met een langdurig werkloze is vervuld.

 

Art. 3. Subsidiebedragen
-1. De subsidie is bestemd voor de kosten van het realiseren van dienstbetrekkingen voor langdurig werklozen en voor vergoedingen aan werkgevers.
-2. De subsidie bedraagt per kalenderjaar:
a. 37 611,00 per arbeidsplaats, voor zover die arbeidsplaats is toegekend voor de periode tot en met 1998 en op die arbeidsplaats tot en met 1 januari 1999 een dienstbetrekking is vervuld;
b. 33 746,00 per arbeidsplaats waarop niet een dienstbetrekking als bedoeld bij onderdeel a is vervuld en waarop de dienstbetrekking met een bepaalde werknemer minder dan vier jaar duurt;
c. 43 068,00 per arbeidsplaats als bedoeld in onderdeel a, voor zover de dienstbetrekking meer dan vier jaar duurt of vr 1 januari 1996 is vervuld op een arbeidsplaats.
-3. In de bedragen, bedoeld in het tweede lid, zijn 4250,00 per arbeidsplaats begrepen voor uitvoeringskosten en aanvullende kosten.
-4. Voor de bepaling van de duur van de dienstbetrekking met een bepaalde werknemer voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, wordt de periode waarin die werknemer werkzaam is geweest op een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet inschakeling werkzoekenden meegeteld na aftrek van een periode van twee jaar.

 

Art. 4. Tegengaan verdringing en concurrentievervalsing
-1. De gemeente verstrekt pas een vergoeding aan een werkgever voor het vervullen van dienstbetrekkingen met langdurig werklozen op arbeidsplaatsen:
a. nadat de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, voor zover die door de werkgever is ingesteld, of het bij of krachtens de wet voor die onderneming ingestelde medezeggenschapsorgaan, over de totstandkoming van een dienstbetrekking als bedoeld in deze regeling positief heeft geadviseerd; en
b. indien bij de werkgever in de periode van zes maanden voorafgaand aan de datum van aanvang van de dienstbetrekking geen overeenkomsten of aanstellingen tot het verrichten van arbeid die vergelijkbaar is met de arbeid op die dienstbetrekking, zijn beindigd op grond van bedrijfseconomische redenen, voor zover nodig met toestemming van de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, dan wel daartoe een procedure voor ontslag om bedrijfseconomische redenen in behandeling is.
-2. De concurrentieverhoudingen worden niet onverantwoord benvloed met de prijzen voor de goederen en diensten die tengevolge van de arbeid op de dienstbetrekking worden geleverd.

 

Art. 5. Vergoeding aan werkgever
-1. Een werkgever ontvangt van de gemeente een vergoeding voor de kosten die voortvloeien uit een dienstbetrekking die is aangegaan met een langdurig werkloze.
-2. De vergoeding is ten minste het bedrag dat noodzakelijk is om de kosten van de werkgever te dekken die voortvloeien uit artikel 7, eerste en tweede lid, inclusief de loonbestanddelen, bedoeld in artikel 7, vierde lid, voor zover de werkgever die op grond van de voor de werkgever geldende collectieve overeenkomst of rechtspositieregeling verstrekt.
-3. De gemeente bepaalt bij de verstrekking van de vergoeding bij aanvang van de dienstbetrekking met een bepaalde werknemer de hoogte van de vergoeding voor volgende jaren.
-4. De gemeente verstrekt de vergoeding slechts aan de werkgever:
a. indien in de dienstbetrekking arbeid wordt verricht door een persoon die volgens een door het gemeentebestuur, bedoeld in artikel 9, eerste lid, afgegeven schriftelijke verklaring een langdurig werkloze is;
b. indien de dienstbetrekking met de langdurig werkloze wordt aangegaan voor onbepaalde tijd, met als uitzondering daarop dat de dienstbetrekking met een bepaalde werknemer slechts eenmaal kan worden aangegaan voor een bepaalde tijd van ten hoogste n jaar;
c. indien de werkgever voor de loonkosten voortvloeiend uit het aangaan van die dienstbetrekking geen andere subsidie ontvangt of die kosten niet op andere wijze kan verminderen dan op grond van de hoofdstukken III en IV van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, tenzij een subsidie wordt ontvangen op grond van artikel 16 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten in de vorm van een herplaatsingsbudget dan wel tenzij een plaatsingsbudget of een pakket op maat wordt ontvangen als bedoeld in de artikelen 17 of 18 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, 13b van de Wet inschakeling werkzoekenden of 81a van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, voor zover het pakket op maat niet mede omvat een loonkostensubsidie;
d. indien de werkgever de werknemer op die dienstbetrekking niet ter beschikking stelt voor het verrichten van arbeid in een andere door een andere ondernemer of de werkgever in stand gehouden onderneming;
e. indien de werknemer op die dienstbetrekking werkzaamheden verricht alleen onder directe leiding en toezicht van een persoon die indien het niet de werkgever zelf betreft, in dienst is bij de werkgever in dezelfde onderneming, tenzij deze persoon wegens bijzondere omstandigheden tijdelijk vervangen is door een persoon die niet bij de werkgever in dienst is;
f. indien de dienstbetrekking voldoet aan de vereisten van de arbeidsduur, bedoeld in artikel 6, de vereisten van de beloning, bedoeld in artikel 7, en de werkgever artikel 8 omtrent scholing in acht neemt.

 

Art. 6. Arbeidsduur
De arbeidsduur per week in de dienstbetrekking bedraagt bij aanvang van de dienstbetrekking ten minste zoveel uren dat de werknemer niet is aangewezen op een uitkering als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, waarop hij recht zou hebben gehad indien met hem niet die dienstbetrekking zou zijn aangegaan, tenzij op grond van bij de werknemer gelegen factoren een andere arbeidsduur aangewezen is.

 

Art. 7. Beloning
-1. Het loon dat aan de werknemer op een dienstbetrekking als bedoeld in deze regeling wordt betaald, wordt bij aanvang van die dienstbetrekking voor de eerste twaalf maanden bepaald op een bedrag van niet meer dan het voor hem geldende minimumloon en de vakantiebijslag, bedoeld in de artikelen 8 en 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Van de eerste volzin kan worden afgeweken met een algehele loonsverhoging voor zover het loon over de overeengekomen uitbetalingstermijn met die verhoging niet meer bedraagt dan 103% van het geldende minimumloon. Van de eerste volzin kan daarnaast worden afgeweken indien op basis van de voor de werkgever geldende collectieve overeenkomst of rechtspositieregeling een periodieke loonsverhoging plaatsvindt binnen twaalf maanden na aanvang van de dienstbetrekking.
-2. Het gemeentebestuur staat bij het verstrekken van de vergoeding toe dat van het eerste lid wordt afgeweken indien de langdurig werkloze met het aangaan van de dienstbetrekking een loon zou ontvangen dat minder bedraagt dan het loon dat hij direct voorafgaande aan de dienstbetrekking ontving in een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet inschakeling werkzoekenden.
-3. Het loon, in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, exclusief de vakantiebijslag, dat aan de werknemer in de dienstbetrekking wordt betaald en dat naar evenredigheid wordt verminderd indien de overeengekomen arbeidsduur minder is dan de normale arbeidsduur, bedoeld in artikel 12 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, bedraagt over de overeengekomen uitbetalingstermijn niet meer dan 130% van het bedrag, bedoeld in artikel 8 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, waarbij de op grond van de van toepassing zijnde collectieve overeenkomsten en rechtspositieregelingen geldende toeslagen in verband met werk op ongebruikelijke tijdstippen buiten beschouwing worden gelaten.
-4. Tot het loon, bedoeld in het eerste en derde lid, behoren niet: tantimes, gratificaties en andere beloningen die in de regel slechts eenmaal of eenmaal per jaar worden toegekend, en vergoedingen die worden verleend in het kader van het Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekspersoneel en het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel.

 

Art. 8. Scholing
-1. De gemeente bepleit bij het verstrekken van de vergoeding aan de werkgever dat de werkgever de werknemer in de gelegenheid stelt scholing te volgen die bijdraagt aan het goed vervullen van de werkzaamheden op de dienstbetrekking en het vergroten van zijn kans op een dienstbetrekking anders dan op grond van deze regeling, mits voor ten minste 80% van de overeengekomen arbeidsduur werkzaamheden worden verricht.
-2. In afwijking van het eerste lid kan de voor het verrichten van werkzaamheden beschikbare tijd minimaal 60% van de overeengekomen arbeidsduur bedragen indien opleidingen worden gevolgd die bestaan uit een beroepsbegeleidende leerweg als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs.

 

Art. 9. Verklaring langdurig werkloze
-1. Voor de toepassing van artikel 5, vierde lid, onderdeel a, verklaart het gemeentebestuur van de gemeente waarin de betrokken persoon woonachtig is, zo nodig na overleg met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, in een schriftelijk stuk ten behoeve van de werkgever dat die persoon een langdurig werkloze is.
-2. De verklaring, bedoeld in het eerste lid, geeft tevens aan welk inkomen voor deze persoon aangewezen is om te voldoen aan het vereiste van artikel 6 of welke arbeidsduur voor die persoon aangewezen kan zijn in verband met bij die persoon gelegen factoren.

 

Art. 10. De doelgroep
-1. Langdurig werkloze als bedoeld in deze regeling is de persoon die geen jongere is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inschakeling werkzoekenden en die:
a. twaalf maanden of langer een algemenebijstandsuitkering ontvangt op grond van de Algemene bijstandswet, dan wel een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; of
b. een uitkering ontvangt op grond van een wet genoemd onder a en die langer dan twaalf maanden als werkloos werkzoekende is ingeschreven bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie; of
c. anders dan als jongere een dienstbetrekking heeft als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet inschakeling werkzoekenden of een arbeidsovereenkomst heeft als bedoeld in artikel 5 van voornoemde wet.
-2. Tevens wordt in deze regeling onder een langdurig werkloze verstaan de jongere, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inschakeling werkzoekenden van wie de dienstbetrekking overeenkomstig de artikelen 11, onderdeel a, en 23, eerste lid, onderdeel a, van voornoemde wet is opgezegd.
-3. Het gemeentebestuur, bedoeld in artikel 9, eerste lid, kan voor de toepassing van deze regeling personen gelijkstellen met een langdurig werkloze die in vergelijkbare omstandigheden verkeren als die, bedoeld in het eerste of tweede lid:
a. wegens de duur van de werkloosheid;
b. wegens de duur van het recht op een inkomensvervangende uitkering;
c. wegens de aard van de arbeidsverhouding waarin werkzaamheden zijn verricht; of
d. wegens het eerder op een dienstbetrekking als bedoeld in deze regeling arbeid hebben verricht.

 

Art. 11. Toezichthouders
Onverminderd het bepaalde krachtens artikel 3 van de Kaderwet SZW-subsidies zijn met het toezicht op de naleving van de bij deze regeling aan de gemeente opgelegde verplichtingen belast personen werkzaam bij de Directie Toezicht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

Art. 12. Informatie- en administratieverplichtingen
-1. Het gemeentebestuur verstrekt desgevraagd aan de minister kosteloos alle inlichtingen die hij voor de informatievoorziening, de beleidsvorming en voor het vaststellen, betalen en verlenen van de subsidie nodig heeft en werkt mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat erop gericht is de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van beleidsontwikkeling.
-2. De administratie van de gemeente wordt zodanig ingericht en gevoerd dat alle van belang zijnde vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve van het besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces juist, volledig, tijdig, zichtbaar en controleerbaar zijn.
-3. De gegevens die op grond van het eerste lid aan de minister worden verstrekt, betreffen in ieder geval de gegevens die per kalenderkwartaal overeenkomstig het model in bijlage III worden verstrekt.
-4. Het gemeentebestuur verstrekt de gegevens, bedoeld in het derde lid, uiterlijk vr de twintigste van de tweede maand volgend op het kwartaal waarop de gegevens betrekking hebben.

 

Art. 13. Verlening en betaling subsidie
-1. De minister verleent aan de gemeente voor het jaar 1999 voorschotten op de subsidie, bedoeld in artikel 3, voor het realiseren van arbeidsplaatsen.
-2. De verleende subsidie wordt bij wijze van voorschot per maand op of omstreeks de vijftiende van de maand aan de gemeente betaalbaar gesteld.
-3. Het voorschot, bedoeld in het tweede lid, bedraagt een twaalfde van het bedrag dat de uitkomst is van de vermenigvuldiging van het aantal toegekende arbeidsplaatsen tot en met 1998 en voor het aantal toegekende arbeidsplaatsen voor 1999, bedoeld in bijlage I bij deze regeling, met de daarbij behorende bedragen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a en b; dit voorschot wordt betaald tot en met juni 1999.
-4. Het voorschot, bedoeld in het tweede lid, wordt herzien met ingang van het derde kwartaal 1999 op basis van de opgave van het gemeentebestuur, bedoeld in het vijfde lid, over de dienstbetrekkingen die vervuld zijn op de arbeidsplaatsen, bedoeld in het derde lid, en wordt afgestemd op de landelijk verwachte kosten over die maand.
-5. Een opgave over een kalenderkwartaal, ingericht conform het model in bijlage IV bij deze regeling, wordt ingediend tegelijk met de gegevens, bedoeld in artikel 12, derde lid, en wordt beschouwd als een verzoek tot betaling van een kwartaalvoorschot voor het betreffende kwartaal en tevens als een verzoek tot betaling van maandvoorschotten voor het tweede kwartaal volgend op het kwartaal waarop de opgave betrekking heeft.
-6. Het kwartaalvoorschot wordt bepaald op basis van de opgegeven dienstbetrekkingen op de arbeidsplaatsen met verrekening van de over dat kwartaal eerder betaalde maandvoorschotten. Een kwartaalvoorschot wordt betaald op of omstreeks de vijftiende van de maand volgend op de maand waarin de opgave, bedoeld in het vijfde lid, is ontvangen.
-7. Voor de berekening van het aantal arbeidsplaatsen waarop dienstbetrekkingen zijn vervuld, met het oog op de betaling van de subsidie, bedoeld in het zesde lid, wordt een dienstbetrekking geteld:
- bij instroom tot de zestiende van de maand als een hele arbeidsplaats;
- bij instroom op de zestiende van de maand of later als een halve arbeidsplaats;
- bij uitstroom tot de zestiende van de maand als een halve arbeidsplaats;
- bij uitstroom op de zestiende van de maand of later als een hele arbeidsplaats.
-8. Op verzoek van de gemeente aan wie zoals blijkt uit bijlage I voor een bepaald kalenderjaar niet meer dan 8 arbeidsplaatsen zijn toegekend, kan de subsidieverlening worden herzien indien de dienstbetrekkingen die op de arbeidsplaatsen worden vervuld een zodanige arbeidsduur hebben dat het aantal arbeidsplaatsen, bedoeld in het derde lid, berekend op jaarbasis niet voldoende is en worden verhoogd met ten hoogste 0,5 arbeidsplaats naar het subsidiebedrag van artikel 3, tweede lid, onderdeel b.
-9. Op verzoek van de gemeente kan het voorschot worden verhoogd indien de gemeente een hoger subsidiebedrag nodig heeft in verband met de vervulling van dienstbetrekkingen op de arbeidsplaatsen.

 

Art. 14. Vaststelling van de subsidie
-1. Het gemeentebestuur verstrekt aan de minister jaarlijks vr 20 september, volgend op het jaar waarover wordt verantwoord, een jaaropgave.
-2. De jaaropgave, de verklaring en het verslag van de controle, bedoeld in het derde lid, zijn ingericht overeenkomstig de bij deze regeling behorende modellen in bijlage V en VI.
-3. De jaaropgave wordt voorzien van een verklaring van een deskundige belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet voorgeschreven controle omtrent de juistheid van de verstrekte gegevens.
-4. De verklaring, bedoeld in het derde lid, is gebaseerd op een controle die is uitgevoerd overeenkomstig het bij deze regeling behorende controle- en rapportageprotocol.
-5. Na ontvangst van de jaaropgave stelt de minister de subsidie binnen twaalf maanden vast.
-6. De vastgestelde subsidie kan van de verleende en betaalde subsidie afwijken, indien:
a. de vervulde dienstbetrekkingen op arbeidsplaatsen niet overeenstemmen met het aantal arbeidsplaatsen op grond waarvan de subsidie is verleend;
b. de subsidie niet of niet geheel is besteed overeenkomstig deze regeling;
c. de gegevens, bedoeld in dit artikel, niet of niet volledig zijn verstrekt;
d. de gemeente anderszins handelt in strijd met deze regeling.

 

Art. 15. Opschorting, terugvordering en verrekening
-1. Indien de opgaven en bescheiden, bedoeld in artikel 12, derde lid, 13, vijfde lid, en 14, eerste lid, waaronder de bereidverklaring, bedoeld in artikel 2, vierde lid, niet of niet volledig binnen de daarvoor gestelde termijnen zijn ontvangen, wordt de betaling van het voorschot opgeschort.
-2. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde gegevens wordt de voorschotbetaling hervat en worden de niet-betaalde voorschotten over de periode van opschorting nabetaald.
-3. De minister kan de onverschuldigd betaalde subsidiebedragen geheel of gedeeltelijk terugvorderen of verrekenen met de verleende subsidie voor het tot stand brengen van arbeidsplaatsen als bedoeld in deze regeling in een volgend jaar.

 

Art. 16. Overgangsregeling zorgbanen
-1. Tot 1 januari 2000 verstrekt de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport subsidie aan de Stichting Arbeidsmarkt-, werkgelegenheids- en opleidingsfonds voor de sector zorg en welzijn en aan de Stichting Arbeidsmarkt, werkgelegenheids- en opleidingsfonds bejaardenoorden, voor vergoedingen die werkgevers ontvangen van deze fondsen voor het vervullen van dienstbetrekkingen in de zin van deze regeling die vr de datum van inwerkingtreding van deze regeling met langdurig werklozen zijn aangegaan of in 1999 worden vervuld op aan die werkgevers tot en met 1998 toegekende arbeidsplaatsen op grond van de door deze minister, mede namens de minister, vastgestelde Beleidsregels extra arbeidsplaatsen zorgsector.
-2. Tot 1 januari 2000 is deze regeling niet van toepassing op de financiering van arbeidsplaatsen op basis van besluiten van het College tarieven gezondheidszorg waarop dienstbetrekkingen in de zin van deze regeling vr de datum van inwerkingtreding van deze regeling met langdurig werklozen zijn vervuld of in 1999 worden vervuld op aan werkgevers tot en met 1998 toegekende arbeidsplaatsen op grond van de door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de minister, vastgestelde Beleidsregels extra arbeidsplaatsen zorgsector.
-3. In afwijking van het eerste en tweede lid zijn de artikelen 1, 3, tweede, derde en vierde lid, en 4 tot en met 10, met uitzondering van artikel 5, derde lid, van overeenkomstige toepassing, waarbij voor "de gemeente", voor zover de gemeente als subsidieontvanger wordt aangeduid, de in het eerste lid genoemde stichtingen worden gelezen of "het College tarieven gezondheidszorg" wordt gelezen, voor zover deze artikelen voor de besluiten omtrent de financiering van arbeidsplaatsen, bedoeld in het tweede lid, van toepassing zijn.
-4. Artikel 5, vierde lid, onderdeel d, is niet van toepassing indien de werknemer arbeid verricht in een zorginstelling die niet zijn werkgever is, doch op grond van een vr 1 juli 1998 opgesteld fusieplan per 1 januari 2000 onderdeel uitmaakt van een onderneming die door zijn werkgever in stand zal worden gehouden.
-5. Bij de toepassing van het eerste en tweede lid komt de arbeidsplaats niet meer voor financiering in aanmerking indien de werkgever gedurende twaalf maanden aaneengesloten geen dienstbetrekking op de arbeidsplaats heeft vervuld of indien de werkgever daarom verzoekt, met dien verstande dat kan worden afgeweken van de periode van twaalf maanden indien de periode van twaalf maanden na 1 juli 1999 en vr 1 januari 2000 verstrijkt.
-6. De in het eerste lid genoemde stichtingen verstrekken op verzoek van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de minister gegevens over de werkgevers die vergoedingen ontvangen die noodzakelijk zijn voor het verstrekken van vergoedingen aan werkgevers door gemeenten na 1 januari 2000.

 

Art. 17. Overgang
-1. Dienstbetrekkingen die zijn aangegaan vr de datum van inwerkingtreding van deze regeling en waarop de regeling, bedoeld in artikel 18, van toepassing was en de dienstbetrekkingen waarop artikel 16, eerste en tweede lid, van toepassing is, worden aangemerkt als dienstbetrekkingen in de zin van deze regeling.
-2. Voor besluiten genomen op grond van de in artikel 18 genoemde regeling is deze regeling met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze regeling van toepassing, met dien verstande dat de vergoeding voor de kosten van het vervullen van dienstbetrekkingen met een bepaalde werknemer die aan een werkgever is verstrekt op grond van die regeling niet na de datum van inwerkingtreding van deze regeling kan worden verlaagd, voor zover deze vergoeding betrekking heeft op kosten van de werkgever die rechtstreeks voortvloeien uit de dienstbetrekkingen en betrokken zijn in het subsidiebedrag, bedoeld in artikel 3.
-3. Voor de besluiten genomen op grond van artikel 16, eerste en tweede lid, is het tweede lid, onverminderd artikel 16, derde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing met ingang van 1 januari 2000.
-4. Voor bijdragen en vergoedingen van het Rijk over tijdvakken tot de datum van inwerkingtreding van deze regeling en ten aanzien van bezwaar en beroep tegen besluiten betreffende deze bijdragen en vergoedingen blijft de in artikel 18 bedoelde regeling, zoals deze luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing en blijft de Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid bevoegd.
-5. Voor subsidies op grond van artikel 16, eerste lid, die betrekking hebben op het tijdvak tot 1 januari 2000 en bezwaar en beroep tegen besluiten betreffende deze subsidies blijft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport na 1 januari 2000 bevoegd.
-6. Voor besluiten op grond van artikel 16, tweede lid, die betrekking hebben op het tijdvak tot 1 januari 2000 en bezwaar en beroep tegen die besluiten blijft het College tarieven gezondheidszorg na 1 januari 2000 bevoegd.

 

Art. 18. Intrekking regeling
De Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1996, 1997 en 1998 wordt ingetrokken.

 

Art. 19. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1999.

 

Art. 20. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen, met uitzondering van bijlage VI, in de Staatscourant worden geplaatst.

1. Raadpleeg voor bijlagen III, IV en V Staatscourant 1998, 246. Bijlage VI ligt met ingang van 1 december 1999 ter inzage in de bibliotheek van het ministerie van SZW (Stcrt. 1999, 232). Bijlagen I en II zijn onderaan deze pagina geplaatst, red.

 

s-Gravenhage, 17 december 1998.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.

 

 

 

TOELICHTING
[17 december 1998]

 

Algemeen

 

1. Inleiding


     Onder het vorige kabinet is een reeks van maatregelen getroffen gericht op het verbeteren van de werking van de arbeidsmarkt en een verruiming van de werkgelegenheid, ook met werk dat geen specifieke kwalificaties vereist en dat daardoor geschikt is voor langdurig werklozen om (weer) een plaats in het arbeidsproces te verwerven. Naast meer generiek werkende maatregelen ging het hierbij om enige specifieke maatregelen.
     De Regeling sxtra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1996, 1997 en 1998 (Ewlw) als voorloper van deze Regeling in- en doorstroombanen voor langdurige werklozen maakte van deze specifieke maatregelen deel uit.
     In het Regeerakkoord 1994 was de afspraak vastgelegd om 40 000 extra arbeidsplaatsen te realiseren in de zorg en bij gemeenten. Met deze arbeidsplaatsen werd beoogd structurele nieuwe werkgelegenheid (banen boven de bestaande formatie) tot stand te brengen die leidt tot een terugdringing van langdurige werkloosheid, alsmede van terugdringing van het beroep op de uitkeringsregelingen.
     Naast terugdringing van de langdurige werkloosheid was ook verbetering en uitbreiding van de dienstverlening aan de burger doel van de regeling. Hierbij was gekozen voor het realiseren van arbeidsplaatsen in bepaalde delen van de collectieve sector bij gemeenten en in sectoren bij de zorg.
     De gemeentelijke arbeidsplaatsen waren aanvankelijk bestemd voor de grote steden. De sectoren waarbinnen gemeentelijke arbeidsplaatsen konden worden gerealiseerd, waren in de regeling van 1995 beperkt tot de sectoren openbare veiligheid, toezicht en kinderopvang. Deze zijn in de loop van de jaren uitgebreid met beheer openbare ruimte, beheer publieke monumenten, onderwijs en sport. In de loop der jaren is het aantal deelnemende gemeenten geleidelijk uitgebreid, totdat met ingang van 1 januari 1998 de regeling werd opengesteld voor alle gemeenten.
     Daarnaast konden in onderdelen van de zorg arbeidsplaatsen worden gerealiseerd; ten aanzien van deze plaatsen waren geen geografische beperkingen opgenomen, zij het dat de grote steden vanaf 1996 een voorkeursbehandeling kregen.
     De basis voor de financiering van de rijksbijdrage voor deze extra arbeidsplaatsen is op dit moment de rijksbegroting. Wat betreft de arbeidsplaatsen bij gemeenten zijn de middelen opgenomen in de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en voor de arbeidsplaatsen in de zorgsectoren op de begroting van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De Minister van VWS heeft, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, voor het verstrekken van de vergoedingen beleidsregels vastgesteld en richtlijnen gegeven voor de uitvoerende instanties die de subsidie feitelijk verstrekken. Inhoudelijk is aangesloten bij de regeling voor de gemeentelijke sector.
     Voortvloeiend uit het Regeerakkoord 1998 zullen aan het aantal arbeidsplaatsen (40 000) voor langdurig werklozen 20 000 instroom-/doorstroombanen worden toegevoegd; in 2002 resulteert dat in een totaal van 60 000 arbeidsplaatsen. Het kabinet is zich ervan bewust dat een jaarlijkse bijdrage ten laste van de rijksbegroting voor de realisatie van uiteindelijk een dergelijke omvang niet permanent kan worden gegrond op de manier waarop nu de Ewlw is ingericht, namelijk in de vorm van een ministerile regeling, beleidsregels en richtlijnen. Bij de extra arbeidsplaatsen voor langdurig werklozen gaat het om arbeidsplaatsen met een structureel karakter, waarvan de financiering ten laste van de rijksbegroting eveneens een structureel karakter dient te hebben.
     In het regeerakkoord is eveneens de afspraak neergelegd de Ewlw-regeling op onderdelen te vernieuwen, waarbij als nieuw element is toegevoegd de bevordering van doorstroming.

 

2. Uitvoering op rijksniveau


     Uit een oogpunt van stroomlijning is ervoor gekozen n instantie op rijksniveau te belasten met de toekenning en financiering van alle Ewlw-arbeidsplaatsen en de uitbreiding met de nieuwe ID-banen, alsmede met het toezicht op de uitvoering van de regeling door gemeenten. Vanwege de doelstelling van het Ewlw-programma komt de verantwoordelijkheid inzake de financiering van de reeds tot stand gebrachte arbeidsplaatsen en de toekenning en financiering van de nog te realiseren arbeidsplaatsen in het kader van de nieuwe regeling in deze kabinetsperiode te berusten bij de Minister van SZW. Ook het toezicht komt bij hem te liggen.
     Met het oog hierop worden de taken van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) op het terrein van de toekenning en de financiering van de banen alsmede het toezicht overgedragen aan de Minister van SZW.
     Wat betreft de gehele verantwoordelijkheid ten aanzien van de gemeentelijke arbeidsplaatsen zal dit gebeuren per 1 januari 1999; de verantwoordelijkheid over de jaren tot en met 1998 blijft echter berusten bij de Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid (GSI). Per 1 januari 2000 zal de verantwoordelijkheid voor de uitvoering wat betreft de tot en met 1998 aan zorginstanties toegekende zorgbanen overgaan van VWS naar SZW. De verantwoordelijkheid voor de financile afwikkeling tot en met het jaar 1999 blijft bij de Minister van VWS berusten.

 

3. Vormgeving


     Aangezien de huidige ministerile regeling (de Ewlw-regeling) en de regels voor de zorgsector voor de extra werkgelegenheidsbanen feitelijk slechts gelden tot 1 januari 1999 en ook de daarin vervatte uitvoering door de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nadrukkelijk tot 1 januari 1999 zou lopen, moet er per genoemde datum een nieuwe regeling worden vastgesteld.
     Omdat het hier subsidies betreft die vanaf 1999 ten laste van de SZW-begroting (en tijdelijk voor de zorgsector ten laste van de VWS-begroting) komen, is ervoor gekozen de regeling als een subsidieregeling die gebaseerd is op de Kaderwet SZW-subsidies vorm te geven. Die wet staat het toe bij ministerile regeling of bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) nadere regels te stellen voor de door de betrokken ministers te verstrekken subsidies. Op grond van het in de aanhef genoemde artikel 3 van de Kaderwet SZW-subsidies is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) over subsidies ook geheel van toepassing op de subsidieverstrekking aan gemeenten.
     De gemeenten (en tijdelijk, de uitvoeringsinstanties in de zorg, met uitzondering van het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (COTG) [zie College tarieven gezondheidszorg, red.]) ontvangen de subsidie voor het realiseren van arbeidsplaatsen waartoe ze zich bij wijze van aanvraag bereid verklaren en bestemmen die subsidie grotendeels voor vergoedingen aan de werkgevers die langdurig werklozen in dienst nemen. Het tot stand brengen van dienstbetrekkingen op arbeidsplaatsen die aan bepaalde voorwaarden voldoen is de te subsidiren activiteit. Door de bestaande regelingen te vervangen door een nieuwe regeling wordt de uniformiteit van de aan de rijksbijdragen te verbinden voorwaarden zeker gesteld.
     Om het structurele karakter van de financiering te benadrukken, zal deze regeling op korte termijn worden gevolgd door een meer structurele regeling.

 

4. Uitbreiding en doorstroombanen


     Op grond van het Regeerakkoord 1998 zijn aan de 40 000 Ewlw-banen 20 000 ID-banen toegevoegd. Van deze 20 000 nieuwe banen zullen maximaal 10 000 banen als doorstroombaan worden aangemerkt.
     Doorstroombanen zullen niet apart aan gemeenten worden toegekend. In plaats daarvan zal worden vastgelegd dat een vast aandeel van de Ewlw-banen waarover de gemeenten beschikken, wordt aangemerkt als doorstroombaan. Dit komt erop neer dat na toekenning van de 20 000 nieuwe banen maximaal n van iedere zes banen waarover een gemeente beschikt als doorstroombaan kan worden ingezet. Deze banen mogen weliswaar tot maximaal 150% van het wettelijk minimumloon aan de werknemer worden beloond, maar de vergoeding van het Rijk bedraagt maximaal 130% van het wettelijk minimumloon.
     Doorstroombanen zijn toegankelijk voor werknemers die ten minste vijf jaar op een Ewlw- of instroombaan hebben gewerkt. Vanaf het jaar 2000 zullen de eerste doorstroombanen kunnen worden gerealiseerd, omdat in 1995 pas de eerste instroom op een Ewlw-baan heeft plaatsgevonden. Daarom zijn in de onderhavige regeling geen bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de doorstroombanen; dit zal gebeuren in het kader van de structurele regeling. Volstaan is met het regelen van die onderwerpen die noodzakelijk zijn voor een juiste uitvoering in 1999.

 

5. Uitvoering door gemeenten


     In het kader van vereenvoudiging van de uitvoering is ervoor gekozen de uitvoering in haar geheel neer te leggen bij gemeenten. Dit betreft niet alleen de gemeentelijke Ewlw-arbeidsplaatsen, maar ook die in de zorg. Dit is een belangrijke wijziging ten opzichte van de afgelopen kabinetsperiode. Aangezien het van groot belang wordt geacht dat de overheveling van de uitvoering van de zorginstanties naar gemeenten zorgvuldig plaatsvindt, is ervoor gekozen het jaar 1999 te gebruiken als een overgangsjaar. In dit jaar zal de uitvoering van de bestaande arbeidsplaatsen in de zorg nog bij de Minister van VWS en de uitvoeringsinstanties in de zorg blijven. De gemeenten zullen vanaf 1 januari 1999 wel worden belast met de realisatie van de nieuwe banen in de zorg.

 

6. Gemeentelijke beleidsvrijheid bij realiseren van arbeidsplaatsen


     En van de vereenvoudigingen betreft het loslaten van de sectoren waarbinnen arbeidsplaatsen moeten worden gerealiseerd. Hiermee worden de gemeenten in staat gesteld om ook in andere sectoren met groeiperspectieven wat betreft laaggeschoolde banen extra arbeidsplaatsen te realiseren. Daarnaast kunnen gemeenten initiatieven ontwikkelen ter verbetering van de leefbaarheid in de steden buiten de tot nu toe aangewezen sectoren. Op deze manier wordt met de uitbreiding van het aantal arbeidsplaatsen een nieuwe impuls aan het instrument gegeven.
     Met het niet langer benoemen van sectoren is niet gezegd dat de regeling niet langer n van de belangrijkste pijlers van het grotestedenbeleid is. De regeling blijft nadrukkelijk daarin haar plaats behouden. In dit verband wordt verwezen naar de voorbereiding en het sluiten van "doorstart"-convenanten tussen gemeenten (G25) en Rijk. Gezien het belang van de gemeenten bij het verwezenlijken van het grotestedenbeleid wordt ervan uitgegaan dat de gemeenten in de voorheen benoemde sectoren (met name toezicht, onderwijs en de zorgsector) arbeidsplaatsen tot stand blijven brengen. Wat betreft arbeidsplaatsen in de sfeer van toezicht hebben de gemeenten de afgelopen jaren overigens voortvarend met gebruikmaking van de Ewlw toezichtsorganisaties opgezet. Eenzelfde voortvarende inzet hebben de gemeenten getoond bij het realiseren van arbeidsplaatsen in het onderwijs. Gezien de veelvuldige verzoeken van gemeenten in het verleden om arbeidsplaatsen in de zorg te mogen realiseren, zullen de gemeenten de mogelijkheden om arbeidsplaatsen in de zorg te realiseren ongetwijfeld ten volle gaan benutten. Vanwege de groeimogelijkheden in de komende jaren is ook de kinderopvang een sector waar arbeidsplaatsen gerealiseerd kunnen blijven worden.
     In het regeerakkoord is tevens afgesproken 10% van de arbeidsplaatsen te bestemmen voor arbeidsgehandicapten. Aan de gemeenten zal nadrukkelijk worden gevraagd personen uit deze doelgroep in aanmerking te laten komen voor arbeidsplaatsen ingevolge de regeling. In het kader van het sluiten van de doorstartconvenanten zullen met de G25 hierover nadere afspraken worden gemaakt.

 

7. Frequentie van toekenning van de nieuwe arbeidsplaatsen


     In tegenstelling tot het toekenningsregime in de afgelopen kabinetsperiode worden alle 20 000 nieuwe banen in n keer toegewezen aan de gemeenten. Van deze toewijzing dient de gemeente overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage een bepaald aantal arbeidsplaatsen per jaar te realiseren. In de bevoorschotting is hierbij aangesloten. Aangezien bij de bezetting van arbeidsplaatsen bevoorschotting problemen kan opleveren voor gemeenten waaraan een zeer gering aantal arbeidsplaatsen is toegekend, is in de regeling de mogelijkheid opgenomen om een hogere subsidie aan te vragen.
     Indien de realisatie van het aantal arbeidsplaatsen op jaarbasis niet wordt gehaald, is in de regeling voorzien in de mogelijkheid tot teruggave van de niet-bezette banen aan het Rijk. Deze zullen dan vervolgens worden herverdeeld over andere gemeenten.

 

8. Bekostigingssystematiek


     Over de beloning is in het regeerakkoord afgesproken om de maximumbeloning van de bestaande (instroom)banen te verhogen tot 130% van het wettelijk minimumloon (exclusief toeslagen voor werk op onregelmatige uren). Daarmee passen deze banen in de laagste reguliere CAO-schaal van de betrokken sectoren.
     De ontwikkeling van het huidige bestand Ewlw-banen in de komende jaren alsmede de gedifferentieerde uitbreiding van het programma met instroom- en doorstroombanen, is aanleiding geweest om het bestaande vergoedingssysteem te herzien. Er komt een viertal categorien in de vergoedingen aan gemeenten:
- een bedrag voor instroombanen gedurende de eerste vier jaar;
- een bedrag voor instroombanen na vier jaar of een baan die al vr 1 januari 1996 was vervuld;
- een bedrag voor doorstroombanen;
- een bedrag voor instroombanen die tot en met 1998 zijn toegekend en vr of op 1 januari 1999 zijn bezet. Laatstgenoemde categorie zal in de eindsituatie (uiterlijk eind 2002) niet meer van toepassing zijn, omdat dan voor werknemers die per 1 januari 1999 in hun dienstbetrekking ingevolge de onderhavige regeling zijn begonnen, de termijn van vier jaar is verstreken. Hierna wordt de categorie instroombanen na vier jaar van toepassing.
     Met betrekking tot de doorstroombanen is in het regeerakkoord vastgelegd dat het verschil tussen de vergoeding van 130% van het wettelijk minimumloon en de toegestane maximale beloningshoogte van 150% van het wettelijk minimumloon, door gemeenten c.q. werkgevers zelf dient te worden gefinancierd.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

     De banen die voor vergoeding in aanmerking komen op grond van deze regeling worden gerealiseerd in de collectieve en non-profitsector. Dit is tot uitdrukking gebracht in de definiring van het begrip werkgever in het eerste lid, onderdeel g. Daarnaast wordt in het tweede en derde lid nader inhoud gegeven aan het begrip instelling. Evenals in de Ewlw-regeling is daarbij aangesloten bij de belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, waarbij wordt verwezen naar de artikelen 5 en 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
     Op grond van artikel 5 van laatstgenoemde wet zijn bepaalde rechtspersonen vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Het gaat hierbij om voor de regeling belangrijke sectoren als:
- rechtspersonen die zich bezighouden met natuurschoon;
- toegelaten instellingen op grond van de Woningwet;
- rechtspersonen die zich bezighouden met het in stand houden van openbare leeszalen en bibliotheken;
- gezondheidszorg-, ouderenzorg- en maatschappelijke dienstverleningsinstellingen, voor zover zij lichamen van publiekrechtelijke aard zijn en zo zij winst behalen deze winst uitsluitend aanwenden ten bate van de instelling zelf of een algemeen maatschappelijk belang.
     Wat betreft de verwijzing naar artikel 6 geldt dat de in dat artikel genoemde instellingen moeten aantonen dat zij een algemeen maatschappelijk belang dienen waarbij het streven naar winst geheel ontbreekt, hetzij van bijkomende betekenis is. Daarvoor moet de winst niet meer bedragen dan 13 000,- dan wel in het jaar en de daaraan voorafgaande vier jaren tezamen niet meer dan 65 000,- bedragen en moet de winst uitsluitend worden aangewend ten bate van de rechtspersoon zelf of een algemeen maatschappelijk belang. Het kan voorkomen dat zon instelling mr winst maakt dan als limiet wordt gesteld, maar wel voldoet aan het hoofdkenmerk, dat wil zeggen dat de behartiging van een algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat. In deze situatie is echter ook sprake van een instelling in de zin van deze regeling, namelijk wanneer een dergelijke instelling slechts mede met enige overheidssubsidies kan functioneren. Onder overheidssubsidies wordt eveneens begrepen premiefinanciering. Omdat deze mogelijkheid een uitzondering betreft, dient de toetsing aan deze criteria onderwerp te zijn van nadrukkelijke besluitvorming door de gemeente (het derde lid).
     In het vierde lid worden de rechtspersonen die vr 1 januari 1999 op grond van de voor de zorgsector geldende regels vergoedingen zouden kunnen ontvangen als instelling beschouwd. Dit om te voorkomen dat de gemeenten per instelling moeten toetsen of zij als instelling in de zin van deze regeling kunnen worden aangemerkt. Het gaat met name om de zorginstellingen in de zin van Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Ziekenfondswet (Zfw), de jeugdhulpverlening, de maatschappelijke opvang, de verslavingszorg, de sociaal-pedagogische diensten en de schippersinternaten. In bijlage A bij deze toelichting [er is geen bijlage A bij deze toelichting geplaatst, red.] is een lijst opgenomen met de instellingen in de sectoren die deelnemen aan de regeling extra arbeidsplaatsen zorgsector.
     Het begrip arbeidsplaats in het eerste lid, onderdeel e, is vooral een rekeneenheid. De omvang komt overeen met een dienstbetrekking met een arbeidsduur van 32 uur en niet met die met een gebruikelijke volledige arbeidsduur, die veelal 36 uur zal bedragen. Het subsidiebedrag voor een gemeente wordt bepaald aan de hand van de aantallen arbeidsplaatsen die aan de gemeente worden toegekend.
     De dienstbetrekking in de zin van deze regeling betreft zowel de arbeidsovereenkomst waarop het Burgerlijk Wetboek van toepassing is als de ambtelijke aanstelling (eerste lid, onderdeel c).
     De werknemer in de zin van deze regeling is de langdurig werkloze die op zon dienstbetrekking werkzaam is op de voorwaarden die daarvoor op grond van deze regeling gelden (eerste lid, onderdeel d).

 

Artikel 2. Totstandkoming en aantallen arbeidsplaatsen

     Dit artikel beschrijft in algemene zin voor welke activiteiten de gemeente subsidie ontvangt. Het gaat om het realiseren van werkgelegenheid (arbeidsplaatsen) door de kosten te vergoeden (zie artikel 5) die uit het aangaan van dienstbetrekkingen met een langdurig werkloze voortvloeien. Die dienstbetrekkingen moeten aan bepaalde kenmerken voldoen (zie artikel 5, vierde tot en met achtste lid) om de werkgever de kosten daarvan te kunnen vergoeden.
     Het tot stand komen van deze arbeidsplaatsen vergt ook inspanning van de gemeente, waarbij zij kosten maakt. Daarom mag de gemeente een deel van deze kosten financieren door een deel van de subsidie (zie artikel 3, tweede lid, onderdeel a) ook hiervoor te gebruiken.
     In het tweede lid wordt, evenals in de Ewlw-regeling, geregeld dat de gemeente een beleid vaststelt dat in het driehoeksoverleg is besproken, voordat wordt overgegaan tot het creren van arbeidsplaatsen op het terrein van toezicht en openbare veiligheid.
     Het derde lid betreft de eerste verdeling van het totaal van 60 000 arbeidsplaatsen over de gemeenten. Dit betreft in de eerste plaats de arbeidsplaatsen die al aan de gemeenten zijn toegewezen op grond van de Ewlw-regeling. Die worden niet in algemene zin herverdeeld. Bij de verdeling van de arbeidsplaatsen in deze en de vorige kabinetsperiode is rekening gehouden met het aandeel bijstandsgerechtigden. De uitkomsten voor de verdeling tot 2003 per gemeente zijn in bijlage I opgenomen. Dit is de som van de reeds eerder toegekende Ewlw-banen van 1995 tot en met 1998 en de 20 000 nieuwe ID-banen die gelijkmatig zijn verdeeld over 1999 tot en met 2002. In bijlage I is nog geen rekening gehouden met de ongeveer 14 500 banen in de zorgsector. Die zorgbanen zullen per 1 januari 2000 aan gemeenten worden overgedragen. Er wordt van uitgegaan dat in het jaar 2003 alle 60 000 arbeidsplaatsen zijn verdeeld en ingevuld met dienstbetrekkingen. Omdat de financiering van deze banen door het Rijk aan de gemeenten structureel is gegarandeerd, zijn de gemeenten in staat de 60 000 banen ook na 2002 te bekostigen.
     Het vierde lid regelt de bereidverklaring. Deze kan worden beschouwd als een soort aanvraag. De gemeenten zijn niet gehouden de hun toebedeelde arbeidsplaatsen te realiseren. Pas nadat de gemeente de bereidverklaring heeft ingediend, geeft zij aan de subsidie te willen ontvangen om de arbeidsplaatsen te realiseren. Het indienen van de verklaring geeft dus aan dat de gemeente vrijwillig voor de uitvoering van de regeling kiest. Zodra het Rijk deze verklaring heeft ontvangen, moet de gemeente het haar aantal toegewezen arbeidsplaatsen ook voortvarend gaan realiseren.
     Er zal een uniforme bereidverklaring worden gehanteerd volgens bijlage II. De intentie van de gemeenten zal ook tot uitdrukking komen in de doorstartconvenanten met de 25 grote steden. Daarbij zal in ieder geval worden benoemd in welke mate in bepaalde sectoren banen zullen kunnen worden gerealiseerd. Gestreefd wordt naar het handhaven en zo mogelijk uitbreiden van het huidige niveau in de zorgsector en de inzet in het kader van het toezicht en het onderwijs. De 25 grote steden realiseren zich het grote belang voor de zorgsector van het tot stand brengen van arbeidsplaatsen bij zorginstellingen. Om die reden zullen zij zich ervoor inzetten dat een aanzienlijk deel van het aan de G25 toegewezen quotum van in totaal 14 500 instroom- en doorstroombanen (van de 20 000) bestemd wordt voor zorginstellingen, ook buiten de eigen gemeentegrenzen. Bij de realisatie van deze banen zal gebruik kunnen worden gemaakt van de expertise van regiepunten voor de zorgsector; zie ook de toelichting bij artikel 16. Het Rijk zal de voortgang met behulp van monitoring toetsen. De steden zullen in hun ontwikkelingsplannen per stad in het kader van het grotestedenbeleid acties voor het realiseren van de banen in de zorg en het onderwijs opnemen.
     Daarnaast zal ook worden afgesproken dat 10% van de banen beschikbaar moeten zijn voor arbeidsgehandicapten. Het gaat hier om inspanningsafspraken die nu nog niet in de regeling zijn neergelegd. Overigens gaat het hier om inspanningen op terreinen waarvoor de gemeenten zelf al voldoende aandacht hebben. Op basis van gegevens zal door het Rijk worden nagegaan of deze inspanningen ook daadwerkelijk gerealiseerd worden.
     Op grond van het vijfde lid kunnen de aantallen banen die in beginsel voor de komende periode beschikbaar zijn voor gemeenten (vast te stellen op grond van het derde lid) worden herzien. Allereerst vanwege onderdeel a, omdat rekening moet worden gehouden met het volume Wiw-dienstbetrekkingen die met niet-jongeren zijn aangegaan. Daarbij zal nadrukkelijk rekening worden gehouden met het aantal Wiw-dienstbetrekkingen dat is omgezet naar banen in de zin van deze regeling en met Wiw-dienstbetrekkingen waarvan de werknemers zijn doorgestroomd naar zon baan. Het is immers niet de bedoeling dat de gemeente in deze gevallen minder Wiw-dienstbetrekkingen aangaat. De Wiw-dienstbetrekking moet in voldoende mate beschikbaar blijven als een (tijdelijke) voorziening die op de persoon van de langdurig werkloze of jongere is toegesneden, om de toegang tot het arbeidsproces te vergroten.
     In onderdeel b is geregeld dat arbeidsplaatsen waarop geen dienstbetrekkingen tot stand zijn gekomen door een gemeente op aanwijzing van het Rijk moeten worden teruggegeven.
     De arbeidsplaatsen die terugkomen, kunnen dan worden herverdeeld onder gemeenten. Het beleid voor de toepassing van dit vijfde lid zal echter nog nader worden vastgesteld.

 

Artikel 3. Subsidiebedragen

     Dit artikel regelt de uitgangspunten bij de subsidiring. Er wordt uitgegaan van een lumpsumbedrag per arbeidsplaats dat voor een belangrijk deel bedoeld is om de kosten van de werkgever te vergoeden. Het bedrag is samengesteld uit een deel dat bedoeld is voor de uitvoeringskosten van de gemeente en aanvullende kosten voor de werkgever, zoals scholing (het derde lid; zie ook de toelichting bij artikel 5). Het andere deel van de lumpsum voor het jaar 1999 is bestemd voor vergoeding van loonkosten door de werkgever. De bedragen zijn in het tweede lid onverdeeld al naargelang van de duur van de dienstbetrekking in de onderdelen a, b of c. Er wordt op gewezen dat bij het vaststellen van de bedragen rekening is gehouden met de gemiddelde werkgeverslasten. Bij het vaststellen van de bedragen bij de onderdelen a en b is tevens rekening gehouden met de afdrachtverminderingen op grond van de hoofdstukken III en IV van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA) waarvoor werkgevers in aanmerking kunnen komen. Bij het vaststellen van de hoogte van het bedrag voor onderdeel c is rekening gehouden met het vervallen na vier jaar van het recht op de afdrachtvermindering langdurig werklozen op grond van de WVA en met het feit dat de WVA pas met ingang van 1 januari 1996 is ingevoerd en niet van toepassing is voor vr die datum tot stand gekomen dienstbetrekkingen op arbeidsplaatsen. De bedragen, genoemd in het tweede en derde lid, zijn voorts gendexeerd naar de ontwikkeling van prijzen en lonen voor 1999. De subsidie betreft:
- bedragen voor de bestaande dienstbetrekkingen (onderdelen a en c); of
- een bedrag voor nieuw aangegane dienstbetrekkingen met een bepaalde werknemer (onderdeel b).
     Dit laatste bedrag wordt geacht voldoende te zijn voor de vergoedingen gedurende de eerste vier jaar van het dienstverband op een ID-baan. Bij het bepalen van de termijn van vier jaar mag wel rekening worden gehouden met de tijd die is doorgebracht op een Wiw-dienstbetrekking, inclusief de periode in de banenpool (het vierde lid), evenwel na aftrek van een termijn van twee jaar. Gedurende de eerste twee jaar op een Wiw-dienstbetrekking mag ingevolge artikel 15, tweede lid, Wiw immers niet meer worden betaald dan het wettelijk minimumloon.

 

Artikel 4. Tegengaan verdringing en concurrentievervalsing

     Voorkomen moet worden dat met het realiseren van de arbeidsplaatsen andere reguliere werkgelegenheid wordt verdrongen. Vooral onderdeel b van het eerste lid heeft met de toets op recent ontslag hierop betrekking. Deze toets zal plaatsvinden door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, voordat aan de werkgever een verklaring langdurig werkloze kan worden afgegeven. Deze verklaring is nodig om de werkgever in aanmerking te laten komen voor de afdrachtvermindering langdurig werklozen (op grond van de WVA) op de in te houden loonheffing. Teneinde verdringing tegen te gaan, is het van belang dat de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging schriftelijk een positief advies geeft over de totstandkoming van een dienstbetrekking voor een langdurig werkloze. Indien er geen ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging bij de werkgever is ingesteld, zal de accountant van die werkgever ten behoeve van de gemeente kunnen verklaren dat geen verdringing van werkgelegenheid plaats vindt. Daarnaast is het met het oog op de acceptatie van de arbeidsplaats binnen de arbeidsorganisatie eveneens van belang dat de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging een oordeel geeft. Voordat de gemeente een vergoeding aan een werkgever verstrekt, zal zij aan de hand van deze vereisten moeten vaststellen dat geen verdringing optreedt.
     Voorts is in het tweede lid de algemene norm opgenomen dat de prijzen voor de diensten en goederen op grond van het feit dat de loonkosten beperkt zijn, niet concurrentievervalsend zijn. Bij de prijsstelling van goederen en diensten die door de instellingen waaraan arbeidsplaatsen zijn toegekend, worden aangeboden, waarbij ook moet worden gedacht aan de hoogte van eigen bijdragen en dergelijke, mogen de rijksbijdragen voor de arbeidsplaats dus niet worden betrokken. Deze algemene norm die betrekking heeft op het voorkomen van concurrentievervalsing is vooral opgenomen om een handvat te bieden in een procedure waarbij een onderneming zich benadeeld acht door de prijsstelling die mogelijk wordt doordat de arbeid is gesubsidieerd.
     De gemeenten zijn ervoor verantwoordelijk dat verdringing en concurrentievervalsing wordt voorkomen, omdat anders geen arbeidsplaatsen tot stand komen op een wijze als in deze regeling wordt beoogd en de subsidie dan voor een activiteit is aangewend waarvoor die niet is bedoeld. In het toezicht zal er dan ook aandacht voor zijn dat gemeenten zich ervan vergewissen dat aan de vereisten van het eerste lid is voldaan. Wat betreft het tweede lid wordt ervan uitgegaan dat klachten over concurrentievervalsing primair op gemeentelijk niveau worden afgedaan. Op grond van de Wiw (artikel 6, vierde lid) stellen de gemeenten regels vast voor de beoordeling van klachten over concurrentievervalsing. Deze regels zouden, omdat zij dezelfde achtergrond hebben, ook door de gemeente van toepassing kunnen worden verklaard op de klachten over overtreding van het tweede lid. Het ligt in de rede dat de gemeenten over het toepassen van deze klachtenprocedures bij deze banen in overleg treden met vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in de regio waarin de gemeente gelegen is.

 

Artikel 5. Vergoeding aan werkgever

     De vergoeding aan de werkgever moet in ieder geval kostendekkend zijn voor de loonkosten in het eerste jaar (het tweede lid). Dit bedrag is de minimumvergoeding die een werkgever ontvangt. Op grond van artikel 7, eerste lid, mag de werkgever in het eerste jaar namelijk niet meer betalen dan het minimumloon. Het tweede lid van artikel 7 bevat daarop een uitzondering voor de personen die uit een Wiw-dienstbetrekking instromen in een dienstbetrekking op grond van deze regeling. De kostendekkendheid strekt zich in het eerste jaar ook uit tot loonbestanddelen als eindejaarsuitkeringen die de werkgever op grond van de CAO vanaf aanvang van de dienstbetrekking moet verstrekken. In de navolgende jaren heeft de gemeente enige beleidsvrijheid in het verhogen van de vergoeding als het gaat om de arbeidskosten. Deze vrijheid heeft ook betrekking op de aanvullende kosten. De gemeente is niet gehouden het maximum van het bedrag van 4250,- te verstrekken als een (jaarlijkse) bijdrage aan de werkgever. Als een gemeente het bijvoorbeeld noodzakelijk acht om over een periode van een aantal jaren in aanvang mr dan 4250,- en later minder aan de werkgever te vergoeden, is dit mogelijk.
     Het derde lid schrijft echter voor dat daarover aan de werkgever vanaf de aanvang van de dienstbetrekking met de langdurig werkloze duidelijkheid wordt geboden. Bij de financiering wordt ervan uitgegaan dat de werkgevers het loon van de werknemer verhogen met een geleidelijke periodieke verhoging waarbij in beginsel de bepalingen van de betreffende CAO richtinggevend zijn. Dit artikellid heeft betrekking op de hoogte van de vergoeding die de gemeente aan de werkgever dient te betalen. Er wordt van uitgegaan dat de gemeente bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding aan de werkgever met de door de werkgever te betalen verhogingen op grond van de CAO rekening houdt. De gemeente hoeft de vergoeding niet te verhogen indien de werkgever aan de werknemer (binnen de grenzen van deze regeling) sneller meer loon gaat betalen. Voorts hoeft bij de vergoeding geen rekening te worden gehouden met het feit dat de werkgever de afdrachtvermindering langdurig werklozen zal verliezen omdat het loon door het verstrekken van onregelmatigheidstoeslagen boven de toetsgrens van 130% minimumloon komt. Zo kunnen gemeente en werkgever bijvoorbeeld afspreken dat de vergoeding door de gemeente een bepaald percentage van het wettelijk minimumloon niet te boven zal gaan of dat tot het maximum van een bepaalde CAO-schaal zal worden vergoed. Deze afspraken kunnen in geen geval de maximumbeloning die de regeling toelaat, overschrijden. Overigens zal het derde lid geen onderdeel uitmaken van de rechtmatigheidstoets.
     In het vierde lid worden de voorwaarden genoemd waaronder de werkgever voor de vergoeding in aanmerking komt. Het moet in de eerste plaats gaan om een dienstbetrekking met een langdurig werkloze. De werkgever dient daartoe van de gemeente waarin de beoogde werknemer woonachtig is een verklaring te verkrijgen (onderdeel a). Deze verklaring is geregeld in artikel 9.
     Voorts moet gewaarborgd zijn dat het dienstverband structureel is; daarom dient het voor onbepaalde tijd te worden aangegaan. Een uitzondering op dit voorschrift kan worden gemaakt voor het eerste jaar van de dienstbetrekking. In bepaalde sectoren is bij CAO of in de geldende rechtspositieregeling bepaald dat de werknemer eerst voor bepaalde tijd dient te worden aangesteld, waarbij de termijn van n jaar gebruikelijk is. Vandaar dat in onderdeel b de maximumgrens voor de (eenmalige) bepaalde duur op n jaar is gesteld.
     Daarnaast mag de dienstbetrekking niet op andere wijze al gesubsidieerd zijn. Wel kan de werkgever een herplaatsingsbudget, plaatsingsbudget of een pakket op maat (zonder loonkostensubsidie) ontvangen in het kader van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (onderdeel c).
     De onderdelen d en e bevatten het - gecontinueerde - detacheringsverbod en zogenaamd omgekeerde detacheringsverbod. De bedoeling is dat de werknemer in de onderneming van de werkgever zijn werkzaamheden verricht onder diens directe leiding en toezicht en niet gedetacheerd wordt naar een andere onderneming van een andere of dezelfde werkgever. Die leiding en dat toezicht dienen afkomstig te zijn van werknemers van de formele werkgever, of indien geen andere werknemers bij die werkgever in dienst zijn, de werkgever zelf (veelal in de persoon van een bestuurslid). De werkzaamheden moeten deel uitmaken van de reguliere taak van de onderneming. In dit verband wordt nog verwezen naar de Richtlijn toepassing detacheringsverbod, AM/RAW/98/147-I (Stcrt. 1997, 245) [zie Beleidsregels toepassing detacheringsverbod Besluit in- en doorstroombanen, red.].
     Onderdeel f bevat de verwijzing naar de vereisten omtrent de arbeidsduur en de beloning in de artikelen 6 en 7 en de bepaling over de scholing in artikel 8.
     Al deze vereisten van het vierde lid wijken inhoudelijk niet af van de vereisten die al op grond van de Ewlw-regeling golden. Hier en daar is gekozen voor een andere formulering ter verduidelijking en om de regeling algemeen toegankelijker te maken.
     De gemeente moet steeds nagaan of de werkgever aan deze vereisten blijft voldoen en of de vergoeding dus nog rechtmatig wordt verstrekt. Het resultaat van die beoordeling en de daarop betrekking hebbende bescheiden moeten zijn opgenomen in de gemeentelijke administratie, die moet voldoen aan de vereisten die zijn geregeld in artikel 12, tweede lid.

 

Artikel 6. Arbeidsduur

     Het belangrijkste voorschrift omtrent de arbeidsduur bij aanvang van de dienstbetrekking is dat die ten minste zon omvang heeft dat de inkomsten die met de arbeid worden verworven, aanvullende gemeentelijke uitkering (veelal bijstandsuitkering) overbodig maken. Voor een persoon met bijstandsuitkering zal dat veelal rond de 30 uur zijn, tenzij hij kostwinner is, dan is een fulltimedienstverband noodzakelijk. Er kunnen bijzondere omstandigheden bij de persoon gelegen zijn waardoor zon arbeidsduur niet haalbaar is en een aanvullende uitkering dus noodzakelijk blijft. Bij die omstandigheden kan het gaan om zorgtaken voor alleenstaande ouders, beperkingen wegens medische redenen, waardoor een bijna volledige baan niet is op te brengen, of het volgen van scholing. De gemeente die de uitkering verstrekt, kan beoordelen om welke omvang het gaat en kent ook de beperkingen in relatie tot de verplichtingen die uit het recht op uitkering voortvloeien. In het kader van de uitvoering van de Algemene bijstandswet stelt het gemeentebestuur immers vast of de persoon om redenen van medische of sociale aard is aangewezen op het verrichten van arbeid in deeltijd (op grond van artikel 107 Abw). Het is deze gemeente die in de verklaring over het langdurig werkloos zijn meteen een indicatie geeft over arbeidsduur of omstandigheden.
     Eenzelfde soort beoordeling moet de gemeente maken in het kader van de toepassing van de Wiw, waarbij het om vergelijkbare omstandigheden gaat die een kortere arbeidsduur op een Wiw-dienstbetrekking in combinatie met een uitkering rechtvaardigen. Voor zover de gemeente die de arbeidsplaats gesubsidieerd krijgt en de vergoedingen verstrekt, niet dezelfde is als de gemeente waar de langdurig werkloze woont, is eerstgenoemde gemeente wat betreft arbeidsduur of omstandigheden volgend.
     Deze bepaling omtrent de arbeidsduur heeft dus alleen betekenis voor personen die voorafgaand aan de dienstbetrekking in de zin van deze regeling een bijstandsuitkering ontvingen en niet voor bijvoorbeeld herintreders die geen uitkering ontvingen. Een minimumarbeidsduur is niet bepaald. Dit wordt niet nodig geacht. Wil immers een werkgever in aanmerking komen voor de vermindering langdurig werklozen op grond van de WVA, dan mag de arbeidsduur niet minder dan 15 uur zijn. Voorts zal in het algemeen een kortere arbeidsduur niet bevorderlijk zijn voor de instroom in het arbeidsproces na een lange periode van werkloosheid. Het is dus in het belang van alle partijen dat de arbeidsovereenkomsten van de langdurig werklozen substantieel van omvang zijn.

 

Artikel 7. Beloning

     Dit artikel regelt de beloningsgrenzen. In het eerste jaar wordt niet meer betaald dan het wettelijk geldend minimumloon. In de jaren daarna kan de beloning oplopen tot een maximum van 130% van het wettelijk minimumloon.
     Op de beloning in het eerste jaar gelden enkele uitzonderingen. In het eerste lid zijn genoemd: een eerdere periodieke loonsverhoging op basis van een algemeen geldende loonafspraak en/of een algehele loonsverhoging indien het loon dan niet hoger wordt dan 103% van het geldende minimumloon. Wanneer beide uitzonderingen zich voordoen, kan het loon dus meer bedragen dan 103% van het wettelijk minimumloon. Deze uitzonderingen kende de Ewlw-regeling ook al.
     Daarnaast is in het tweede lid een uitzondering opgenomen voor de personen die in een Wiw-dienstbetrekking direct voorafgaande aan de dienstbetrekking in de zin van deze regeling al meer verdienden dan het wettelijk minimumloon.
     Het derde lid regelt de grens tot 130% van het wettelijk minimumloon. De grensbedragen gelden per uitbetalingstermijn. Met het bij de overeengekomen uitbetalingstermijn behorende minimumloon op grond van artikel 8 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag moet worden gerekend om het bedrag behorend bij de 130% te bepalen. Daarnaast heeft de werknemer recht op de minimumvakantiebijslag.
     Om te beoordelen of de grens van 130% wordt overschreden, wordt een onregelmatigheidstoeslag niet meegerekend.
     Daarnaast is in het vierde lid nog een uitzondering gemaakt op het brede loonbegrip in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964. Daartoe behoren niet eindejaarsuitkeringen en andere eenmalige uitkeringen en vergoedingen zoals tegemoetkoming in de premie voor verzekeringen van ziektekosten. Deze kunnen naast het minimumloon en het bedrag van 130% van het minimumloon worden betaald. Eenzelfde soort uitzondering op het loonbegrip als hier is geregeld, geldt voor de toetsing aan het toetsloon in de WVA ten aanzien van de toepassing van de afdrachtvermindering langdurig werklozen. Overigens moeten voor de toepassing van de WVA de onregelmatigheidstoeslagen wel worden meegenomen.
     Ten slotte wordt nog eens gewezen op het mogelijk uiteenlopen van een landelijke ontwikkeling met betrekking tot de vorming van CAOs en de hieruit voortvloeiende kosten die werkgevers voor vergoeding voorleggen aan de gemeenten. Zowel de gemeenten als de werkgevers zijn gehouden aan de onderhavige regeling. Dit betekent dat de eventuele rekening van aanvullende landelijke afspraken niet bij individuele gemeenten terecht kan komen indien deze niet zijn voorzien in de regeling, zoals wel is gedaan in het eerste jaar voor zover de grens van 103% niet wordt overschreden.

 

Artikel 8. Scholing

     Om de arbeid op de dienstbetrekking beter te kunnen vervullen en om doorstroom naar ander regulier werk te bevorderen, moet de werknemer in staat zijn scholing te volgen. Dit artikel heeft daarop betrekking.
     De werknemer valt wat betreft zijn rechtspositie geheel onder de verantwoordelijkheid van de werkgever. Daarom moet in de eerste plaats de werkgever uit de ter beschikking staande middelen voor scholing van het personeel de scholingskosten geheel of gedeeltelijk vergoeden. Indien sprake is van aanvullende scholing waarvoor aan de werkgever geen middelen ter beschikking staan, kan de gemeente hiervoor uit de aanvullende kosten een bijdrage verstrekken.
     Het zal daarbij gaan om scholingsvoorzieningen die in combinatie met het verrichten van werkzaamheden kunnen worden gevolgd. Het is niet de bedoeling dat een groot deel van de arbeidstijd heengaat met het volgen van scholing. Vandaar dat het vereiste is gesteld dat op 80% van de overeengekomen arbeidsduur werkzaamheden worden verricht. Dit mag dan wel over een langere periode worden bezien, bijvoorbeeld over een kwartaal of halfjaar.
     In het kader van de beroepsbegeleidende leerweg op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs is het mogelijk opleidingen te volgen waarvan de beroepspraktijkvorming minimaal 60% bedraagt. Om het volgen van deze opleidingen niet te beperken, is de uitzondering in het tweede lid opgenomen. In dit verband wordt erop gewezen dat het hierbij in het algemeen gaat om opleidingen die in het kader van een CAO worden afgesproken en die speciaal gericht zijn op werkenden.
     Met het oog op doorstroming in de organisatie van de werkgever wordt het van belang geacht dat de belangen van de werknemer bij interne vacaturevervulling nadrukkelijk worden meegenomen. In het regeerakkoord is dit aangeduid als het verkrijgen van een voorrangspositie. Over de invulling hiervan zullen op landelijk niveau afspraken worden gemaakt met de meest betrokkenen. Op dit punt staat het de gemeente vrij nadere afspraken met werkgevers te maken.

 

Artikelen 9 en 10. Langdurig werklozen

     Deze artikelen regelen wie in aanmerking kunnen komen voor een dienstbetrekking in de zin van deze regeling. De verklaring in artikel 9 en de doelgroepbepaling in artikel 10 zijn in essentie dezelfde als in de Ewlw-regeling.
     De werkgever moet weten of de persoon die hij in dienst wil nemen een langdurig werkloze is. Daarvoor heeft hij een verklaring nodig van de gemeente waarin die persoon woonachtig is, omdat dat de gemeente is die veelal ook de uitkering verstrekt. De verklaring heeft een declaratoir karakter. Wanneer de beoogde werknemer voldoet aan de vereisten van artikel 10, eerste en tweede lid, geeft de bevoegde gemeente de verklaring af. Die gemeente kan de verklaring dan niet weigeren. Alleen de toepassing van artikel 10, derde lid, biedt de gemeente afwegingsruimte. Er wordt op gewezen dat de gemeente die de verklaring afgeeft een andere kan zijn dan de gemeente die de vergoeding voor de arbeidsplaats verstrekt. Laatstbedoelde gemeente moet overigens wel controleren of de werkgever beschikt over de vereiste verklaring. Om in aanmerking te komen voor de afdrachtvermindering langdurig werklozen (een korting op de af te dragen loonheffing) op grond van de WVA heeft de werkgever ook een verklaring langdurig werkloze van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie nodig. Het overleg tussen het desbetreffende gemeentebestuur en Arbeidsvoorziening als wordt voorgeschreven in artikel 9 moet voorkomen dat beide instanties dezelfde toetsen uitvoeren en verschillende verklaringen afgeven. Deze situatie kan ontstaan bij personen die door de gemeente gelijkgesteld worden aan langdurig werklozen (artikel 10, derde lid) op grond van de duur van inschrijving als werkloos werkzoekende, waarbij perioden van niet-inschrijving niet als onderbreking worden aangemerkt of als perioden van inschrijving worden aangemerkt.
     Voor de gelijkstellingen krijgt de gemeente meer beleidsvrijheid dan in de Ewlw-regeling was opgenomen. Wanneer een persoon gelijk wordt gesteld aan een langdurig werkloze, is de Arbeidsvoorzieningsorganisatie volgend. Bij de gelijkstelling is de inbreng van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie vooral van belang voor personen die geen of tijdelijk geen uitkering hebben, maar wel al langdurig zijn geregistreerd als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Onderbrekingen van die inschrijving bij Arbeidsvoorziening kunnen op dezelfde wijze buiten beschouwing worden gelaten als wordt geregeld in artikel 11 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering (tijdelijk arbeid verrichten, onbetaalde arbeid verrichten, ontheffing van verplichtingen tot inschrijving en geen arbeid verrichten wegens ziekte). Daarnaast kan de gemeente ook overleg met Arbeidsvoorziening voeren over de selectie van de kandidaten en de bemiddeling naar werkgevers.
     In het artikel 10, derde lid, zijn de omstandigheden op grond waarvan gelijkstelling mogelijk is in algemene bewoordingen aangeduid. Dit om in geval van grensgevallen, die gemakkelijk kunnen ontstaan indien aantallen dagen of uren worden genoemd, toch tot gelijkstelling te kunnen komen. De omstandigheden zijn overigens wel vergelijkbaar met die de Ewlw-regeling kenden.
     Bij onderdeel a (de duur van de werkloosheid) gaat het enerzijds om personen die geen uitkering ontvingen, maar wel al langdurig geen arbeid hebben verricht. Daarbij is in eerste instantie gedacht aan herintreders. Voorts gaat het om de omstandigheden die hiervoor zijn genoemd en als zodanig zijn opgenomen in artikel 11 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering. De belangrijkste onderbreking is die waarin gedurende korte tijd arbeid wordt verricht. Het criterium 50 dagen of 400 uur bleek in de praktijk veel vragen op te roepen. De gemeente heeft hierdoor meer vrijheid gekregen om in voorkomende situaties een individuele afweging te maken.
     Onderdeel b betreft de situatie dat een persoon een andere inkomensvervangende uitkering heeft ontvangen dan van de gemeente of een andere dan een bijstandsuitkering, zoals wachtgeld. Voorts wordt hierbij gedacht aan personen die een WAO- of WW-uitkering ontvangen.
     Onderdeel c betreft de situatie dat iemand tijdelijk gewerkt heeft op een gesubsidieerde arbeidsplaats anders dan een Wiw-dienstbetrekking of werkervaringsplaats, maar toch weer werkloos is geworden. Het is dan niet redelijk zon persoon eerst n jaar te laten wachten voordat hij in aanmerking kan komen voor een dienstbetrekking als bedoeld in deze regeling. Hierbij wordt in de eerste plaats gedacht aan een baan waarbij de werkgever subsidie ontving op grond van het Tijdelijk besluit subsidiring experimenten activering van uitkeringsgelden (de zogenaamde EAU of Melkert II-regeling). Zeker wanneer die werkzaamheden van korte duur zijn geweest, is hij er eigenlijk niet in geslaagd uit zijn langdurige werkloosheidspositie te komen en behoort hij nog steeds tot de doelgroep.
     Tot slot kan een persoon werkzaam zijn geweest in een baan als bedoeld in deze regeling en een nieuwe dienstbetrekking bij een andere werkgever in het kader van deze regeling willen aanvaarden. Dan behoort hij ook tot de doelgroep (onderdeel d).
     Overigens bevat de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering in artikel 9, derde lid, de bepaling dat voor de maximale duur van de afdrachtvermindering dan rekening wordt gehouden met de afdrachtvermindering die de vorige werkgever heeft ontvangen indien de werkzaamheden binnen drie maanden na beindiging van de vorige dienstbetrekking hebben plaatsgevonden. De termijn van 60 dagen die in de Ewlw-regeling stond, zou dan ook voor de gemeenten bij de toepassing van dit onderdeel d als richtsnoer kunnen dienen.

 

Artikel 11. Toezichthouders

     De Kaderwet SZW-subsidies waarop deze regeling is gebaseerd, regelt dat de minister de toezichthouders nader kan aanwijzen. In dit artikel is geregeld dat de ambtenaren van de Directie Toezicht toezicht houden op de naleving van deze regeling op een wijze die vergelijkbaar is met het toezicht op de gemeentelijke uitkeringsverstrekking en toeleiding naar werk. Het toezicht heeft betrekking op de rechtmatigheid en doeltreffendheid van deze regeling en sluit aan bij de single-auditontwikkelingen. Dit betekent niet alleen dat het toezicht op twee niveaus plaatsvindt - eerstelijns- en tweedelijnsuitvoeringscontrole - maar ook dat de minister zich bij de definitieve vaststelling van de rijkssubsidie in beginsel baseert op bestuurlijke en verantwoordingsinformatie van de gemeente. Voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitvoering door gemeenten zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van de uitkomsten van de controle door de bij de gemeente fungerende accountant. Op grond van artikel 14, vierde lid, wordt hiervoor een controle- en rapportageprotocol opgesteld. In een latere fase kan worden overgegaan naar een vorm van single audit waarbij de gemeente een verantwoordingsverslag over de uitvoeringsresultaten opstelt.
     De positie van de departementale accountantsdienst bij het toezicht op het verstrekken van subsidies hoeft hier niet te worden geregeld; dit is al gebeurd in de Algemene Regeling SZW-subsidies.
     Het is niet de bedoeling dat de gemeenten op grond van deze regeling extra informatieverplichtingen worden opgelegd. Het beginsel van single audit bewerkstelligt dit.

 

Artikel 12. Informatie- en administratieverplichtingen

     De verplichtingen voor de subsidieontvanger, dat wil zeggen de gemeente, die in dit artikel worden geregeld, moeten ook in aanvulling worden beschouwd op de algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger die aan subsidieverlening zijn verbonden en zijn opgenomen in de Algemene Regeling SZW-subsidies. De informatieverplichtingen die op grond van dit artikel nader worden geregeld, hebben vooral betrekking op de informatie in het kader van de monitoring op de realisatie. Vandaar dat is bepaald dat de gemeente moet meewerken aan onderzoek dat door of namens de minister wordt ingesteld. Gegevens van werkgevers kunnen via de gemeente worden gevraagd. Dit betekent dat de gemeente bij het verstrekken van de vergoeding aan werkgevers, deze werkgevers ook daarvoor relevante informatieverplichtingen kan opleggen. Wel moet het voor de toezichthouders mogelijk zijn ook bij de werkgever inzage te verkrijgen in gegevens of gegevens te vragen indien dat in verband met het toezicht op de naleving van deze regeling noodzakelijk is. Deze bevoegdheid van de toezichthouder vloeit rechtstreeks voort uit de Awb. Voor een effectief toezicht is het echter noodzakelijk dat de gemeente als subsidieontvanger wel zodanige gegevens in de administratie heeft dat controle op de besteding van de subsidie ook daadwerkelijk mogelijk is (het tweede lid).
     In dit artikel is de kwartaalrapportage nader uitgewerkt in het derde en vierde lid. Daartoe dienen de gemeenten het bij deze regeling gevoegde formulier te gebruiken. De gegevens betreffen dus in hoofdlijnen de sectoren waarin de banen worden gerealiseerd en de gegevens over de werknemers. Waar hiervoor in deze toelichting wordt aangegeven dat de effectuering wordt gevolgd, gebeurt dat in eerste instantie aan de hand van de gegevens die via de kwartaalrapportage worden verstrekt.

 

Artikel 13. Verlening en betaling subsidie

     Voor het bevoorschotten, declareren en verantwoorden van de subsidies is zoveel mogelijk aangesloten bij de processen, termijnen en vormgeving van de formulieren van sociale voorzieningen die reeds bij gemeenten in uitvoering zijn, zoals de Abw en de Wiw.
     De subsidie voor deze regeling wordt per jaar verleend na ontvangst van de bereidverklaring, bedoeld in artikel 2, vierde lid. De subsidie voor het aantal gerealiseerde arbeidsplaatsen wordt bepaald aan de hand van de bedragen die genoemd zijn in artikel 3, tweede lid.
     In beginsel wordt de hoogte van het voorschot berekend aan de hand van kwartaaldeclaraties. Op basis van deze kwartaaldeclaraties worden de maandvoorschotten berekend; deze worden zoveel mogelijk aangepast aan landelijke ontwikkelingen. Dit systeem wijkt af van de tot en met 1998 toegepaste bevoorschottingssystematiek in het kader van de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen. Deze afwijking mag er niet toe leiden dat gemeenten te maken krijgen met liquiditeitsproblemen. Daarom is ervoor gekozen om gedurende de eerste zes maanden van 1999 aan de gemeenten een tijdelijk maandvoorschot te verlenen dat gebaseerd is op het aantal arbeidsplaatsen zoals dit is opgenomen in bijlage I. Hierop heeft het derde lid betrekking.
     Met ingang van het derde kwartaal worden de maandvoorschotten berekend aan de hand van de kwartaaldeclaraties; dus de reguliere bevoorschottingssystematiek. De maandvoorschotten worden berekend op basis van deze kwartaaldeclaraties en worden zoveel mogelijk aangepast aan landelijke ontwikkelingen. Hierop heeft het vierde lid betrekking. Daarnaast is in het negende lid geregeld dat gemeenten verhoging van het maandvoorschot kunnen vragen indien arbeidsplaatsen versneld worden gerealiseerd.
     In het vijfde lid is geregeld dat het indienen van een kwartaaldeclaratie wordt beschouwd als een verzoek tot betaling. Dit verzoek heeft een dubbele doelstelling; het heeft niet alleen betrekking op betaling van het kwartaalvoorschot voor het kwartaal waarop de declaratie betrekking heeft, maar ook op betaling van de maandvoorschotten die vallen in het tweede kwartaal dat volgt op het kwartaal waarop de declaratie betrekking heeft.
     In het zesde lid is aangegeven wanneer de bevoorschotting zal plaats vinden. Tevens is hier geregeld dat de maandvoorschotten worden verrekend met de kwartaaldeclaraties.
     Met een voorbeeld zal het vorenstaande duidelijk worden gemaakt. De declaratie over het eerste kwartaal 1999 moet de gemeente vr 20 mei 1999 hebben ingediend. Deze declaratie zal betaalbaar worden gesteld en gelijktijdig zullen de verstrekte maandelijkse voorschotten over de maanden januari tot en met maart 1999 worden verrekend. Tevens dient de declaratie als basis voor de berekening van de maandvoorschotten voor de maanden juli tot en met september 1999.
     In het zevende lid is geregeld hoe het aantal arbeidsplaatsen moet worden berekend indien de dienstbetrekking niet begint op de eerste dan wel de zestiende van de maand. Het ligt voor de hand dat dienstbetrekkingen die overgaan van de ene categorie naar een andere categorie, bijvoorbeeld doordat de dienstbetrekking vier jaar bestaat, niet dubbel worden geteld voor de declaratie. Voor de berekening van het aantal arbeidsplaatsen wordt de uitstroom derhalve tegengesteld berekend aan die van de instroom in de andere categorie.
     Een gemeente met maximaal acht arbeidsplaatsen kan op basis van de toedeling van arbeidsplaatsen bij het vervullen van dienstbetrekkingen die een arbeidsduur hebben van meer dan 32 uur per week, op jaarbasis berekend onvoldoende subsidie ontvangen. De verleende subsidie kan dan op verzoek van de gemeente op grond van het achtste lid worden herzien met een verhoging van maximaal 0,5 arbeidsplaats. Hiervoor wordt het bedrag van de lage lumpsum toegepast; het te betalen voorschot wordt op basis daarvan verhoogd. Het verzoek hiertoe kan worden gedaan gelijktijdig met de vierde kwartaaldeclaratie dan wel een aanvullende declaratie voor het vierde kwartaal. Voor dit verzoek is een aparte declaratieregel opgenomen. Deze declaratieregel kan uiteraard niet worden gebruikt voor declaraties over de eerste drie kwartalen.

 

Artikel 14. Vaststelling van de subsidie

     Dit artikel bevat de gebruikelijke bepalingen voor het verstrekken van de jaaropgave en de bepalingen omtrent de vaststelling in afwijking van de betaalde en verleende subsidie. De subsidie wordt vastgesteld op grond van de gegevens in de jaaropgave, die is gecontroleerd als in het controle- en rapportageprotocol is aangegeven. De termijn in het vijfde lid is opgenomen, omdat deze afwijkt van die op grond van de Awb. Het niet tijdig of onvolledig verstrekken van andere informatie dan verantwoordingsinformatie leidt niet tot vaststelling van een ander subsidiebedrag dan is verleend. Vandaar dat in het zesde lid, onderdeel c, alleen verwezen wordt naar de verantwoordingsinformatie die is opgenomen in de jaaropgave en in de bijhorende verklaring en het verslag over de controle.

 

Artikel 15. Opschorting, terugvordering en verrekening

     In het eerste lid wordt bepaald dat de betaling van het voorschot wordt opgeschort als de kwartaalrapportage of kwartaaldeclaratie niet of onvolledig door de minister is ontvangen. Hetzelfde geldt indien de bereidverklaring niet wordt ontvangen. Zodra de genoemde documenten zijn ontvangen, wordt de betaling zo spoedig mogelijk weer hervat en worden de perioden waarover geen voorschot is betaald, nabetaald (het tweede lid).
     Indien na de vaststelling blijkt dat over enig jaar te veel subsidie is betaald, kan dit geheel worden teruggevorderd; ook kan worden bepaald dat dit overschot kan worden verrekend met toe te kennen subsidie in een volgend jaar.

 

Artikel 16. Overgangsregeling zorgbanen

     Dit artikel voorziet erin dat tot 1 januari 2000 de Minister van VWS de banen die in de zorg zijn gerealiseerd, blijft financieren. Het gaat om vergoedingen voor instellingen die tot de datum van inwerkingtreding van deze regeling ook als werkgevers in de zorgsector daarvoor in aanmerking kwamen. Daarvoor was de Ewlw-regeling niet direct van toepassing. De Minister van VWS en de in het eerste en tweede lid genoemde instanties hadden daarvoor regels ter bevordering van extra arbeidsplaatsen in de zorgsector en beleidsregels en subsidieregels vastgesteld. Inhoudelijk kwamen die voor wat betreft de voorwaarden waaronder de arbeidsplaatsen konden worden vervuld en de doelgroep overeen met de genoemde Ewlw-regeling. In het eerste lid wordt geregeld dat de Minister van VWS de daar genoemde stichtingen (AWO en AWOB) blijft subsidiren op basis van de reeds geldende regels om aan de werkgevers (de in artikel 1, vierde lid, genoemde instellingen) de vergoedingen te verstrekken voor de dienstbetrekkingen die op arbeidsplaatsen zijn vervuld die tot en met 1998 zijn toegekend. Dit betreft:
- al in 1998 vervulde dienstbetrekkingen die in 1999 voortduren, dienstbetrekkingen die in 1999 worden aangegaan met werknemers op een al toegekende arbeidsplaats (vanwege het ontstaan van een vacature daarop); en
- voor de eerste keer vervulde dienstbetrekkingen op arbeidsplaatsen die tot en met 1998 aan werkgevers zijn toegekend.
     Er worden ook veel arbeidsplaatsen in de zorgsector toegekend op basis van beschikkingen van het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (COTG). De vergoedingen voor die banen komen dan uiteindelijk ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, dat door de Ziekenfondsraad [zie College voor zorgverzekeringen, red.] wordt beheerd. Het tweede lid heeft betrekking op de banen die via besluiten van het COTG aan de instellingen beschikbaar zijn gesteld. In het overgangsjaar is deze regeling wat de financiering betreft ook niet van toepassing op die besluiten. Ook hier betreft het alleen tot en met 1998 toegekende arbeidsplaatsen.
     In het derde lid is bepaald dat de inhoudelijke bepalingen van deze regeling betreffende de vereisten voor de dienstbetrekkingen en omtrent de langdurig werklozen wel van toepassing zijn. Zo wordt bewerkstelligd dat duidelijkheid bestaat over de inhoudelijke criteria en op dat punt in verband met de overgang per 1 januari 2000 geen onduidelijkheid bestaat. De Minister van VWS gaat in de bekostigingssystematiek ook uit van lumpsumbedragen. De hoogte van die bedragen stemt overeen met die in artikel 3, tweede lid. Ook om de overgang naar het verstrekken van vergoedingen door gemeenten per 1 januari 2000 goed te laten verlopen, zijn de genoemde artikelleden van artikel 3 van overeenkomstige toepassing verklaard. De vergoedingen aan de zorgwerkgever worden aldus verstrekt voor dienstbetrekkingen die tot stand zijn gekomen onder voorwaarden van artikel 4 (tegengaan verdringing), de kenmerken hebben als genoemd in artikel 5 (met als uitzondering het derde lid, dat specifiek betrekking heeft op de verhouding gemeente/werkgever over verschillende jaren) en voldoen aan de vereisten voor de arbeidsduur en beloning als genoemd in de artikelen 6 en 7. De bepalingen over de combinatie van scholing en arbeid als geregeld in artikel 8 gelden ook. Bij de selectie van de werknemers moet worden voldaan aan de vereisten als geregeld in de artikelen 9 en 10.
     Het vierde lid betreft een uitzondering op het detacheringsverbod. De regeling hier is een vastlegging van een met de sector gemaakte afspraak. De bepaling houdt in dat het detacheringsverbod niet geldt indien een werknemer feitelijk werkzaamheden verricht in een instelling die nu niet zijn formele werkgever is, maar die wel met ingang van 1 januari 2000 deel zal gaan uitmaken van de onderneming van zijn werkgever op basis van een fusieplan dat vr 1 juli 1998 is opgesteld.
     Bij het vervullen van dienstbetrekkingen in de zorgsector geldt in de zorgsector het voorschrift dat de werkgever binnen twaalf maanden een dienstbetrekking op de arbeidsplaats moet vervullen. Blijft een langere periode een arbeidsplaats leeg, dan wordt de financiering van die arbeidsplaats bij die werkgever beindigd en komt de arbeidsplaats voor herverdeling in aanmerking. Indien een vacature ontstaat op een al vervulde dienstbetrekking, kan de werkgever die weer vervullen door een dienstbetrekking aan te gaan met een andere langdurig werkloze. Dit kan dus alleen wanneer deze dienstbetrekking binnen twaalf maanden nadat de vacature is ontstaan, wordt vervuld. In het vijfde lid is dit voorschrift opgenomen om enerzijds duidelijk te maken dat op tot en met 1998 toegekende arbeidsplaatsen gedurende twaalf maanden na toekenning dienstbetrekkingen kunnen worden vervuld waarop de financiering via de gemeenten nog niet van toepassing is en anderzijds te bewerkstelligen dat na 1 januari 2000 bij de overgang de gemeenten dit voorschrift in acht nemen (zie artikel 17, derde lid). Wel is bepaald dat van de periode van twaalf maanden kan worden afgeweken indien deze periode na 1 juli 1999 en vr 1 januari 2000 verstrijkt. Dit omdat VWS 1 juli 1999 als peildatum kiest om vast te stellen welke banen aan de gemeenten kunnen worden overgedragen.
     Werkgevers in de zorgsector zullen zich voor het aanvragen van nieuwe arbeidsplaatsen tot gemeenten moeten richten. De werkgever hoeft zich hierbij niet te beperken tot de gemeente waarin de instelling is gevestigd. Het staat gemeenten vrij banen te realiseren buiten hun eigen gemeentegrenzen. Voor de zorgsector zijn door sociale partners zogenoemde regiepunten Melkertbanen zorg ingesteld. Deze regiepunten, die regionaal gespreid zijn, kunnen een nuttige functie vervullen bij het realiseren van arbeidsplaatsen in de zorg. De regiepunten kennen de sector en werken al langer met de Ewlw-regeling. Zij fungeren als smeermiddel en kunnen daardoor een goede bijdrage leveren aan een snelle totstandkoming en realisatie van arbeidsplaatsen in de zorg. De regiepunten kunnen aan verschillende onderdelen van het proces van realisatie van arbeidsplaatsen een bijdrage leveren. Zij kunnen de gemeenten werk uit handen nemen. Belangrijk is wel vraf afspraken te maken over hetgeen de gemeenten van de regiepunten verlangen om misverstanden te voorkomen. De andere arbeidsplaatsen komen in beginsel na 1 januari 2000 voor herverdeling over gemeenten in aanmerking
     Het zesde lid regelt de gegevensverstrekking die noodzakelijk kan zijn in verband met de overgang van de uitvoering naar de Minister van SZW en de gemeenten. Het COTG kan op basis van het Besluit gegevensverstrekking Wet tarieven gezondheidszorg aan de Minister van VWS desgevraagd de benodigde gegevens verstrekken.

 

Artikel 17. Overgang

     De dienstbetrekkingen die tot stand zijn gekomen onder de Ewlw-regeling en waarop een langdurig werkloze werkzaam is of is geweest, of dienstbetrekkingen in de zorgsector die op grond van de in artikel 16 genoemde regels worden of werden gefinancierd, worden aangemerkt als dienstbetrekkingen als bedoeld in deze regeling. Dit betekent dat wanneer het werkzaam zijn geweest op een dienstbetrekking op grond van de aan deze regeling voorafgaande regelingen relevant is, dit wordt aangeduid als een dienstbetrekking op grond van deze regeling. Dit speelt bijvoorbeeld bij de doelgroepbepalingen in deze regeling en andere regelingen. Tevens zijn op grond van het tweede lid de bepalingen van deze regeling van toepassing indien voorafgaand aan 1 januari 1999 de Ewlw-regeling van toepassing was, tenzij anders is bepaald. De in dit lid genoemde uitzondering betreft de vergoeding aan de werkgever. De op grond van de oude regels aan de werkgever verstrekte vergoeding kan niet op grond van deze regeling worden verlaagd:
a. indien de kosten van de werkgever waarop de vergoeding betrekking had niet zijn gewijzigd; en
b. betrekking hebben op kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de dienstbetrekking (de arbeidskosten). Dit geldt dus alleen als het al een reeds vervulde dienstbetrekking betrof. Deze uitzondering is met name van belang voor de zorgsector. Als de gemeente met de werkgever tot een andere kostenverdeling komt, kan de vergoeding daarop wel worden aangepast. Voorts kan de gemeente niet gehouden zijn de werkgever een vergoeding te verstrekken waarop de subsidie op grond van artikel 3 geacht wordt geen betrekking te hebben.
     In het derde lid is al bepaald dat na 1 januari 2000 deze regeling op de wijze als in het tweede lid is bepaald ook van toepassing wordt voor besluiten betreffende de zorgbanen die na 1 januari 2000 nog doorwerken. De gemeenten dienen dan wel rekening te houden met de voorschriften voor de termijn van vervulling van dienstbetrekkingen op arbeidsplaatsen en de wijze waarop de bepalingen van deze regeling al van overeenkomstige toepassing zijn verklaard met ingang van 1 januari 1999.
     De besluiten over vaststelling van subsidie en beslissingen op bezwaar en beroep worden beheerst door de regels die golden vr de datum van inwerkingtreding van deze regeling (het vijfde lid). Niet alleen die regels gelden, ook de beslissingsbevoegdheid blijft berusten bij de minister die daarvoor bevoegd was. Dit betekent voor de gemeentelijke banen dat de Minister van GSI verantwoordelijk is voor de financile afwikkeling over de jaren voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze regeling. De Minister van VWS blijft bevoegd de subsidies en rijksbijdragen af te wikkelen na 1 januari 2000 (het zesde lid).

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries
.

 

 

 

BIJLAGE  I
[Stcrt. 1999, 232]

 

Gemeentenaam t/m 1998 1999 2000 2001 2002
Aa en Hunze 5x 6x 6x 6x 6x
Aalburg 2x 3x 3x 3x 3x
Aalsmeer 3x 4x 4x 4x 4x
Aalten 4x 5x 5x 5x 5x
Abcoude 1x 2x 2x 2x 2x
Achtkarspelen 16x 23x 30x 37x 44x
Akersloot 1x 2x 2x 2x 2x
Alblasserdam 5x 8x 11x 13x 15x
Albrandswaard 2x 3x 3x 3x 3x
Alkemade 1x 2x 2x 2x 2x
Alkmaar 178x 216x 254x 292x 330x
Almelo 305x 348x 396x 445x 495x
Almere 156x 192x 227x 262x 297x
Alphen-Chaam 0x 1x 1x 1x 1x
Alphen aan den Rijn 30x 31x 32x 32x 32x
Ambt Delden 1x 2x 2x 2x 2x
Ambt Montfort 2x 3x 3x 3x 3x
Ameland 1x 2x 2x 2x 2x
Amerongen 0x 1x 1x 1x 1x
Amersfoort 82x 106x 130x 154x 178x
Amstelveen 37x 42x 47x 52x 56x
Amsterdam 4633x 5428x 6307x 7202x 8109x
Andijk 0x x1x 1x 1x 1x
Angerlo 1x 2x 2x 2x 2x
Anna Paulowna 4x 5x 6x 7x 8x
Apeldoorn 166x 196x 225x 254x 283x
Appingedam 9x 14x 19x 24x 28x
Arcen en Velden 2x 3x 3x 3x 3x
Arnhem 662x 778x 907x 1038x 1171x
Assen 55x 82x 109x 135x 161x
Asten 2x 3x 3x 3x 3x
Avereest 4x 5x 6x 7x 7x
Axel 4x 6x 8x 10x 11x
Baarle-Nassau 1x 2x 2x 2x 2x
Baarn 9x 11x 13x 15x 16x
Barendrecht 4x 5x 5x 5x 5x
Barneveld 7x 8x 8x 8x 8x
Bathmen 1x 2x 2x 2x 2x
Bedum 3x 4x 5x 6x 6x
Beek 5x 7x 9x 11x 12x
Beemster 1x 2x 2x 2x 2x
Beesel 4x 5x 5x 5x 5x
Belfeld 1x 2x 2x 2x 2x
Bellingwedde 5x 7x 9x 11x 13x
Bemmel 4x 5x 5x 5x 5x
Bennebroek 1x 2x 2x 2x 2x
Bergambacht 1x 2x 2x 2x 2x
Bergen (L) 2x 3x 3x 3x 3x
Bergen (NH) 6x 8x 10x 12x 14x
Bergen op Zoom 72x 93x 114x 134x 154x
Bergeyk 3x 4x 4x 4x 4x
Bergh 5x 6x 7x 8x 8x
Bergschenhoek 1x 2x 2x 2x 2x
Berkel en Rodenrijs 2x 3x 3x 3x 3x
Bernheze 5x 6x 6x 6x 6x
Bernisse 2x 3x 3x 3x 3x
Best 9x 13x 16x 19x 22x
Beuningen 7x 9x 10x 11x 12x
Beverwijk 15x 22x 28x 34x 40x
Binnenmaas 2x 3x 3x 3x 3x
Bladel 2x 3x 3x 3x 3x
Blaricum 1x 2x 2x 2x 2x
Bleiswijk 1x 2x 2x 2x 2x
Bloemendaal 3x 4x 4x 4x 4x
Boarnsterhim 6x 8x 10x 12x 13x
Bodegraven 2x 3x 3x 3x 3x
Boekel 0x 1x 1x 1x 1x
Bolsward 5x 8x 11x 14x 16x
Borculo 2x 3x 3x 3x 3x
Borger-Odoorn 7x 8x 9x 10x 10x
Born 4x 5x 5x 5x 5x
Borne 5x 7x 8x 9x 10x
Borsele 4x 5x 5x 5x 5x
Boskoop 3x 4x 4x 4x 4x
Boxmeer 6x 7x 7x 7x 7x
Boxtel 9x 11x 12x 13x 14x
Breda 391x 450x 515x 581x 648x
Brederwiede 2x 3x 3x 3x 3x
Breukelen 0x 1x 1x 1x 1x
Brielle 3x 4x 4x 4x 4x
Broekhuizen 1x 2x 2x 2x 2x
Brummen 6x 7x 8x 9x 9x
Brunssum 57x 73x 89x 105x 121x
Bunnik 2x 3x 3x 3x 3x
Bunschoten 2x 3x 3x 3x 3x
Buren 4x 7x 7x 7x 7x
Bussum 12x 16x 20x 23x 26x
Capelle aan den IJssel 55x 75x 95x 115x 134x
Castricum 4x 5x 5x 5x 5x
Coevorden 14x 19x 24x 29x 33x
Cranendonck 7x 8x 9x 9x 9x
Cromstrijen 0x 1x 1x 1x 1x
Cuijk 12x 16x 19x 22x 25x
Culemborg 11x 15x 19x 23x 27x
Dalfsen 2x 3x 3x 3x 3x
Dantumadeel 11x 17x 23x 29x 34x
De Bilt 9x 11x 13x 14x 15x
De Lier 1x 2x 2x 2x 2x
De Marne 6x 9x 12x 14x 16x
De Ronde Venen 5x 6x 6x 6x 6x
de Wolden 3x 4x 4x 4x 4x
Delft 159x 188x 217x 246x 274x
Delfzijl 64x 80x 95x 110x 125x
Den Haag 2793x 3115x 3471x 3833x 4200x
Den Ham 3x 4x 4x 4x 4x
Den Helder 117x 143x 169x 194x 219x
Denekamp 1x 2x 2x 2x 2x
Deurne 8x 9x 9x 9x 9x
Deventer 265x 297x 331x 366x 401x
Didam 5x 6x 7x 8x 8x
Diemen 18x 25x 31x 37x 43x
Diepenheim 1x 2x 2x 2x 2x
Dinxperlo 1x 2x 2x 2x 2x
Dirksland 0x 1x 1x 1x 1x
Dodewaard 1x 2x 2x 2x 2x
Doesburg 7x 11x 14x 17x 20x
Doetinchem 32x 40x 48x 56x 63x
Dongen 7x 9x 10x 11x 12x
Dongeradeel 14x 21x 28x 34x 40x
Doorn 2x 3x 3x 3x 3x
Dordrecht 270x 339x 416x 494x 573x
Drechterland 1x 2x 2x 2x 2x
Driebergen-Rijsenburg 5x 7x 9x 10x 11x
Drimmelen 4x 5x 5x 5x 5x
Dronten 10x 15x 20x 24x 28x
Druten 6x 8x 9x 10x 11x
Duiven 7x 8x 8x 8x 8x
Echt 9x 11x 13x 15x 17x
Echteld 1x 2x 2x 2x 2x
Edam-Volendam 3x 4x 4x 4x 4x
Ede 58x 69x 79x 89x 99x
Eemnes 2x 3x 3x 3x 3x
Eemsmond 7x 11x 14x 17x 20x
Eersel 3x 4x 4x 4x 4x
Egmond 3x 4x 4x 4x 4x
Eibergen 3x 4x 4x 4x 4x
Eijsden 2x 3x 3x 3x 3x
Eindhoven 500x 587x 684x 782x 882x
Elburg 3x 4x 4x 4x 4x
Elst 6x 8x 10x 11x 12x
Emmen 156x 188x 220x 252x 283x
Enkhuizen 6x 8x 10x 11x 12x
Enschede 576x 667x 768x 870x 974x
Epe 7x 8x 8x 8x 8x
Ermelo 6x 7x 8x 8x 8x
Etten-Leur 13x 17x 20x 23x 26x
Ferwerderadiel 4x 6x 8x 10x 12x
Franekeradeel 8x 11x 14x 17x 20x
Gaasterln-Sleat 2x 3x 3x 3x 3x
Geertruidenberg 6x 7x 7x 7x 7x
Geldermalsen 4x 5x 5x 5x 5x
Geldrop 14x 19x 23x 27x 31x
Geleen 68x 82x 96x 110x 123x
Gemert-Bakel 8x 10x 12x 13x 14x
Gendringen 7x 8x 9x 10x 11x
Gendt 1x 2x 2x 2x 2x
Genemuiden 1x 2x 2x 2x 2x
Gennep 5x 6x 7x 8x 8x
Giessenlanden 1x 2x 2x 2x 2x
Gilze en Rijen 5x 6x 6x 6x 6x
Goedereede 0x 1x 1x 1x 1x
Goes 17x 24x 31x 37x 43x
Goirle 5x 6x 7x 8x 8x
Goor 4x 6x 7x 8x 9x
Gorinchem 18x 26x 34x 41x 48x
Gorssel 1x 2x 2x 2x 2x
Gouda 58x 81x 104x 126x 148x
Graafstroom 1x 2x 2x 2x 2x
Graft-De Rijp 1x 2x 2x 2x 2x
Gramsbergen 1x 2x 2x 2x 2x
Grave 3x 4x 5x 6x 6x
s-Graveland 0x 1x 1x 1x 1x
s-Gravendeel 1x 2x 2x 2x 2x
s-Gravenzande 3x 4x 4x 4x 4x
Groenlo 2x 3x 3x 3x 3x
Groesbeek 8x 12x 15x 18x 21x
Groningen 717x 905x 1112x 1323x 1537x
Grootegast 4x 6x 8x 10x 11x
Grubbenvorst 1x 2x 2x 2x 2x
Gulpen-Wittem 3x 5x 5x 5x 5x
Haaksbergen 7x 8x 9x 10x 11x
Haaren 1x 2x 2x 2x 2x
Haarlem 244x 292x 346x 400x 455x
Haarlemmerliede c.a. 1x 2x 2x 2x 2x
Haarlemmermeer 39x 44x 49x 54x 59x
Haelen 2x 3x 3x 3x 3x
Haldenberge 8x 9x 9x 9x 9x
Hardenberg 7x 8x 8x 8x 8x
Harderwijk 12x 15x 18x 21x 23x
Hardinxveld-Giessendam 2x 3x 3x 3x 3x
Haren 5x 6x 7x 8x 8x
Harenkarspel 2x 3x 3x 3x 3x
Harlingen 12x 20x 28x 36x 43x
Harmelen 1x 2x 2x 2x 2x
Hasselt 1x 2x 2x 2x 2x
Hattem 1x 2x 2x 2x 2x
Heel 1x 2x 2x 2x 2x
Heemskerk 17x 27x 37x 47x 57x
Heemstede 4x 5x 5x 5x 5x
Heerde 2x 3x 3x 3x 3x
Heerenveen 58x 69x 80x 91x 101x
Heerhugowaard 14x 18x 22x 26x 29x
Heerjansdam 1x 2x 2x 2x 2x
Heerlen 267x 329x 398x 468x 539x
Heeze-Leende 2x 3x 3x 3x 3x
Heiloo 5x 6x 6x 6x 6x
Heino 1x 2x 2x 2x 2x
Helden 3x 4x 4x 4x 4x
Hellendoorn 8x 9x 9x 9x 9x
Hellevoetsluis 31x 39x 47x 55x 62x
Helmond 175x 216x 262x 308x 355x
Hendrik-Ido-Ambacht 4x 5x 5x 5x 5x
Hengelo (Gld) 2x 3x 3x 3x 3x
Hengelo (O) 238x 268x 302x 336x 371x
s-Hertogenbosch 402x 448x 500x 552x 605x
Het Bildt 6x 10x 14x 17x 20x
Heteren 1x 2x 2x 2x 2x
Heumen 5x 7x 8x 9x 10x
Heusden 15x 18x 21x 24x 26x
Heythuysen 2x 3x 3x 3x 3x
Hillegom 4x 5x 5x 5x 5x
Hilvarenbeek 2x 3x 3x 3x 3x
Hilversum 55x 73x 91x 109x 127x
Hoevelaken 1x 2x 2x 2x 2x
Holten 1x 2x 2x 2x 2x
Hontenisse 1x 2x 2x 2x 2x
Hoogeveen 36x 44x 52x 60x 68x
Hoogezand-Sappemeer 66x 83x 99x 115x 131x
Hoorn 68x 94x 120x 146x 172x
Horst 3x 4x 4x 4x 4x
Houten 6x 7x 7x 7x 7x
Huissen 4x 6x 8x 9x 10x
Huizen 16x 21x 26x 31x 36x
Hulst 6x 7x 7x 7x 7x
Hummelo en Keppel 1x 2x 2x 2x 2x
Hunsel 1x 2x 2x 2x 2x
IJsselham 1x 2x 2x 2x 2x
IJsselmuiden 1x 2x 2x 2x 2x
IJsselstein 6x 7x 8x 9x 10x
Jacobswoude 1x 2x 2x 2x 2x
Kampen 18x 25x 32x 39x 46x
Kapelle 1x 2x 2x 2x 2x
Katwijk 7x 8x 8x 8x 8x
Kerkrade 97x 121x 145x 168x 191x
Kessel 1x 2x 2x 2x 2x
Kesteren 2x 3x 3x 3x 3x
Kollumerland c.a. 7x 10x 13x 16x 18x
Korendijk 1x 2x 2x 2x 2x
Krimpen aan den IJssel 7x 8x 9x 9x 9x
Laarbeek 5x 6x 6x 6x 6x
Landerd 0x 1x 1x 1x 1x
Landgraaf 86x 96x 105x 114x 123x
Landsmeer 1x 2x 2x 2x 2x
Langedijk 5x 6x 6x 6x 6x
Laren 1x 2x 2x 2x 2x
Leek 6x 8x 9x 10x 11x
Leerdam 7x 8x 9x 9x 9x
Leersum 1x 2x 2x 2x 2x
Leeuwarden 234x 304x 382x 461x 541x
Leeuwarderadeel 2x 3x 3x 3x 3x
Leiden 218x 261x 309x 358x 407x
Leiderdorp 6x 7x 7x 7x 7x
Leidschendam 7x 9x 11x 13x 15x
Lelystad 139x 175x 211x 247x 282x
Lemsterland 6x 9x 12x 15x 18x
Leusden 3x 4x 4x 4x 4x
Lichtenvoorde 2x 3x 3x 3x 3x
Liemeer 0x 1x 1x 1x 1x
Liesveld 1x 2x 2x 2x 2x
Limmen 1x 2x 2x 2x 2x
Lingewaal 1x 2x 2x 2x 2x
Lisse 3x 4x 4x 4x 4x
Lith 1x 2x 2x 2x 2x
Littenseradiel 2x 3x 3x 3x 3x
Lochem 4x 5x 5x 5x 5x
Loenen 1x 2x 2x 2x 2x
Loon op Zand 5x 6x 6x 6x 6x
Loosdrecht 3x 4x 4x 4x 4x
Lopik 1x 2x 2x 2x 2x
Loppersum 5x 7x 9x 10x 11x
Losser 6x 7x 8x 9x 9x
Maarn 1x 2x 2x 2x 2x
Maarssen 14x 16x 18x 20x 21x
Maartensdijk 1x 2x 2x 2x 2x
Maasbracht 3x 4x 4x 4x 4x
Maasbree 2x 3x 3x 3x 3x
Maasdonk 1x 2x 2x 2x 2x
Maasdriel 5x 10x 10x 10x 10x
Maasland 1x 2x 2x 2x 2x
Maassluis 16x 23x 30x 37x 44x
Maastricht 352x 412x 479x 547x 616x
Margraten 2x 3x 3x 3x 3x
Markelo 1x 2x 2x 2x 2x
Marum 3x 4x 5x 5x 5x
Medemblik 0x 1x 2x 3x 4x
Meerlo-Wanssum 1x 2x 2x 2x 2x
Meerssen 6x 7x 8x 9x 10x
Meijel 1x 2x 2x 2x 2x
Menaldumadeel 3x 4x 4x 4x 4x
Menterwolde 6x 9x 12x 15x 18x
Meppel 14x 21x 27x 33x 39x
Middelburg 32x 43x 54x 64x 74x
Middelharnis 2x 3x 3x 3x 3x
Middenveld 0x 1x 2x 2x 2x
Mierlo 3x 4x 5x 6x 6x
Mill en Sint Hubert 1x 2x 2x 2x 2x
Millingen aan de Rijn 2x 4x 5x 6x 7x
Moerdijk 8x 9x 9x 9x 9x
Monster 2x 3x 3x 3x 3x
Montfoort 2x 3x 3x 3x 3x
Mook en Middelaar 2x 3x 3x 3x 3x
Moordrecht 2x 3x 4x 5x 5x
Muiden 1x 2x 2x 2x 2x
Naaldwijk 4x 5x 5x 5x 5x
Naarden 3x 4x 4x 4x 4x
Nederhorst den Berg 0x 1x 1x 1x 1x
Nederlek 3x 4x 4x 4x 4x
Nederweert 2x 3x 3x 3x 3x
Neede 2x 3x 3x 3x 3x
Neerijnen 1x 2x 2x 2x 2x
Niedorp 2x 3x 3x 3x 3x
Nieuw-Lekkerland 1x 2x 2x 2x 2x
Nieuwegein 37x 46x 54x 62x 70x
Nieuwerkerk aan den IJssel 5x 6x 6x 6x 6x
Nieuwkoop 0x 1x 1x 1x 1x
Nieuwleusen 1x 2x 2x 2x 2x
Nijefurd 4x 6x 8x 9x 10x
Nijkerk 6x 7x 7x 7x 7x
Nijmegen 635x 787x 956x 1127x 1301x
Noord-Beveland 1x 2x 2x 2x 2x
Noordenveld 7x 8x 8x 8x 8x
Noorder-Koggenland 1x 2x 2x 2x 2x
Noordoostpolder 18x 26x 34x 41x 48x
Noordwijk 5x 6x 6x 6x 6x
Noordwijkerhout 2x 3x 3x 3x 3x
Nootdorp 0x 1x 1x 1x 1x
Nuenen c.a. 6x 7x 7x 7x 7x
Nunspeet 3x 4x 4x 4x 4x
Nuth 3x 4x 4x 4x 4x
Obdam 1x 2x 2x 2x 2x
Oegstgeest 3x 4x 4x 4x 4x
Oirschot 2x 3x 3x 3x 3x
Oisterwijk 6x 7x 7x 7x 7x
Oldebroek 2x 3x 3x 3x 3x
Oldenzaal 15x 23x 30x 37x 44x
Olst 1x 2x 2x 2x 2x
Ommen 3x 4x 4x 4x 4x
Onderbanken 2x 3x 3x 3x 3x
Oostburg 3x 4x 4x 4x 4x
Oosterhout 31x 38x 45x 52x 59x
Oostflakkee 2x 3x 3x 3x 3x
Ooststellingwerf 12x 19x 26x 33x 40x
Oostzaan 1x 2x 2x 2x 2x
Ootmarsum 1x 2x 2x 2x 2x
Opmeer 1x 2x 2x 2x 2x
Opsterland 11x 15x 19x 23x 27x
Oss 87x 100x 113x 126x 139x
Oud-Beijerland 5x 6x 7x 7x 7x
Ouder-Amstel 2x 3x 3x 3x 3x
Ouderkerk 1x 2x 2x 2x 2x
Oudewater 1x 2x 2x 2x 2x
Papendrecht 9x 11x 13x 14x 15x
Pekela 8x 12x 16x 20x 24x
Pijnacker 2x 3x 3x 3x 3x
Purmerend 46x 59x 72x 85x 98x
Putten 0x 1x 1x 1x 1x
Raalte 6x 7x 7x 7x 7x
Ravenstein 1x 2x 2x 2x 2x
Reeuwijk 1x 2x 2x 2x 2x
Reiderland 5x 8x 11x 14x 16x
Reimerswaal 6x 7x 8x 8x 8x
Renkum 12x 16x 19x 22x 25x
Renswoude 1x 0x 2x 2x 2x
Reusel-de Mierde 1x 2x 2x 2x 2x
Rheden 29x 38x 47x 56x 64x
Rhenen 6x 8x 9x 10x 11x
Ridderkerk 16x 20x 24x 28x 32x
Rijnsburg 3x 4x 4x 4x 4x
Rijnwaarden 3x 4x 5x 6x 6x
Rijnwoude 2x 3x 3x 3x 3x
Rijssen 6x 7x 8x 8x 8x
Rijswijk 31x 40x 49x 58x 67x
Roerdalen 2x 3x 3x 3x 3x
Roermond 105x 130x 155x 179x 203x
Roggel en Neer 0x 1x 1x 1x 1x
Roosendaal 41x 50x 59x 68x 76x
Rotterdam 4400x 5035x 5737x 6452x 7176x
Rozenburg  7x 10x 13x 16x 18x
Rozendaal 0x 1x 1x 1x 1x
Rucphen 7x 8x 9x 10x 11x
Ruurlo 1x 2x 2x 2x 2x
Sas van Gent 4x 5x 6x 7x 8x
Sassenheim 2x 3x 3x 3x 3x
Schagen 6x 8x 10x 12x 14x
Scheemda 6x 8x 9x 10x 11x
Schermer 1x 2x 2x 2x 2x
Scherpenzeel 1x 2x 2x 2x 2x
Schiedam 157x 194x 235x 277x 320x
Schiermonnikoog 1x 2x 2x 2x 2x
Schijndel 6x 7x 7x 7x 7x
Schinnen 4x 5x 5x 5x 5x
Schipluiden 1x 2x 2x 2x 2x
Schoonhoven 3x 5x 7x 8x 9x
Schoorl 1x 2x 2x 2x 2x
Schouwen-Duiveland 8x 10x 11x 12x 13x
Sevenum 1x 2x 2x 2x 2x
Simpelveld 3x 4x 4x 4x 4x
Sint Anthonis 1x 2x 2x 2x 2x
Sint-Michielsgestel 5x 6x 6x 6x 6x
Sint-Oedenrode 3x 4x 4x 4x 4x
Sittard 106x 141x 176x 211x 245x
Skarsterln 8x 9x 10x 11x 12x
Sliedrecht 8x 11x 14x 17x 20x
Slochteren 3x 4x 4x 4x 4x
Sluis-Aardenburg 1x 2x 2x 2x 2x
Smallingerland 96x 119x 142x 164x 186x
Sneek 57x 72x 87x 101x 115x
Soest 12x 14x 16x 17x 18x
Someren 3x 4x 4x 4x 4x
Son en Breugel 4x 5x 5x 5x 5x
Spijkenisse 71x 94x 117x 140x 162x
Stad Delden 1x 2x 2x 2x 2x
Stadskanaal 19x 28x 36x 44x 52x
Staphorst 1x 2x 2x 2x 2x
Stede Broec 5x 6x 7x 8x 8x
Steenbergen 5x 6x 7x 8x 9x
Steenderen 1x 2x 2x 2x 2x
Steenwijk 16x 24x 31x 38x 45x
Stein 8x 9x 9x 9x 9x
Strijen 0x 1x 1x 1x 1x
Susteren 4x 5x 6x 6x 6x
Swalmen 3x 4x 5x 6x 7x
Tegelen 8x 11x 13x 15x 17x
Ten Boer 2x 3x 4x 4x 4x
Ter Aar 1x 2x 2x 2x 2x
Terneuzen 29x 38x 46x 54x 62x
Terschelling 1x 2x 2x 2x 2x
Texel 2x 3x 4x 4x 4x
Tholen 6x 7x 8x 8x 8x
Thorn 1x 2x 2x 2x 2x
Tiel 33x 43x 53x 63x 72x
Tilburg 558x 641x 732x 825x 919x
Tubbergen 2x 3x 3x 3x 3x
Tytsjerksteradiel 10x 13x 16x 18x 20x
Ubbergen 4x 6x 8x 10x 12x
Uden 15x 20x 24x 28x 32x
Uitgeest 2x 3x 3x 3x 3x
Uithoorn 4x 5x 5x 5x 5x
Urk 2x 3x 4x 5x 6x
Utrecht 1217x 1363x 1524x 1688x 1854x
Vaals 5x 8x 11x 13x 15x
Valburg 3x 4x 4x 4x 4x
Valkenburg 1x 2x 2x 2x 2x
Valkenburg aan de Geul 8x 11x 13x 15x 17x
Valkenswaard 13x 17x 20x 23x 26x
Veendam 18x 26x 33x 40x 47x
Veenendaal 13x 18x 23x 28x 33x
Veere 2x 3x 3x 3x 3x
Veghel 8x 9x 9x 9x 9x
Veldhoven 14x 16x 18x 20x 22x
Velsen 14x 20x 26x 31x 36x
Venhuizen 0x 1x 1x 1x 1x
Venlo 130x 155x 183x 211x 240x
Venray 11x 14x 17x 20x 23x
Vianen 6x 7x 8x 8x 8x
Vlaardingen 67x 91x 115x 138x 161x
Vlagtwedde 4x 5x 6x 7x 8x
Vleuten-De Meern 2x 3x 3x 3x 3x
Vlieland 0x 1x 1x 1x 1x
Vlissingen 86x 104x 122x 139x 156x
Vlist 1x 2x 2x 2x 2x
Voerendaal 3x 4x 4x 4x 4x
Voorburg 15x 20x 25x 29x 33x
Voorhout 1x 2x 2x 2x 2x
Voorschoten 6x 7x 8x 9x 9x
Voorst 4x 5x 5x 5x 5x
Vorden 1x 2x 2x 2x 2x
Vriezenveen 4x 5x 5x 5x 5x
Vught 9x 10x 11x 12x 12x
Waalre 4x 5x 5x 5x 5x
Waalwijk 20x 27x 34x 40x 46x
Waddinxveen 6x 7x 7x 7x 7x
Wageningen 48x 67x 86x 105x 124x
Warmond 1x 2x 2x 2x 2x
Warnsveld 2x 3x 4x 4x 4x
Wassenaar 4x 5x 5x 5x 5x
Wateringen 2x 3x 3x 3x 3x
Waterland 3x 4x 4x 4x 4x
Weerselo 1x 2x 2x 2x 2x
Weert 13x 17x 21x 24x 27x
Weesp 7x 11x 15x 19x 22x
Wehl 1x 2x 2x 2x 2x
Werkendam 5x 6x 6x 6x 6x
Wervershoof 0x 1x 1x 1x 1x
West Maas en Waal 4x 5x 6x 6x 6x
Wester-Koggenland 1x 2x 2x 2x 2x
Westerveld 4x 5x 6x 6x 6x
Westervoort 7x 10x 12x 14x 16x
Weststellingwerf 10x 14x 18x 21x 24x
Westvoorne 2x 3x 3x 3x 3x
Wierden 3x 4x 4x 4x 4x
Wieringen 2x 3x 4x 5x 5x
Wieringermeer 2x 3x 3x 3x 3x
Wijchen 13x 17x 20x 23x 26x
Wijhe 1x 2x 2x 2x 2x
Wijk bij Duurstede 4x 5x 5x 5x 5x
Winschoten 16x 24x 32x 40x 48x
Winsum 5x 7x 9x 10x 11x
Winterswijk 9x 13x 16x 19x 22x
Wisch 7x 8x 9x 10x 11x
Woensdrecht 4x 5x 5x 5x 5x
Woerden 7x 8x 9x 10x 11x
Wognum 1x 2x 2x 2x 2x
Wormerland 4x 5x 6x 6x 6x
Woudenberg 1x 2x 2x 2x 2x
Woudrichem 2x 3x 3x 3x 3x
Wnseradiel 3x 4x 5x 6x 7x
Wymbritseradiel 3x 4x 4x 4x 4x
Zaanstad 151x 176x 200x 224x 248x
Zaltbommel 6x 9x 10x 10x 10x
Zandvoort 6x 10x 13x 16x 19x
Zederik 1x 2x 2x 2x 2x
Zeevang 0x 1x 1x 1x 1x
Zeewolde 2x 3x 3x 3x 3x
Zeist 42x 57x 71x 85x 99x
Zelhem 1x 2x 2x 2x 2x
Zevenaar 11x 15x 19x 23x 27x
Zevenhuizen-Moerkapelle 1x 2x 2x 2x 2x
Zijpe 2x 3x 3x 3x 3x
Zoetermeer 64x 81x 98x 115x 131x
Zoeterwoude 1x 2x 2x 2x 2x
Zuidhorn 4x 5x 6x 6x 6x
Zuidlaren 6x 7x 7x 7x 7x
Zundert 2x 3x 3x 3x 3x
Zutphen 68x 88x 108x 127x 146x
Zwartsluis 1x 2x 2x 2x 2x
Zwijndrecht 30x 38x 45x 52x 59x
Zwolle 256x 291x 329x 368x 407x
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx          

 

 

BIJLAGE  II

Bereidverklaring

 

Datum:

De gemeente .......... verklaart zich bereid, met inachtneming van de Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen, .......... arbeidsplaatsen in 1999 te realiseren.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ..........

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Besluit ID-banen | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x