Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Besluit in- en doorstroombanen
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2002

 

REGELING  LAGERE  VASTSTELLING  SUBSIDIE
BESLUIT  IN-  EN  DOORSTROOMBANEN

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2003
(art. 7:1c Uid)

 
 

19 december 2001, Stcrt. 2002, 8
Inwerkingtreding: 1 januari 2002
(T.a.v. art. 15:6 Besluit ID-banen)

 

 

 

 
19 december 2001/nr. AM/RAW/01/53370
Directie Arbeidsmarkt

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 15, zesde lid, van het Besluit in- en doorstroombanen;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. besluit: het Besluit in- en doorstroombanen;
c. regeling: de Regeling uitvoering en financiering Besluit in- en doorstroombanen;
d. maatregel: het ten opzichte van de subsidieverlening, bedoeld in artikel 3 van het besluit, lager vaststellen van de subsidie op grond van artikel 15 van het besluit.

 

Art. 2. Het niet vervullen van het aantal toegekende arbeidsplaatsen
In een geval als bedoeld in artikel 15, vierde lid, onderdeel a, van het besluit wordt de verleende subsidie vastgesteld aan de hand van het aantal arbeidsplaatsen waarmee de in een kalenderjaar vervulde dienstbetrekkingen overeenstemmen, op basis van de verantwoording van de jaaropgave waarin zijn opgenomen de kwartaaldeclaraties en die voorzien is van een verslag van de controle waarin is opgenomen de accountantsverklaring. De vastgestelde subsidie kan maximaal betrekking hebben op het in de bereidverklaring door de gemeente opgenomen aantal te vervullen arbeidsplaatsen dan wel het aantal arbeidsplaatsen dat door de minister is toegekend.

 

Art. 3. Het niet verstrekken van juiste of volledige gegevens
In een geval als bedoeld in artikel 15, vierde lid, onderdeel b, van het besluit wordt het bedrag van de maatregel vastgesteld op het bedrag dat gelijk is aan het verschil tussen de subsidie die is verleend op basis van de door de gemeente onjuist of onvolledig verstrekte gegevens en de subsidie die zou zijn verleend indien deze gegevens juist of volledig zouden zijn verstrekt.

 

Art. 4. Handelen in strijd met het besluit
In een geval als bedoeld in artikel 15, vierde lid, onderdeel c, van het besluit wordt het bedrag van de maatregel vastgesteld op het bedrag dat in strijd met het bij of krachtens het besluit bepaalde aan subsidie is besteed.

 

Art. 5. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot Ļ 1 januari 2002.

1. Volgens de redactie dient "tot" te worden vervangen door: tot en met.

 

Art. 6. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling lagere vaststelling subsidie Besluit in- en doorstroombanen.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

ís-Gravenhage, 19 december 2001.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.

 

 

 

TOELICHTING
[19 december 2001]

 

1.  Algemeen

 

     Voor de uitvoering van het Besluit in- en doorstroombanen (Besluit ID-banen) wordt aan gemeenten subsidie verleend. In artikel 15, derde lid, van het besluit is bepaald dat de minister na afloop van het jaar de subsidie vaststelt en in artikel 15, vierde lid, is bepaald op welke gronden de vastgestelde subsidie kan afwijken van de verleende en betaalde subsidie. Op grond van het bepaalde in artikel 15, zesde lid, van het besluit kunnen bij ministeriŽle regeling regels voor de subsidievaststelling worden gesteld. De onderhavige regeling strekt daartoe. De regeling geeft invulling aan de wijze waarop de minister gebruik maakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van de verleende subsidie in de gevallen, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, dat wil zeggen, om de subsidie in afwijking van de verleende en betaalde subsidie lager vast te stellen.
     Met het oog op de vaststelling van de subsidie voor de jaren 1999, 2000 en 2001 zijn beleidsregels vastgesteld die openbaar zijn gemaakt door plaatsing in de Staatscourant (Stcrt. 2001, 138). Bij brief van 13 juli 2001, nr. AM/RAW/01/39998, zijn de gemeenten in kennis gesteld van deze beleidsregels. De beleidsregels voor de jaren 1999 tot en met 2001 vormen de basis voor deze regeling.
     De mogelijkheid om de subsidie in afwijking van de verleende subsidie lager vast te stellen, hierna te noemen de maatregel, is aan de minister gegeven om over een effectief instrument te beschikken waarmee de uitvoeringspraktijk kan worden bijgestuurd en in overeenstemming kan worden gebracht met de beoogde doelstelling. Toepassing van deze bevoegdheid is er dan ook op gericht om de naleving van het besluit door de gemeente te bevorderen. Daarnaast vervult deze bevoegdheid in het departementaal vaststellingsproces een functie in het kader van de ministeriŽle verantwoording aan het parlement waarvan een ordelijk financieel beheer in relatie tot de uitvoering van de rijksbegroting deel uitmaakt.
     Door inzending van de bereidverklaring geeft de gemeente te kennen arbeidsplaatsen tot stand te willen brengen als bedoeld in het Besluit ID-banen. Dit betekent voorts dat de gemeente ernaar streeft om dit besluit juist uit te voeren. Het is voor het gemeentebestuur van belang te weten welke uitvoeringsaspecten in het bijzonder van belang worden geacht voor een juiste uitvoering.
     Voorts bevordert het kenbaar maken van de regels inzake lagere vaststelling van de subsidie de rechtszekerheid en eenheid in het beleid. Enerzijds schept het duidelijkheid naar de gemeenten. Niet alleen weten zij waar ze aan toe zijn, maar ook dat ze in vergelijkbare situaties overeenkomstig zullen worden behandeld. Anderzijds is de minister door het vastleggen van deze regels in de onderhavige regeling gehouden overeenkomstig de regels te handelen.

 

2. Uitgangspunten


     In het Besluit ID-banen is gekozen voor een ruime mate van beleidsvrijheid voor de gemeente om arbeidsplaatsen te realiseren bij werkgever, met name in de collectieve en non-profitsector en deze te doen vervullen door personen die tot de doelgroep behoren of daaraan gelijk zijn gesteld. Binnen de randvoorwaarden van het besluit is het gemeentebestuur zelf verantwoordelijk voor een rechtmatige uitvoering van het besluit. Dit houdt onder andere in dat het gemeentebestuur zelf voortdurend zorg draagt voor de controle op de uitvoering op basis van een getrouwe (gecertificeerde) verantwoordingsinformatie over de rechtmatigheid van het uitvoeringsproces, bijvoorbeeld door middel van periodieke managementinformatie. Dit is alleen mogelijk als de gemeentelijke uitvoeringsorganisatie zodanig is ingericht en functioneert dat tekortkomingen tijdig worden gesignaleerd. Een goed functionerende interne controle kan hiervoor de aangewezen weg vormen. Hiermee worden overigens geen beperkingen aangebracht ten aanzien van de bron van de signalering van de tekortkoming.
     Dat de signalering logischerwijs in de meeste gevallen uit de gemeentelijke of aangewezen uitvoeringsorganisatie voortkomt, neemt niet weg dat ook anderen, zoals de medewerkers van de regionale afdelingen van de Inspectie Werk en Inkomen (de Rijksconsulent Sociale Zekerheid), de bij de gemeente fungerende accountant of een extern adviseur op tekortkomingen kunnen wijzen.
     Het is primair de verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur om bij geconstateerde tekortkomingen tot een herstelproces te komen. Dit houdt niet alleen in dat de gemeente zelf daartoe het initiatief neemt, maar dat ook tijdig doet. Teneinde inzichtelijk te maken welke stappen het gemeentebestuur daartoe heeft gezet, is het raadzaam dat het gemeentebestuur de hierbij te volgen procedure, die zal moeten leiden tot opheffing van de tekortkomingen, alsmede het verloop van het proces documenteert. Op deze wijze wordt de minister in staat gesteld om bij de beoordeling van de gemeentelijke uitvoering eventueel rekening te houden met de specifieke omstandigheden van gemeenten.
     Het opleggen van een maatregel vindt plaats bij onrechtmatige uitvoering van de regelgeving. Gezien de aard van de onderhavige regelgeving vormt een maatregel geen sanctie, omdat als uitgangspunt wordt gehanteerd dat wat niet rechtmatig is besteed, niet wordt gesubsidieerd. Het bedrag van de maatregel sluit derhalve aan bij het financieel beslag van de onrechtmatigheid in de uitvoering.

 

3. Toetsingskader


     Op grond van artikel 15, vierde lid, Besluit ID-banen kan van de verleende en betaalde subsidie worden afgeweken, indien:
a. de vervulde dienstbetrekkingen met betrekking tot arbeidsplaatsen niet overeenstemmen met het aantal arbeidsplaatsen op grond waarvan de subsidie is verleend;
b. de gemeente de gegevens, bedoeld in dit artikel, niet juist of niet volledig heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere subsidieverlening zou hebben geleid;
c. de gemeente anderszins handelt in strijd met het besluit.
     In genoemde situaties zal een maatregel worden opgelegd.
     Van de onder a genoemde situatie is sprake indien de gemeente in een jaar niet het aantal arbeidsplaatsen heeft vervuld waarvoor zij subsidie heeft ontvangen. Gevolg hiervan zal zijn dat de rijkssubsidie lager zal worden vastgesteld op basis van het aantal vervulde arbeidsplaatsen.
     Bij de onder b bedoelde situatie gaat het om het verstrekken van niet juiste of niet volledige gegevens op grond waarvan de subsidie wordt vastgesteld. Het gaat hierbij om het verstrekken van gegevens in het kader van de financiŽle verantwoording. Het enkel verstrekken van niet juiste of onvolledige gegevens is niet voldoende om een maatregel op te leggen. Daartoe moet de vraag worden beantwoord of het niet juist of niet volledig verstrekken van de gegevens heeft geleid tot het verlenen van een hogere subsidie dan zou zijn verleend bij wel juiste of volledige verstrekking van gegevens. Is het antwoord op deze vraag bevestigend, dan wordt bij het vaststellen van het bedrag van de maatregel rekening gehouden met het hiermee gemoeide financiŽle beslag.
     Van de onder c bedoelde situatie is sprake indien de gemeente anderszins in strijd met het Besluit ID-banen en de Regeling uitvoering en financiering Besluit in- en doorstroombanen (Ruf ID-banen) heeft gehandeld.
     Van alle hierboven genoemde tekortkomingen valt het daarmee gemoeide financiŽle beslag vast te stellen. De regeling heeft dan ook alleen betrekking op maatregelen op basis van een financieel beslag.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1. Definities

     In dit artikel worden enkele in de regeling gebruikte begrippen die nog niet zijn omschreven in het Besluit ID-banen, gedefinieerd.

 

Artikel 2. Het niet vervullen van het aantal toegekende arbeidsplaatsen

     Doet zich de situatie voor als bedoeld in artikel 15, vierde lid, onderdeel a, van het besluit, dan wordt de verleende subsidie vastgesteld aan de hand van het aantal arbeidsplaatsen waarmee de in een kalenderjaar vervulde dienstbetrekkingen overeenstemmen, op basis van de verantwoording van de jaaropgave waarin zijn opgenomen de kwartaaldeclaraties en die voorzien is van een verslag van de controle waarin is opgenomen de accountantsverklaring. De subsidierelatie tussen Rijk en gemeente met betrekking tot het aantal voor subsidie in aanmerking komende arbeidsplaatsen bestaat uitsluitend tot het maximum aantal arbeidsplaatsen dat in de bereidverklaring van de gemeente is opgenomen, voor zover dit aantal niet meer bedraagt dan het aantal door de minister toegekende arbeidsplaatsen. In bijlage I van de Ruf ID-banen is het aantal arbeidsplaatsen opgenomen waarvoor een gemeente maximaal in aanmerking kan komen. Het is aan de gemeente te beslissen of zij dit aantal wenst te vervullen dan wel een lager aantal arbeidsplaatsen.
     In de situatie dat een gemeente een hoger aantal arbeidsplaatsen tengevolge van te veel berekende dienstbetrekkingen heeft opgegeven dan in de bijlage is opgenomen, krijgt zij niet meer gesubsidieerd dan het aantal dat in de bijlage is genoemd.
     Heeft een gemeente zich bereid verklaard een lager aantal arbeidsplaatsen te vervullen, dan wordt zij tot dit aantal gesubsidieerd.
     Ook in de situatie dat een gemeente meer arbeidsplaatsen vervult dan is opgenomen in haar bereidverklaring, maar minder dan in de bijlage is opgenomen, krijgt de gemeente niet meer vergoed dan het aantal dat zij in haar verklaring heeft opgenomen. Heeft een gemeente meer arbeidsplaatsen gerealiseerd dan zij in de bereidverklaring heeft aangegeven te zullen doen dan wel het aantal arbeidsplaatsen dat door de minister is toegekend, dan worden de kosten van deze arbeidsplaatsen bij de vaststelling van de subsidie dus niet in aanmerking genomen. Bij de bepaling welke arbeidsplaatsen dan niet voor vergoeding in aanmerking komen, wordt uitgegaan van die arbeidsplaatsen waarop dienstbetrekkingen zijn vervuld die als laatste zijn gerealiseerd.

 

Artikel 3. Het niet verstrekken van juiste of volledige gegevens

     Het niet verstrekken van juiste of volledige gegevens heeft betrekking op gegevens die de gemeente moet verstrekken in het kader van artikel 15, vierde lid, onderdeel b, van het besluit. Het gaat hierbij om gegevens die onderdeel uitmaken van de financiŽle verantwoording. Het enkel verstrekken van niet juiste of niet volledige gegevens is niet voldoende om een maatregel op te leggen. Alvorens hiertoe zal worden overgegaan, moet eerst de vraag worden beantwoord of het verstrekken van juiste of volledige gegevens zou hebben geleid tot een lagere subsidieverlening. Is het antwoord op deze vraag bevestigend, dan wordt bij de definitieve vaststelling van de subsidie rekening gehouden met het hiermee gemoeide financiŽle beslag.

 

Artikel 4. Handelen in strijd met het besluit

     Het opleggen van een maatregel vindt plaats bij onrechtmatige uitvoering van het Besluit ID-banen en de Ruf ID-banen. Het bedrag van de maatregel sluit aan bij het financieel beslag van de onrechtmatigheid in de uitvoering. Dit betekent dat onderzoek zal moeten worden gedaan naar de omvang van de uitgaven die in strijd met het besluit zijn gedaan. Ter bepaling hiervan zal gebruik worden gemaakt van bevindingen van de gemeentelijke accountant. Het onderzoek van de accountant vindt plaats overeenkomstig het zogenoemde controle- en rapportageprotocol.
     Zoals reeds gebeurde overeenkomstig de in het algemene deel van deze toelichting genoemde uitgangspunten bij de subsidievaststelling voor de jaren 1999 tot en met 2001, wordt de subsidie ook teruggevorderd of verrekend indien de verleende subsidie blijkens de accountantsverklaring of het onderzoek van de medewerkers van de regionale afdelingen van de Inspectie Werk en Inkomen (de Rijksconsulent Sociale Zekerheid) is gebaseerd op onjuiste gegevens.
     In paragraaf 3 van het algemene deel van de toelichting over het toetsingskader is reeds uiteengezet dat dienstbetrekkingen slechts als zodanig worden aangemerkt indien deze voldoen aan de voorwaarden die ingevolge het besluit en daarop gebaseerde regelgeving daaraan worden gesteld en tot stand zijn gekomen overeenkomstig de voorschriften zoals deze zijn neergelegd in de regelgeving. Wordt aan ťťn of meer voorwaarden niet voldaan, dan heeft dit tot gevolg dat de dienstbetrekkingen niet voor subsidie in aanmerking komen.
     Op grond van artikel 3, eerste lid, van het besluit wordt de subsidie aan de gemeente verstrekt voor de totstandkoming van arbeidsplaatsen voor langdurig werklozen die in de vorm van dienstbetrekkingen bij werkgevers worden vervuld. Derhalve is het van belang dat de realisatie van arbeidsplaatsen en de dienstbetrekkingen overeenkomstig het bepaalde in het besluit plaatsvinden, dat de werknemers uit de doelgroep afkomstig zijn, derhalve gewezen langdurig werklozen of daarmee gelijkgestelden en dat de werkgevers bij wie de arbeidsplaatsen worden gerealiseerd eveneens voldoen aan hetgeen daaromtrent is bepaald.
     In het onderhavige artikel is het handelen in strijd met het Besluit ID-banen uitsluitend in verband gebracht met die aspecten die een te kwantificeren financieel beslag met zich brengen. Dit betekent in de volgende situaties:
a. de werknemer die de arbeidsplaats vervult, is niet een gewezen langdurig werkloze in de zin van het besluit of kan evenmin met een langdurig werkloze worden gelijkgesteld (artikel 1, eerste lid, onderdeel b, en artikel 1, tweede lid, juncto artikel 5, derde lid, Besluit ID-banen);
b. de dienstbetrekking die met de werknemer is aangegaan, is geen arbeidsovereenkomst als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek of een publiekrechtelijke aanstelling (artikel 1, derde lid, onderdeel a, Besluit ID-banen);
c. de werkgever bij wie de arbeidsplaats wordt vervuld, is geen werkgever respectievelijk geen instelling in de zin van het besluit (artikel 1, derde lid, onderdeel d, en artikel 1, vierde en vijfde lid, Besluit ID-banen);
d. de gemeente heeft bij het toepassing geven aan artikel 1, vierde lid, onderdeel b, Besluit ID-banen niet getoetst of de rechtspersoon voldoet aan het bepaalde in dit onderdeel (artikel 3, derde lid, Besluit ID-banen);
e. de gemeente heeft haar beleid inzake openbare veiligheid en toezicht niet vastgesteld of niet vastgesteld na bespreking in het reguliere overleg van burgemeester, OM en politie (artikel 3, vierde lid, Besluit ID-banen);
f. de gemeente heeft geen verklaring langdurig werkloze ten behoeve van de werkgever afgegeven (artikel 5, eerste lid, Besluit ID-banen);
g. de dienstbetrekking met de werknemer is niet aangegaan voor onbepaalde tijd dan wel is geen gebruik gemaakt van de uitzondering (artikel 6, tweede lid, onderdeel b, Besluit ID-banen);
h. de gemeente heeft bij het verstrekken van een vergoeding niet nagegaan of voldaan is aan hetgeen is bepaald ten aanzien van de cumulatie van subsidies (artikel 6, tweede lid, onderdeel c, Besluit ID-banen);
i. de gemeente heeft bij het verstrekken van een vergoeding niet nagegaan of de beleidsregels inzake het verbod op detachering respectievelijk omgekeerde detachering (Staatscourant 28 december 2000, 251, pag. 55) in acht zijn genomen (artikel 6, tweede lid, onderdeel d en e, Besluit ID-banen);
j. de gemeente heeft bij het verstrekken van een vergoeding aan de werkgever niet nagegaan of de werkgever de overige in artikel 6, tweede lid, Besluit ID-banen opgenomen vereisten in acht heeft genomen (artikel 6, tweede lid, Besluit ID-banen);
k. de gemeente heeft de vergoeding aan de werkgever verstrekt zonder dat de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging over de totstandkoming van dergelijke arbeidsplaatsen positief heeft geadviseerd (artikel 7, eerste lid, onderdeel a, Besluit ID-banen);
l. de gemeente heeft de vergoeding aan de werkgever verstrekt zonder dat gebleken is dat zij zich vergewist heeft of zich bij de werkgever geen gevallen van beŽindiging van dienstbetrekkingen hebben voorgedaan op grond van bedrijfseconomische redenen (artikel 7, eerste lid, onderdeel b, Besluit ID-banen);
m. de gemeente heeft bij aanvang van de dienstbetrekking nagelaten te toetsen of voldaan wordt aan het bepaalde met betrekking tot de arbeidsduur van de dienstbetrekking (artikel 8 Besluit ID-banen);
n. de gemeente heeft niet nagegaan of het bepaalde ten aanzien van de hoogte van het door de werknemer te verdienen loon in acht is genomen (artikel 9, eerste en derde lid, Besluit ID-banen);
o. de gemeente heeft bij het toepassing geven aan een doorstroombaan niet nagegaan of deze baan bezet wordt door een werknemer die ten minste vijf jaar op een arbeidsplaats in de zin van het besluit werkzaam is geweest of drie jaar op een dergelijke arbeidsplaats werkzaam is geweest en daaraan voorafgaande twee jaar een dienstbetrekking in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden heeft vervuld dan wel dat het maximaal te verdienen loon niet wordt overschreden (artikel 10, tweede en derde lid, Besluit ID-banen);
p. de gemeente heeft alvorens een doorstroombaan te realiseren, nagelaten te toetsen of over deze plaats een positief advies door de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging is uitgebracht (artikel 10, vierde lid, Besluit ID-banen);
q. de gemeente beschikt niet over de afschriften van de verklaringen van de uitgestroomde werknemers ten aanzien van wie de gemeente ten behoeve van de Belastingdienst een verklaring heeft afgegeven met het oog op het in aanmerking komen voor de toetrederskorting door deze werknemers (artikel 14, tweede lid, Besluit ID-banen).
r. de gemeente heeft bij het uitkeren van de uitstroompremie het bepaalde in artikel 4, tweede, derde en vijfde lid, Besluit ID-banen, alsmede artikel 4, vierde lid, Regeling uitvoering en financiering Besluit in- en doorstroombanen, zoals deze bepalingen luidden op 31 december 2001, niet in acht heeft genomen (artikel 19a Besluit ID-banen);
s. de werkgever heeft het bepaalde in artikel 5, vierde lid, onderdeel c, Regeling ID-banen respectievelijk artikel 6, tweede lid, onderdeel c, Besluit ID-banen inzake de anticumulatie, zoals deze bepalingen luidden op 31 december 2001, niet in acht genomen (artikel 19b Besluit ID-banen).

     Ad a. Blijkt de werknemer niet een langdurig werkloze te zijn geweest of kan hij niet met een langdurig werkloze worden gelijkgesteld, zoals bepaald in artikel 5 van het besluit, dan is de vervulling van de arbeidsplaats niet overeenkomstig het besluit geschied. Een dergelijke arbeidsplaats komt niet voor subsidieverlening in aanmerking. Het bedrag van de maatregel bestaat uit het bedrag dat in strijd met het bij of krachtens het besluit bepaalde aan subsidie voor de arbeidsplaats naar rato van de omvang van de dienstbetrekking is verleend.

     Ad b. Blijkt de dienstbetrekking met de werknemer niet te zijn aangegaan in de vorm van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek of van een publiekrechtelijke aanstelling, dan is er geen sprake van een dienstbetrekking als bedoeld in het besluit. De arbeidsplaats komt dan naar rato van de omvang van de dienstbetrekking niet voor subsidieverlening in aanmerking. Het bedrag van de maatregel bestaat uit het hiermee gemoeide financiŽle beslag.

     Ad c. Wordt de arbeidsplaats vervuld bij een werkgever die niet voldoet aan het bepaalde in het besluit, dan is de vervulling van de arbeidsplaats niet overeenkomstig het besluit geschied. Ook in die situatie komt de arbeidsplaats naar rato van de omvang van de dienstbetrekking niet voor subsidieverlening in aanmerking. Het bedrag van de maatregel bestaat uit het hiermee gemoeide financiŽle beslag.

     Ad d. In een geval dat bij besteding van subsidie aan een werkgever ten aanzien van wie de gemeente toepassing geeft aan artikel 1, vierde lid, onderdeel b, van het besluit de gemeente niet toetst of de rechtspersoon daaraan voldoet, komt een dergelijke arbeidsplaats naar rato van de omvang van de dienstbetrekking niet voor subsidieverlening in aanmerking. Het bedrag van de maatregel bestaat uit het hiermee gemoeide financiŽle beslag.

     Ad e. Het gemeentebestuur heeft voor het tot stand brengen van arbeidsplaatsen op het gebied van openbare veiligheid en toezicht niet het beleid vastgesteld of niet vastgesteld na bespreking in het reguliere overleg, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 1993, tussen de burgemeester, de officier van justitie van het desbetreffende arrondissement en de korpschef van het regionale politiekorps.
     De arbeidsplaatsen die desondanks op dit terrein zijn gerealiseerd, komen niet voor subsidieverlening in aanmerking. Het bedrag van de maatregel bestaat uit het bedrag dat in strijd met het bij of krachtens het besluit bepaalde aan subsidie voor de betreffende arbeidsplaatsen naar rato van de omvang van de dienstbetrekking is verleend.

     Ad f. In een geval dat de gemeente geen verklaring langdurig werkloze heeft afgegeven ten behoeve van de werkgever, komt de arbeidsplaats naar rato van de omvang van de dienstbetrekking niet voor subsidieverlening in aanmerking. Het bedrag van de maatregel bestaat uit het hiermee gemoeide financiŽle beslag.

     Ad g. Blijkt de dienstbetrekking niet te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd en is evenmin sprake van de in het besluit genoemde uitzondering, dan komt de arbeidsplaats naar rato van de omvang van de dienstbetrekking niet in aanmerking voor subsidieverlening. Het bedrag van de maatregel bestaat uit het hiermee gemoeide financiŽle beslag.

     Ad h. Blijkt een werkgever in strijd met hetgeen is bepaald in artikel 6, tweede lid, onderdeel c, van het besluit voor dezelfde dienstbetrekking uit anderen hoofde eveneens subsidie te hebben ontvangen, dan is de dienstbetrekking niet rechtmatig tot stand gekomen en komt de arbeidsplaats naar rato van de omvang van de dienstbetrekking niet voor subsidieverlening in aanmerking. Het bedrag van de maatregel bestaat uit het hiermee gemoeide financiŽle beslag.

     Ad i. Blijkt niet voldaan te zijn aan hetgeen bepaald is met betrekking tot de detachering respectievelijk omgekeerde detachering, dan komt de arbeidsplaats naar rato van de omvang van de dienstbetrekking die in strijd daarmee is vervuld, niet voor subsidieverlening in aanmerking. Het bedrag van de maatregel bestaat uit het hiermee gemoeide financiŽle beslag.

     Ad j. Is niet nagegaan bij het verstrekken van een vergoeding aan de werkgever of overigens aan het bepaalde in het tweede lid van artikel 6 is voldaan, dan komt de arbeidsplaats naar rato van de omvang van de dienstbetrekking niet voor subsidieverlening in aanmerking. De maatregel bestaat uit het hiermee gemoeide financiŽle beslag.

     Ad k. Heeft de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging geen positief advies over het realiseren van een arbeidsplaats bij de werkgever uitgebracht, dan komt de arbeidsplaats naar rato van de dienstbetrekking niet voor subsidieverlening in aanmerking. Het bedrag van de maatregel bestaat uit het hiermee gemoeide financiŽle beslag.

     Ad l. Alvorens de vergoeding aan de werkgever te verstrekken voor het vervullen van een arbeidsplaats, dient de gemeente zich ervan te hebben vergewist dat bij deze werkgever in de periode van zes maanden voorafgaand aan de datum van aanvang van de dienstbetrekking geen beŽindiging van dienstbetrekkingen op grond van bedrijfseconomische redenen heeft plaatsgevonden (artikel 7, eerste lid, onderdeel b, Besluit ID-banen). Heeft de gemeente aan de werkgever een vergoeding verstrekt voor het vervullen van een arbeidsplaats zonder dat uit de bescheiden blijkt dat de gemeente deze controle heeft uitgevoerd, dan komt deze arbeidsplaats niet voor subsidieverlening in aanmerking. Het bedrag van de maatregel bestaat uit het bedrag dat in strijd met het bij of krachtens het besluit bepaalde aan subsidie voor de betreffende arbeidsplaats naar rato van de omvang van de dienstbetrekking is verleend.

     Ad m. Blijkt bij het vaststellen van de arbeidsduur niet het bepaalde van artikel 8 in acht te zijn genomen, dan komt de arbeidsplaats naar rato van de dienstbetrekking niet voor vergoeding in aanmerking. De maatregel bestaat uit het hiermee gemoeide financiŽle beslag.

     Ad n. Is het bepaalde met betrekking tot de hoogte van het loon dat gedurende de eerste twaalf maanden van de dienstbetrekking kan worden verdiend niet in acht genomen, dan komt de arbeidsplaats naar rato van de omvang van de dienstbetrekking niet voor subsidieverlening in aanmerking. Het bedrag van de maatregel bestaat uit het hiermee gemoeide financiŽle beslag.
     In dit verband wordt nog gewezen op het volgende. In een tweetal in artikel 9 omschreven gevallen kan hiervan worden afgeweken. De eerste afwijking betreft indien er sprake is van een algemene loonsverhoging voor zover het loon over de overeengekomen uitbetalingstermijn niet meer bedraagt dan 103% van het voor de overeengekomen arbeidsduur geldende minimumloon. De tweede afwijking betreft indien op basis van de voor de werkgever geldende CAO een periodieke loonsverhoging plaatsvindt binnen twaalf maanden na aanvang van de dienstbetrekking. Doen deze afwijkingen zich voor, dan moet dit uit de opgeslagen documentatie blijken.
     Het derde lid van artikel 9 betreft het geval dat een werknemer die werkzaam is in een dienstbetrekking op een instroombaan, een loon wordt betaald dat meer bedraagt dan het maximaal te verdienen loon. Een dergelijke arbeidsplaats komt naar rato van de omvang van de dienstbetrekking niet voor subsidieverlening in aanmerking. Het bedrag van de maatregel bestaat uit het hiermee gemoeide financiŽle beslag.

     Ad o. Wordt de doorstroombaan vervuld door een werknemer die korter dan vijf jaar werkzaam is geweest op een arbeidsplaats in de zin van het besluit of korter dan drie jaar in het kader van het besluit en twee jaar een dienstbetrekking heeft vervuld in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden daaraan voorafgaande dan wel dat voor een doorstroombaan het bepaalde met betrekking tot het maximaal te verdienen loon niet in acht is genomen, dan komt deze arbeidsplaats naar rato van de omvang van de dienstbetrekking niet voor subsidieverlening in aanmerking. Het bedrag van de maatregel bestaat uit het hiermee gemoeide financiŽle beslag.

     Ad p. Heeft over het realiseren van een doorstroombaan de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging geen positief advies uitgebracht, dan komt de arbeidsplaats naar rato van de omvang van de dienstbetrekking niet voor subsidieverlening in aanmerking. Het bedrag van de maatregel bestaat uit het hiermee gemoeide financiŽle beslag.

     Ad q. Beschikt de gemeente niet over afschriften van de verklaringen van de uitgestroomde werknemers ten aanzien van wie de gemeente aan de Belastingdienst een verklaring heeft afgegeven dat zij voldoen aan de gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor de toetrederskorting door deze werknemers, dan komt de gemeente niet in aanmerking voor het gemeentelijk deel van de uitstroompremie. Het bedrag van de maatregel bestaat uit het hiermee gemoeide financiŽle beslag (artikel 14, tweede lid, Besluit ID-banen jo. artikel 4, eerste lid, Ruf ID-banen).

     Ad r. In artikel 19a is het overgangsrecht geregeld met betrekking tot de tot 1 januari 2002 bestaande uitstroompremie. Deze overgangsregeling houdt in dat voor werknemers die vůůr de inwerkingtreding van het Belastingplan 2002 I - Arbeidsmarkt en inkomensbeleid op 1 januari 2002 zijn uitgestroomd uit een gesubsidieerde dienstbetrekking als bedoeld in het Besluit ID-banen, de tot nu toe geldende premieregeling op grond van dat besluit van toepassing blijft. Derhalve mag de gemeente de uitstroompremie ten behoeve van een werknemer slechts aanwenden indien de dienstbetrekking van de werknemer ingevolge het Besluit ID-banen ten minste twee jaar heeft geduurd. Wordt daaraan niet voldaan, dan komt de gemeente niet in aanmerking voor de uitstroompremie.

     Ad s. In artikel 19b is het overgangsrecht geregeld voor subsidies die door de ID-werkgever worden ontvangen op grond van de tot 1 januari 2002 bestaande artikelen 16, 17 of 18, met uitzondering van artikel 18, derde lid, onderdeel a, van de Wet (re)integratie arbeidsongeschikten (Wet Rea), artikel 13b van de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) of artikel 81a van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, die vůůr het tijdstip van inwerkingtreding van het Belastingplan 2002 V - Socialezekerheidswetgeving zijn aangevraagd voor dienstbetrekkingen die vůůr genoemd tijdstip zijn aangegaan. Het betreft hier subsidies in de vorm van een herplaatsings- of plaatsingsbudget of pakket op maat met uitzondering van de loonkostensubsidie in laatstgenoemd pakket op grond van de Wet Rea. De overgangsregeling sluit aan bij het voor genoemde artikelen vastgestelde overgangsrecht, bedoeld in meergenoemd belastingplan. Die regelingen houden in dat voor werkgevers die vůůr de inwerkingtreding van dat belastingplan een arbeidsgehandicapte in dienst hebben genomen en een plaatsings- of herplaatsingsbudget dan wel pakket op maat, met uitzondering van een loonkostensubsidie, hebben aangevraagd, die aanvraag wordt afgehandeld door de betreffende uitvoeringsinstelling.
     De in artikel 19b van het onderhavige besluit opgenomen regeling komt erop neer dat een ontvangen subsidie op grond van de meergenoemde bepalingen van de Wet Rea, de Wiw of de Arbeidsvoorzieningswet 1996 ook na de inwerkingtreding van het Belastingplan 2002 V - Socialezekerheidswetgeving geen invloed heeft op de vergoeding van de kosten voor een ID-baan. Dit betekent dat dit aspect bij de vaststelling van de subsidie moet worden betrokken. Blijkt een werkgever nog een subsidie in de loonkosten te hebben ontvangen in strijd met hetgeen is bepaald in artikel 6, tweede lid, onderdeel c, van het Besluit ID-banen, zoals dit luidde op 31 december 2001, dan komt zoín arbeidsplaats naar rato van de dienstbetrekking niet voor subsidieverlening in aanmerking.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Besluit ID-banen | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x