Geschiedenis van deze regeling:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-01-2003   Intrekking  Stcrt. 2002, 247 Stcrt. 2002, 247
23-02-2002 01-01-2002 Wijziging Stcrt. 2002, 37 Stcrt. 2002, 37
09-01-2002 01-01-2002 Wijziging Stcrt. 2002, 4 Stcrt. 2002, 4
01-10-2001   Wijziging Stcrt. 2001, 188 Stcrt. 2001, 188
01-01-2001   Wijziging Stcrt. 2000, 252 Stcrt. 2000, 252
29-01-2000 01-01-2000 Wijziging Stcrt. 2000, 19 Stcrt. 2000, 19
01-01-2000   Nieuwe regeling Stcrt. 1999, 251 Stcrt. 1999, 251

 

 

21 december 1999/nr. AM/RAW/99/81190
Directie Arbeidsmarkt

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Handelende in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid en de Minister van Financiën;
     Gelet op artikel 8 van de Kaderwet SZW-subsidies;
     Voorts gelet op de artikelen 3, vijfde, zesde en zevende lid, 4, tweede en vijfde lid, 13, tweede, vierde, vijfde en zevende lid, 14, eerste en vierde lid, 15, vijfde lid, 17, derde lid, en 18, vierde lid, van het Besluit in- en doorstroombanen;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. het besluit: het Besluit in- en doorstroombanen;
b. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

Art. 2. Aantallen arbeidsplaatsen
-1. In bijlage I bij deze regeling is per gemeente het aantal arbeidsplaatsen opgenomen dat in de vorm van dienstbetrekkingen met langdurig werklozen per kalenderjaar kan worden vervuld; dit aantal betreft:
a. de aan de gemeente toegekende arbeidsplaatsen tot en met het jaar 1998; ¹
b. het maximum van het aantal arbeidsplaatsen dat voor de jaren 1999 tot en met 2002 aan de gemeente is toegekend op grond van de Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen zoals deze regeling luidde tot de datum van inwerkingtreding van het besluit;
c. het aantal arbeidsplaatsen dat vóór de datum van inwerkingtreding van het besluit kon worden vervuld bij een instelling als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, onderdeel b, van het besluit en dat na de inwerkingtreding van het besluit voor de jaren 2000 tot en met 2002 aan de gemeente is toegekend; en
d. het aantal arbeidsplaatsen dat vóór de datum van inwerkingtreding van het besluit kon worden vervuld bij een instelling als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, onderdeel b, van het besluit en dat na de inwerkingtreding van deze regeling voor de jaren 2001 en 2002 aan de gemeente is toegekend.
-2. De bereidverklaring voor het tot stand brengen van de arbeidsplaatsen, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van het besluit, is ingericht overeenkomstig het model in bijlage II bij deze regeling.
-3. Het aantal arbeidsplaatsen, bedoeld in het eerste lid, kan in elk van de kalenderjaren 2000 tot en met 2002 worden herzien, indien:
a. het aantal dienstbetrekkingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet inschakeling werkzoekenden, met uitzondering van die met jongeren als bedoeld in die wet, als gevolg van de vervulde dienstbetrekkingen, bedoeld in de aanhef, op 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin het aantal toegekende arbeidsplaatsen kan worden herzien, lager is dan het aantal betreffende dienstbetrekkingen op 31 december van het daaraan voorafgaande kalenderjaar; of
b. niet alle arbeidsplaatsen, bedoeld in de aanhef, op 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin het aantal toegekende arbeidsplaatsen kan worden herzien, zijn vervuld in de vorm van een dienstbetrekking als bedoeld in het besluit.

1. Volgens de redactie dient onderdeel a van het eerste lid te vervallen. Zie voor de aan de gemeente toegekende arbeidsplaatsen tot en met het jaar 1998 bijlage I bij de Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen.

 

Art. 3. Subsidiebedragen arbeidsplaatsen
-1. De subsidie per arbeidsplaats, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van het besluit, bedraagt per kalenderjaar:
a.|17 424,00 voor een arbeidsplaats die na 1 januari 1999 in de vorm van een dienstbetrekking met een langdurig werkloze wordt vervuld;
b.|19 033,00 voor een arbeidsplaats die:
1º. tot en met 1 januari 1999 in de vorm van een dienstbetrekking met een langdurig werkloze is vervuld, voor zover deze arbeidsplaats is toegekend voor de periode tot en met het jaar 1998; of
2º. in de vorm van een dienstbetrekking met een werkloze wordt vervuld, welke werknemer, voorafgaand aan die dienstbetrekking, ten minste twee jaar werkzaam is geweest in een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet inschakeling werkzoekenden of werkzaam is geweest in een dienstbetrekking als bedoeld in het besluit;
c.|22 063,00 voor een arbeidsplaats die in de vorm van een dienstbetrekking met een langdurig werkloze wordt vervuld, voor welke dienstbetrekking de afdrachtvermindering langdurig werklozen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, niet meer van toepassing is op grond van artikel 8, tweede lid, van die wet;
d.|23 324,00 voor een arbeidsplaats die in de vorm van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 10 van het besluit wordt vervuld.
-2. Het bedrag voor uitvoeringskosten van de gemeenten en aanvullende kosten ten behoeve van de werkgever, bedoeld in artikel 13, vierde lid, van het besluit, bedraagt €|2152,00 per arbeidsplaats per kalenderjaar.
-3. Voor de toepassing van artikel 13, zesde lid, van het besluit kan ten aanzien van een gemeente waaraan op grond van bijlage I bij deze regeling voor een bepaald kalenderjaar niet meer dan acht arbeidsplaatsen zijn toegekend, waarvan de dienstbetrekkingen die met betrekking tot die arbeidsplaatsen worden vervuld een zodanige arbeidsduur hebben dat de subsidie per arbeidsplaats berekend op jaarbasis niet voldoende is, de subsidieverlening worden verhoogd met ten hoogste de helft van het bedrag voor een arbeidsplaats als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

 

Art. 4. Subsidiebedrag bevordering uitstroom
-1. De subsidie voor het bevorderen van uitstroom uit de dienstbetrekkingen, bedoeld in het besluit, naar reguliere arbeid, bedoeld in artikel 13, vijfde lid, van het besluit, bedraagt €|1815,00.
-2. Artikel 5, derde en vierde lid, is van toepassing op de opgave, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van het besluit.

 

Art. 5. Betaling subsidie arbeidsplaatsen
-1. Het voorschot, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van het besluit, wordt op of omstreeks de vijftiende dag van iedere maand betaalbaar gesteld.
-2. Het voorschot is gebaseerd op de opgave, bedoeld in het derde lid, van twee kwartalen terug.
-3. Het gemeentebestuur draagt er zorg voor dat de minister de opgave, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van het besluit, tezamen met de gegevens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, telkens uiterlijk op de twintigste dag van de tweede maand volgend op het kwartaal waarop de opgave betrekking heeft, heeft ontvangen.
-4. De opgave is ingericht overeenkomstig het model in bijlage III bij deze regeling.
-5. De opgave wordt beschouwd als een verzoek tot betaling van een kwartaalvoorschot voor het betreffende kwartaal en tevens als een verzoek tot betaling van maandvoorschotten voor het tweede kwartaal volgend op het kwartaal waarop de opgave betrekking heeft.
-6. Het kwartaalvoorschot is gebaseerd op het in de opgave vermelde aantal arbeidsplaatsen dat in de vorm van dienstbetrekkingen met langdurig werklozen is vervuld onder verrekening van de over dat kwartaal eerder betaalde maandvoorschotten.
-7. Het kwartaalvoorschot wordt op of omstreeks de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin de opgave is ontvangen, betaalbaar gesteld.
-8. Voor de berekening van het aantal arbeidsplaatsen dat in de vorm van dienstbetrekkingen met langdurig werklozen is vervuld, wordt voor de betaling, bedoeld in het zevende lid, een dienstbetrekking:
a. bij instroom tot de zestiende dag van de maand als een hele arbeidsplaats geteld;
b. bij instroom op of na de zestiende dag van de maand als een halve arbeidsplaats geteld;
c. bij uitstroom tot de zestiende dag van de maand als een halve arbeidsplaats geteld;
d. bij uitstroom op of na de zestiende dag van de maand als een hele arbeidsplaats geteld.
-9. Bij uitstroom van een arbeidsplaats waarvoor een subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b of c, wordt verstrekt, naar een arbeidsplaats waarvoor een subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, onderscheidenlijk d, wordt verstrekt, wordt een hele onderscheidenlijk halve arbeidsplaats slechts eenmaal geteld.

 

Art. 6. Modellen jaaropgave, verklaring en verslag van controle
-1. De jaaropgave, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van het besluit, is ingericht overeenkomstig het model in bijlage IV bij deze regeling.
-2. Het verslag van de controle en de verklaring, bedoeld in artikel 15, tweede lid, van het besluit, zijn ingericht overeenkomstig het model in bijlage V bij deze regeling.
-3. De verklaring, bedoeld in het tweede lid, is gebaseerd op een controle die is uitgevoerd overeenkomstig het in bijlage V bij deze regeling opgenomen controle- en rapportageprotocol.

 

Art. 7. Informatiegegevens
-1. De gegevens, bedoeld in artikel 17 van het besluit, betreffen in ieder geval de gegevens die per kalenderkwartaal overeenkomstig het model in bijlage VI bij deze regeling worden verstrekt.
-2. Het gemeentebestuur draagt er zorg voor dat de minister de gegevens, bedoeld in het eerste lid, tezamen met de opgave, bedoeld in artikel 5, derde lid, telkens uiterlijk op de twintigste dag van de tweede maand volgend op het kwartaal waarop de gegevens betrekking hebben, heeft ontvangen.

 

Art. 8. Gebruik formulieren
Bij de indiening van de bescheiden, bedoeld in de artikelen 2, tweede lid, 5, vierde lid, 6, eerste en tweede lid, en 7, eerste lid, maakt het gemeentebestuur gebruik van de daarvoor door de minister verstrekte formulieren, die zijn ingericht overeenkomstig de in die artikelen bedoelde modellen en zijn voorzien van een voor iedere gemeente uniek kenmerk.

 

Art. 9. Toezicht
Met het toezicht op de naleving van de verplichtingen die bij en krachtens het besluit aan de gemeenten zijn opgelegd, zijn belast de Inspectie Werk en Inkomen, genoemd in hoofdstuk 7 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, en de Accountantsdienst van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

Art. 10. Overgangsbepaling betaling subsidie arbeidsplaatsen bij instellingen zorgsector
Tot drie jaar na de inwerkingtreding van deze regeling worden voor de toepassing van artikel 3, derde lid, het aantal toegekende arbeidsplaatsen bij instellingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, onderdeel b, van het besluit niet meegerekend.

 

Art. 11. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2000.

 

Art. 12. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitvoering en financiering Besluit in- en doorstroombanen.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen, met uitzondering van bijlage V, die met ingang van 1 mei 2000 ter inzage wordt gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in de Staatscourant worden geplaatst.¹

1. Raadpleeg voor bijlagen I, II, III, IV en VI Staatscourant 2002, 4. Bijlage V ligt met ingang van 1 mei 2002 ter inzage in de bibliotheek van het ministerie van SZW (Stcrt. 2002, 4), red.

 

’s-Gravenhage, 21 december 1999.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.

 

 

 

TOELICHTING
[21 december 1999]

 

Algemeen

 

     Op 1 januari 2000 is het Besluit in- en doorstroombanen in werking getreden, hierna te noemen het besluit. Dit besluit bouwt inhoudelijk voort op de tot nu toe bestaande Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen en vormt, tezamen met de onderhavige regeling, de vervanging daarvan.
     Op basis van het besluit en de onderhavige regeling brengen de gemeenten in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen tot stand. Deze arbeidsplaatsen komen krachtens het besluit en de onderhavige regeling voor subsidie van rijkswege in aanmerking. De gemeenten verstrekken een vergoeding aan werkgevers die daadwerkelijk de in- en doorstroombanen tot stand brengen. Deze vergoeding is bedoeld ter financiering van de bedoelde arbeidsplaatsen.
     In de afgelopen jaren is het aantal instrumenten op het terrein van het arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid waarover de gemeenten beschikken sterk uitgebreid en voor de komende jaren is een verdere uitbreiding voorzien. Deze uitbreiding stelt hoge eisen aan de coördinatie, de prioritering van de inzet en de schakeling van de verschillende instrumenten door de gemeenten binnen één samenhangend beleidskader op lokaal niveau. Tevens worden hoge eisen gesteld aan de afstemming tussen enerzijds de inzet van de gemeentelijke instrumenten en anderzijds de sectorale behoeften en instrumenten om tot een zo goed mogelijke afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en tot een optimale aanpak van de nog resterende kernen van langdurige werkloosheid te komen.
     Het besluit en de onderhavige regeling regelt één van de gemeentelijke arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsinstrumenten, namelijk de in- en doorstroombanen. Dit instrument kende en kent nog steeds een dubbele - op elkaar betrokken - doelstelling: enerzijds uitbreiding en verbetering van de dienstverlening aan de burger door middel van verruiming van de werkgelegenheid in de collectieve en non-profitsector aan de onderkant van het loongebouw en anderzijds inschakeling in het arbeidsproces (reïntegratie) van langdurig werklozen.
     In het besluit en de onderhavige regelingen wordt - in vergelijking met de voorgaande Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen - een aantal nieuwe elementen geregeld.
     In de eerste plaats kunnen gemeenten met ingang van 1 januari 2000 - naast instroombanen - doorstroombanen tot stand brengen. Dit element is een uitvloeisel van het Regeerakkoord 1998. De maximaal toegestane beloning op een doorstroombaan bedraagt 150% van het wettelijk minimumloon. Gemeenten kunnen maximaal een zesde deel van het aan een gemeente toegekende aantal arbeidsplaatsen voor een bepaald jaar tot stand brengen in de vorm van een doorstroombaan.
     Daarnaast is ter bevordering van de uitstroom uit een dienstbetrekking op grond van de onderhavige regelgeving een uitstroompremie in het leven geroepen. Ook dit element is een uitvloeisel van het Regeerakkoord 1998. De uitstroompremie (ad ƒ8000,-) wordt uitgekeerd aan de gemeente. De gemeente is verplicht de helft van dit bedrag (netto) uit te keren aan de uitgestroomde werknemer, mits aan de daartoe gestelde vereisten op grond van het besluit en de onderhavige regeling is voldaan.
     In de derde plaats zijn de gemeenten met ingang van 1 januari 2000 verantwoordelijk voor de uitvoering en het beheer van de zogenaamde "oude" zorgbanen. Dit zijn de arbeidsplaatsen die tot en met 1999 onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) door de drie uitvoeringsinstanties in de zorg ¹ werden toegekend aan instellingen in de zorgsector. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) subsidieert met ingang van 1 januari 2000 deze arbeidsplaatsen. Met het oog op de uitvoering van deze nieuwe taak voor gemeenten ontvangen de gemeenten in het jaar 2000 een eenmalige subsidie die is bedoeld ter financiering van de uitvoeringskosten van de gemeenten in de periode 2000 tot en met 2002. De "oude" zorgbanen zijn toegedeeld aan de gemeente alwaar deze banen zich daadwerkelijk bevinden. Aan elke gemeente met "oude" zorgbanen binnen de gemeentegrenzen zijn vanaf 2000 arbeidsplaatsen toegekend met het oog op de continuering van de bekostiging van de "oude" zorgbanen (zie bijlage I bij de onderhavige regeling).
     Het regime ter bekostiging van de "oude" zorgbanen week op onderdelen af van het bekostigingsregime dat tot dusverre heeft gegolden voor de gemeentelijke arbeidsplaatsen. Om die reden is besloten tot 2003 op onderdelen een overgangsregime voor de "oude" zorgbanen in te stellen. Dit overgangsregime heeft betrekking op de vergoedingsbedragen die gemeenten aan zorgwerkgevers dienen te verstrekken. De betreffende overgangsregeling is opgenomen in artikel 18 van het besluit.
     De onderhavige regeling bevat een nadere uitwerking en concretisering van enige bepalingen van het besluit, waaronder de vaststelling van het aantal arbeidsplaatsen per gemeente dat in de vorm van dienstbetrekkingen met langdurig werklozen per kalenderjaar kan worden vervuld (artikel 2), de voor het jaar 2000 geldende bedragen voor de subsidie per arbeidsplaats (artikel 3), de vaststelling van het subsidiebedrag voor de uitstroompremie (artikel 4), enige nadere bepalingen betreffende de betaling van de subsidie (artikel 5) en de aanwijzing van de met de naleving van de bij en krachtens het besluit belaste toezichthouders (artikel 9).

1. Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (COTG) [zie College tarieven gezondheidszorg, red.], de Stichting Arbeidsmarkt-, werkgelegenheids- en opleidingsfonds voor de sector zorg en welzijn (AWO) of de Stichting Arbeidsmarkt-, werkgelegenheids- en opleidingsfonds bejaardenoorden (AWOB).

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 2. Aantallen arbeidsplaatsen


Eerste lid

     In het onderhavige artikellid is de verdeling van het totaal van 60 000 arbeidsplaatsen over de gemeenten tot en met het jaar 2002 geregeld. De uitkomsten van de verdeling zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage I, waarin per gemeente het aantal arbeidsplaatsen is vermeld dat in de vorm van dienstbetrekkingen met langdurig werklozen per kalenderjaar kan worden vervuld. De genoemde bijlage komt overeen met bijlage I bij de voormalige Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen, met dien verstande dat bij de vaststelling van de onderhavige bijlage tevens rekening is gehouden met de circa 14 500 arbeidsplaatsen in de zorgsector, waarvan de uitvoering met ingang van 1 januari 2000 - de datum van de inwerkingtreding van het besluit en de op dit besluit gebaseerde onderhavige regeling - is overgedragen aan de gemeenten.
     De in de bijlage opgenomen aantallen arbeidsplaatsen in de kolom 1998 betreffen de arbeidsplaatsen die al aan de gemeenten waren toegekend voor de jaren 1995 tot en met 1998 op grond van de voormalige Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1996, 1997 en 1998. Het betreft hier de tijdens de vorige kabinetsperiode beschikbaar gestelde 40 000 arbeidsplaatsen, met uitzondering van de arbeidsplaatsen voor de zorgsector (onderdeel a). De bij de genoemde regeling vastgestelde eerdere verdeling van deze arbeidsplaatsen is in de onderhavige regeling gehandhaafd.
     In de kolommen 1999 tot en met 2002 is het aantal arbeidsplaatsen vermeld dat maximaal per jaar aan de gemeenten kon worden toegekend op grond van de voorgaande Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen (onderdeel b). Ook de bij deze regeling vastgestelde verdeling van arbeidsplaatsen is ongewijzigd gebleven. De in dit onderdeel bedoelde arbeidsplaatsen vormen de 20 000 in- en doorstroombanen die op grond van het Regeerakkoord 1998 aan het eerder beschikbare aantal van 40 000 arbeidsplaatsen zijn toegevoegd. Deze arbeidsplaatsen zijn gelijkmatig verdeeld over de jaren 1999 tot en met 2002. Bij de toedeling van deze arbeidsplaatsen aan de afzonderlijke gemeenten is, evenals bij de eerdergenoemde 40 000, rekening gehouden met het relatieve aandeel bijstandsgerechtigden in de potentiële beroepsbevolking van een gemeente.
     De aantallen arbeidsplaatsen in de kolommen 2000 tot en met 2002 betreffen de voorlopig toegekende arbeidsplaatsen voor deze jaren. Het gaat hier om gecumuleerde aantallen, dat wil zeggen het aantal toegekende plaatsen van het voorafgaande jaar vermeerderd met het toegekende en toe te kennen aantal van het betreffende jaar.
     Ten slotte zijn in de kolom 2000 "zorg" de aantallen arbeidsplaatsen vermeld die vóór de inwerkingtreding van het besluit onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in de zorgsector konden worden vervuld en die met ingang van 1 januari 2000 aan de gemeenten zijn toegekend met het oog op de uitvoering van deze banen door de gemeenten (de zogenaamde "oude" zorgbanen) (onderdeel c).


Tweede lid

     Op grond van artikel 3, zesde lid, van het besluit dient een gemeente elk jaar vóór 1 april een verklaring bij het ministerie van SZW in te dienen waarin zij zich bereid verklaart om het aantal arbeidsplaatsen dat in de bereidverklaring is vermeld, te realiseren. De bereidverklaring is te beschouwen als een aanvraag voor subsidie. Het in de bereidverklaring opgenomen aantal arbeidsplaatsen, met inbegrip van de "oude" zorgbanen, vormt dan ook de basis voor de subsidieverlening. Het indienen van de verklaring geeft aan dat de gemeente kiest voor het realiseren en uitvoeren van deze banen. Zodra het ministerie de bereidverklaring heeft ontvangen, verplicht de gemeente zich ernaar te streven het aan haar toegewezen (of door haar gekozen) aantal arbeidsplaatsen te realiseren. Het model van de bedoelde bereidverklaring is opgenomen in bijlage II bij deze regeling.


Derde lid

     Op grond van dit lid kan het aantal voorlopig toegekende arbeidsplaatsen voor de jaren 2000 tot en met 2002 als bedoeld in het eerste lid in de loop van elk van die kalenderjaren worden herzien indien het aantal dienstbetrekkingen op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) in een gemeente (met uitzondering van de dienstbetrekkingen met jongeren) verminderd is als rechtstreeks gevolg van uitstroom uit een Wiw-dienstbetrekking naar een ID-banen of omzetting van een Wiw-dienstbetrekking in een ID-baan (onderdeel a). Het is immers niet de bedoeling dat de gemeente in deze gevallen minder Wiw-dienstbetrekkingen aangaat. Met andere woorden: de Wiw-dienstbetrekking moet in voldoende mate beschikbaar blijven als een (tijdelijke) voorziening die op de persoon van de langdurig werkloze is toegesneden om de toegang tot het arbeidsproces te vergroten.
     Op grond van onderdeel b kan de toekenning voor een bepaald kalenderjaar eveneens worden herzien indien een gemeente niet alle voor het voorafgaande kalenderjaar toegekende arbeidsplaatsen heeft vervuld.
     De arbeidsplaatsen die als gevolg van de hier bedoelde herziening terugvallen aan het Rijk, kunnen vervolgens worden herverdeeld onder de gemeenten.

 

Artikel 3. Subsidiebedragen arbeidsplaatsen


Eerste lid

     In het onderhavige artikellid zijn voor het jaar 2000 de subsidiebedragen per arbeidsplaats bepaald. Het betreft hier de bedragen die de gemeenten van het Rijk ontvangen voor de dienstbetrekkingen die met betrekking tot die arbeidsplaatsen worden vervuld. Er wordt uitgegaan van een lumpsumbedrag dat voor een belangrijk deel bestemd is om de loonkosten van de werkgever te vergoeden en voor een ander deel is bedoeld voor uitvoeringskosten van de gemeenten en aanvullende kosten van de werkgever zoals scholings- en begeleidingskosten (zie het tweede lid).
     De bedoelde bedragen worden jaarlijks herijkt als gevolg van aanpassingen aan het wettelijk minimumloon op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML), de gemiddelde werkgeverslasten, loon- en prijsindexering en de mate waarin werkgevers in aanmerking komen voor de toepassing van de afdrachtvermindering op grond van de hoofdstukken III en IV van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA). De bedragen zijn vastgesteld op basis van een 32-urige dienstbetrekking en zijn - uiteraard - inclusief vakantiegeld.
     Voor de dienstbetrekkingen die zijn aangegaan na 1 januari 1999 geldt een subsidiebedrag van ƒ34 562,- per arbeidsplaats inclusief gemiddelde werkgeverslasten (onderdeel a). Het deel van dit bedrag dat is bestemd voor de financiering van de loonkosten van de arbeidsplaats is gebaseerd op 115% WML.
     Voor de dienstbetrekkingen die zijn aangegaan vóór of op 1 januari 1999 met betrekking tot arbeidsplaatsen die tot en met 1998 zijn toegekend, is het subsidiebedrag bepaald op ƒ37 912,- per arbeidsplaats inclusief gemiddelde werkgeverslasten (onderdeel b, onder 1º).
     Dit bedrag zal voor de onderhavige categorie dienstbetrekkingen uiterlijk eind 2002 niet meer van toepassing zijn, omdat deze dienstbetrekkingen alsdan een langere duur hebben dan die waarvoor de afdrachtvermindering langdurig werklozen op grond van de WVA mogen worden toegepast, te weten vier jaar. Voor deze dienstbetrekkingen geldt alsdan het vergoedingsbedrag, bedoeld in het hierna toegelichte onderdeel c.
     Het deel van het onderhavige subsidiebedrag bestemd voor de financiering van de loonkosten is gebaseerd op 125% WML. Dit subsidiebedrag is tevens van toepassing op een dienstbetrekking die is aangegaan met een werknemer die eerder ten minste twee jaar werkzaam is geweest in een Wiw-dienstbetrekking inclusief de periode in de banenpool (onderdeel b, onder 2º). Gedurende de eerste twee jaar in een Wiw-dienstbetrekking wordt immers, ingevolge artikel 15, tweede lid, Wiw, niet meer betaald dan het wettelijk minimumloon. Omdat op grond van artikel 9, tweede lid, van het besluit rekening kan worden gehouden met een hogere Wiw-beloning bij instroming in een ID-dienstbetrekking, ligt het in de rede dat ook aanspraak kan worden gemaakt op een hoger subsidiebedrag.
     Met betrekking tot de achtergrond van dit subsidiebedrag voor de onderhavige categorie dienstbetrekkingen zij het volgende opgemerkt. Op grond van de voormalige Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen was voor de hoogte van het subsidiebedrag het moment van instromen en de duur van de dienstbetrekking bepalend. Voor werknemers die instroomden vanuit de Wiw werd daartoe de duur van de Wiw-dienstbetrekking meegeteld na aftrek van een periode van twee jaar. Dit had tot gevolg dat voor een dergelijke dienstbetrekking niet alleen eerder aanspraak kon worden gemaakt op een hoger subsidiebedrag op grond van de genoemde regeling, doch dat tevens nog toepassing kon worden gegeven aan de afdrachtvermindering langdurig werklozen op grond van de WVA. Hierdoor werd door gemeenten - overigens ten behoeve van een beperkte categorie werknemers - feitelijk meer vergoeding verstrekt dan was beoogd. Om die reden is in de onderhavige regeling voor de bepaling van de subsidiehoogte het criterium "duur van de dienstbetrekking" vervangen door de toepasselijkheid van de afdrachtvermindering langdurig werklozen. Teneinde de mogelijkheid van een hogere beloning op grond van de eerdere Wiw-dienstbetrekking bij instroom in een ID-dienstbetrekking als bedoeld in artikel 9 van het besluit recht te blijven doen, is voor de onderhavige categorie dienstbetrekkingen wel een hoger subsidiebedrag voorzien.
     Bij de vaststelling van de in de onderdelen a en b bedoelde bedragen is, zoals reeds gezegd, rekening gehouden met het gemiddeld gebruik door werkgevers van de afdrachtvermindering langdurig werklozen op grond van de WVA. De genoemde afdrachtvermindering kan op grond van artikel 8, tweede lid, WVA gedurende een periode van vier jaar worden toegepast.
     Voor de dienstbetrekkingen waarvoor geen recht meer bestaat op de afdrachtvermindering langdurig werklozen vanwege het verstrijken van de genoemde periode van vier jaar, geldt een subsidiebedrag van ƒ43 688,- per arbeidsplaats inclusief gemiddelde werkgeverslasten (onderdeel c). Het deel van dit subsidiebedrag dat is bestemd voor de financiering van de loonkosten is, eveneens als het subsidiebedrag, bedoeld in onderdeel b, gebaseerd op 125% WML.
     Ten slotte is in onderdeel d het subsidiebedrag voor de dienstbetrekkingen die worden vervuld met betrekking tot doorstroombanen bepaald. Dit bedrag is vastgesteld op ƒ46 086,- per arbeidsplaats, inclusief gemiddelde werkgeverslasten.
     Op grond van artikel 10 van het besluit is pas sprake van een doorstroombaan indien de gemeente heeft vastgesteld dat de eisen die aan de betreffende functie worden gesteld, een hoger beloningsniveau rechtvaardigen dan 130% van het wettelijk minimumloon. Het belangrijkste verschil tussen een instroombaan en een doorstroombaan is immers de beloning (tot 150% van het minimumloon). Om in aanmerking te komen voor een doorstroombaan dient een werknemer ten minste vijf jaar in een instroombaan werkzaam te zijn geweest. De periode(n) van werkzaamheden in een Wiw-dienstbetrekking, inclusief de periode in de banenpool, mogen daarbij voor ten hoogste twee jaar worden meegenomen. Daarnaast moet door de gemeente zijn vastgesteld dat er geen sprake is van verdringing van andere reguliere werkgelegenheid en dient voorts het medezeggenschapsorgaan binnen de organisatie van de werkgever positief te hebben geadviseerd over het creëren van een doorstroombaan. Ten slotte mag niet meer dan een zesde deel van het aan een gemeente toegekende of door haar gekozen aantal arbeidsplaatsen voor een bepaald jaar, met een minimum van één arbeidsplaats, worden gerealiseerd in de vorm van doorstroombanen.
     Op grond van artikel 12 van het besluit dient de vergoeding die de gemeente aan de werkgever verstrekt in ieder geval kostendekkend te zijn voor de loonkosten gedurende het eerste jaar van de dienstbetrekking. In de navolgende jaren heeft de gemeente enige beleidsvrijheid in het verhogen van deze vergoeding, daarbij rekening houdend met de voor de werkgever geldende ontwikkelingen in de CAO of arbeidsvoorwaardenregeling. Wel dient over de hoogte van de vergoeding vanaf de aanvang van de dienstbetrekking met een bepaalde werknemer in overleg met de werkgever duidelijkheid te worden geboden.
     In ieder geval is de hoogte van de subsidiebedragen zodanig vastgesteld dat met een gelijkmatige loonkostenontwikkeling op grond van CAO-afspraken het maximale loon van 130% WML te zijner tijd volledig door de gemeente aan de werkgever kan worden vergoed. In het geval de gemeente de loonkostencomponent van het ontvangen subsidiebedrag volledig doorgeeft aan de werkgever, is deze in staat te zijner tijd de maximale beloning van 130% van het minimumloon aan de werknemer te betalen. Hiermee wordt voldaan aan het regeerakkoord dat de instroombanen volledig door het Rijk worden gefinancierd.


Tweede lid

     In de bedragen, genoemd in het eerste lid, is een bedrag van ƒ4365,- op jaarbasis begrepen voor uitvoeringskosten van de gemeenten en aanvullende kosten voor de werkgever zoals scholing en begeleiding. De hiervoor met betrekking tot de vergoeding van de loonkosten vermelde beleidsvrijheid van de gemeente geldt ook voor de vergoeding van de onderhavige aanvullende kosten. De gemeente is derhalve niet gehouden het genoemde bedrag te verstrekken, maar mag bijvoorbeeld over een periode van een aantal jaren in aanvang meer en later minder dan dit bedrag vergoeden. Voorts mag de gemeente het bedrag voor uitvoeringskosten en aanvullende kosten ook aanwenden voor de vergoeding van de loonkosten van de betreffende arbeidsplaats.


Derde lid

     Een gemeente waaraan op grond van het eerste lid niet meer dan acht arbeidsplaatsen zijn toegekend, kan bij het vervullen van de dienstbetrekkingen met betrekking tot die arbeidsplaatsen, indien deze dienstbetrekkingen een arbeidsduur hebben van meer dan 32 uur per week, op jaarbasis berekend onvoldoende subsidie ontvangen. Op grond van het onderhavige lid kan alsdan op verzoek van de gemeente de verleende subsidie worden verhoogd met ten hoogste de helft van het bedrag voor een arbeidsplaats als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Het te betalen voorschot wordt op basis daarvan verhoogd. Het verzoek kan worden gedaan gelijktijdig met de vierde kwartaalopgave (zie artikel 5) dan wel een aanvullende opgave voor het vierde kwartaal. In de kwartaalopgave is hiervoor een aparte opgaveregel voorzien. Deze opgaveregel kan dus niet worden gebruikt voor opgaven over de eerste drie kwartalen.

 

Artikel 4. Subsidiebedrag verstrekking uitstroompremies

     Ter bevordering van de uitstroom uit een dienstbetrekking in het kader van de onderhavige regelgeving naar andere regulier betaalde arbeid heeft de regering besloten een uitstroompremie in het leven te roepen. De wijze waarop deze subsidie ten behoeve van uitstroom besteed mag worden, is geregeld in artikel 4 van het besluit. In het onderhavige artikel worden de hoogte van de subsidie alsmede de wijze waarop deze kan worden verkregen, nader bepaald.
     Het totale subsidiebedrag dat de gemeente kan ontvangen voor het verstrekken van uitstroompremies bedraagt ƒ8000,- (eerste lid).
     De helft van dit premiebedrag, te weten ƒ4000,-, is rechtstreeks bestemd voor de werknemer die uitstroomt uit een ID-dienstbetrekking naar een andere regulier gefinancierde baan (tweede lid). Deze premie voor de werknemer is eenmalig en wordt ineens verstrekt.
     Op grond van artikel 4, zevende lid, van het besluit wordt de uitstroompremie pas verstrekt door de gemeente indien de werknemer ten minste twee jaar werkzaam is geweest in een ID-baan. Daarnaast dient de nieuwe arbeidsverhouding al ten minste een halfjaar te duren en dient deze in beginsel te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd dan wel voor een bepaalde tijd van minimaal één jaar (artikel 4, tweede lid, van het besluit). De werknemer dient daartoe de in het vierde lid van het onderhavige artikel omschreven gegevens aan de gemeente te overleggen. Deze gegevens betreffen een verklaring van de werkgever met wie de ID-dienstbetrekking was aangegaan omtrent de beëindiging van deze dienstbetrekking (onderdeel a), een afschrift van de arbeidsovereenkomst met of de publiekrechtelijke aanstelling bij de nieuwe werkgever (onderdeel b) en de opgaven van het verstrekte loon over de afgelopen zes maanden in de nieuwe dienstbetrekking (onderdeel c).
     De aan de werknemer te verstrekken uitstroompremie is een nettobedrag. De over deze premie verschuldigde loon- en inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen komen op grond van artikel 4, derde lid, van het besluit voor rekening van de gemeente. Teneinde te voorkomen dat de stimulerende effecten van deze premie voor de werknemer teniet worden gedaan door negatieve effecten op andere inkomensafhankelijke regelingen zoals een verminderde aanspraak op huursubsidie, wordt op grond van artikel 4, vierde lid, van het besluit de uitstroompremie niet meegeteld bij de beoordeling van de hoogte van de inkomensafhankelijke uitkeringen. Ter uitvoering van de genoemde bepalingen is in artikel 31a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 van de Staatssecretaris van Financiën de uitstroompremie aangewezen als uitkering in de zin van artikel 31, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964. Eén en ander heeft tot gevolg dat de werknemer geen belasting en premie volksverzekeringen is verschuldigd over de uitstroompremie en dat deze geen deel uitmaakt van het belastbaar inkomen.
     De bovengenoemde bepalingen zijn gebaseerd op artikel 3, vierde lid, van de Kaderwet SZW-subsidies.
     Het bedrag voor de uitstroompremie dat na de afdracht voor belasting en premie volksverzekeringen voor de gemeente resteert, kan de gemeente naar eigen inzicht aanwenden om de uitstroom van ID-werknemers te bevorderen. De gemeente dient hiervoor zelf een beleid te bepalen. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het inzetten van deze gelden ten behoeve van de werkgever die de ID-werknemer laat uitstromen en/of de nieuwe werkgever, teneinde deze te stimuleren de betrokken werknemer te scholen en te begeleiden. De gemeente mag dit deel van het subsidiebedrag niet gebruiken voor de financiering van de eigen uitvoeringskosten.
     De uitstroompremie wordt aan de gemeente betaald op basis van een opgave van het aantal uitgestroomde werknemers. Dit betekent dat de gemeente het bedrag van de uitstroompremie pas kan declareren nadat in een concreet geval de werknemer is uitgestroomd.
     Het volledige subsidiebedrag ad ƒ8000,- wordt vervolgens betaalbaar gesteld.
     De aanvraag voor de subsidie kan worden gedaan door middel van de kwartaalopgave als bedoeld in artikel 5, derde lid, van deze regeling. De kwartaalopgave bevat hiertoe een aparte opgaveregel (derde lid).
     De uitstroompremie kan vanaf 1 januari worden verstrekt. Dit betekent dat de gemeente ten behoeve van voormalige ID-werknemers die in de tweede helft van het jaar 1999 zijn uitgestroomd naar regulier gefinancierd werk, in de eerste helft van het jaar 2000 voor deze premie in aanmerking kunnen komen.

 

Artikel 5. Betaling subsidie arbeidsplaatsen

     Voor het bevoorschotten, declareren en verantwoorden van de subsidies op grond van de onderhavige regelgeving is zoveel mogelijk aangesloten bij de processen, termijnen en vormgeving van de formulieren van sociale voorzieningen die reeds door de gemeenten worden uitgevoerd zoals de Algemene bijstandswet en de Wiw.
     In beginsel wordt de hoogte van het voorschot berekend aan de hand van de kwartaalopgaven, met uitzondering van de bevoorschotting van de "oude" zorgbanen gedurende de eerste zes maanden van het jaar 2000 (zie artikel 10, eerste lid). Op basis van deze kwartaalopgaven worden de maandvoorschotten berekend (tweede lid).
     Op grond van het derde lid dient de kwartaalopgave uiterlijk te worden ingediend op de twintigste dag van de tweede maand die volgt op het kwartaal waarop de opgave betrekking heeft.
     Het model van de opgave is ingevolge het vierde lid van dit artikel opgenomen in bijlage III bij deze regeling.
     Het indienen van de kwartaalopgave wordt beschouwd als een aanvraag voor een voorschotbeschikking als bedoeld in artikel 4:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus als een verzoek tot betaling. De aanvraag heeft een dubbele doelstelling: deze heeft niet alleen betrekking op betaling van het kwartaalvoorschot voor het kwartaal waarop de kwartaalopgave betrekking heeft, maar ook op betaling van de maandvoorschotten die vallen in het tweede kwartaal dat volgt op het kwartaal waarop de kwartaalopgave betrekking heeft (vijfde lid).
     Ingevolge het zesde lid wordt de hoogte van het kwartaalvoorschot bepaald door het in de kwartaalopgave vermelde aantal arbeidsplaatsen waarbij de eerder betaalde maandvoorschotten over dat kwartaal worden verrekend. Het kwartaalvoorschot wordt betaalbaar gesteld op of omstreeks de vijftiende dag van de maand die volgt op de maand waarin de kwartaalopgave is ontvangen (zevende lid).
     Ten slotte is in het achtste lid geregeld op welke wijze het aantal arbeidsplaatsen moet worden berekend ingeval de dienstbetrekking niet begint op de eerste dan wel de zestiende dag van de maand. Daarbij is tevens bepaald dat een op grond van die berekening bepaalde hele onderscheidenlijk halve arbeidsplaats bij uitstroom van een arbeidsplaats van de ene subsidiecategorie naar een andere, hogere subsidiecategorie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, slechts eenmaal wordt geteld (negende lid).

 

Artikel 6. Modellen jaaropgave, verklaring en verslag van controle

     In artikel 15 van het besluit zijn onder meer de gebruikelijke bepalingen voor het verstrekken van de jaaropgave vervat met het oog op de vaststelling van de subsidie. De jaaropgave vormt de jaarlijkse verantwoording door de gemeente over de uitvoering van de onderhavige ID-regelgeving en de besteding van de daartoe verleende subsidie. De jaaropgave moet zijn voorzien van een accountantsverklaring en een verslag van controle.
     De bij het onderhavige artikel vastgestelde modellen voor de jaaropgave, de accountantsverklaring en het verslag van controle zijn opgenomen in bijlage IV wat betreft de jaaropgave en bijlage V wat betreft de accountantsverklaring en het verslag van controle (eerste en tweede lid).
     De wijze waarop de controle wordt uitgevoerd is vastgelegd in een controle- en rapportageprotocol dat eveneens is opgenomen in bijlage V (derde lid). Deze bijlage ligt vanaf 1 mei 2000 ter inzage in de bibliotheek van het ministerie van SZW en zal alsdan aan alle gemeenten worden toegezonden.

 

Artikel 7. Informatiegegevens

     Met het oog op de monitoring van de realisatie van de arbeidsplaatsen in het kader van de onderhavige regelgeving dienen de gemeenten ingevolge artikel 17 van het besluit daartoe relevante informatie te verstrekken. De betreffende gegevens zijn vervat in de zogenaamde kwartaalrapportage, waarvan het model is opgenomen in bijlage VI bij deze regeling (eerste lid). De gegevens betreffen in hoofdlijnen de sectoren waarin de arbeidsplaatsen worden gerealiseerd en gegevens over de werknemers die deze arbeidsplaatsen vervullen. Het doel van de rapportage is met name het vaststellen van de mate waarin deze arbeidsplaatsen bijdragen aan het oplossen van de problematiek van langdurige werkloosheid.
     Ingevolge het tweede lid dient de kwartaalrapportage, tezamen met de in artikel 5 bedoelde kwartaalopgave, uiterlijk op de twintigste dag van de tweede maand die volgt op het kwartaal waarop de bedoelde gegevens betrekking hebben, door de gemeente te worden ingediend.

 

Artikel 8. Subsidie uitvoeringskosten arbeidsplaatsen bij instellingen zorgsector

     De gemeenten dragen met ingang van 1 januari 2000 verantwoordelijkheid voor het beheer en de uitvoering van de arbeidsplaatsen, bedoeld in artikel 18 van het besluit (de zogenaamde "oude" zorgbanen). Tot deze datum waren de eerdergenoemde uitvoeringsinstanties in de zorg (COTG, AWO en de AWOB) hiervoor verantwoordelijk. Op basis van artikel 8 van de onderhavige regeling ontvangen de gemeenten in het jaar 2000 een eenmalige subsidie van ƒ4000,- per toegekende arbeidsplaats bij een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het besluit. De subsidie is bedoeld ter financiering van de kosten die de gemeenten maken in de periode 2000 tot en met 2002 als gevolg van het feit dat zij verantwoordelijk zijn voor de uitvoering en het beheer van de "oude" zorgbanen.

 

Artikel 9. Toezichthouders

     Op grond van artikel 8 van de Kaderwet SZW-subsidies is de minister bevoegd tot het aanwijzen van personen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens die wet opgelegde verplichtingen zoals de verplichtingen op grond van de onderhavige regelgeving. In het onderhavige artikel zijn daartoe de ambtenaren van de Directie Toezicht en die van de Accountantsdienst van het ministerie van SZW aangewezen.
     De wijze waarop de ambtenaren van de eerstgenoemde directie toezicht zullen houden, is vergelijkbaar met het toezicht op de gemeentelijke uitkeringsverstrekking en toeleiding naar werk. Het toezicht heeft betrekking op de naleving van de subsidievoorwaarden en de doeltreffendheid van het beleid ter zake. Dit toezicht sluit in beginsel aan bij de single-auditontwikkelingen. Deze ontwikkelingen betekenen niet alleen dat het toezicht op twee niveaus plaatsvindt - eerstelijns- en tweedelijnsuitvoeringscontrole - maar ook dat de minister zich bij de definitieve vaststelling van de rijkssubsidie baseert op bestuurlijke en verantwoordingsinformatie van de gemeente. Voor de beoordeling van de naleving van de subsidievoorwaarden door gemeenten zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van de uitkomsten van de controle door de bij de gemeente fungerende accountant. Het in artikel 6, derde lid, vastgestelde controle- en rapportageprotocol strekt daartoe. In een latere fase wordt overgegaan naar een vorm van single audit waarbij de gemeente een verantwoordingsverslag over de uitvoeringsresultaten opstelt.
     Op grond van artikel 17 van het besluit is de gemeente onder meer verplicht mee te werken aan onderzoek dat door of namens de minister wordt ingesteld. Dergelijk onderzoek wordt vanuit de eigen verantwoordelijkheid voor de controle van de departementale jaarrekening alsmede ten behoeve van de Directie Toezicht verricht door ambtenaren van de Accountantsdienst (in de vorm van onder andere reviews bij de accountants van de gemeenten, die de verantwoordingsinformatie van een accountantsverklaring voorzien).

 

Artikel 10. Overgangsbepaling betaling subsidie arbeidsplaatsen bij instellingen zorgsector


Eerste lid

     Zoals in de toelichting bij artikel 5 al is aangegeven, wordt de hoogte van het maandelijkse voorschot voor de subsidie van arbeidsplaatsen als bedoeld in de onderhavige regelgeving in beginsel berekend aan de hand van kwartaalopgaven. Omdat de financiering van de arbeidsplaatsen in de zorgsector - de "oude" zorgbanen - tot 1 januari berustte bij de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, waarbij een andere bevoorschottingssystematiek werd gehanteerd, ontbreekt voor de eerste zes maanden van het jaar 2000 de basis voor de bevoorschotting van deze arbeidsplaatsen. Om als gevolg daarvan liquiditeitsproblemen bij gemeenten te voorkomen, is ervoor gekozen gedurende de eerste zes maanden van het jaar 2000 aan de gemeenten een maandvoorschot te verlenen dat gebaseerd is op het aantal aan de gemeente toegekende arbeidsplaatsen in de zorg zoals opgenomen in de kolom "arbeidsplaatsen zorgsector" in bijlage I bij deze regeling.


Tweede lid

     Op grond van dit lid worden met ingang van het derde kwartaal van het jaar 2000 de maandvoorschotten berekend aan de hand van de kwartaalopgaven, derhalve de reguliere bevoorschottingssystematiek zoals geregeld in artikel 5.


Derde lid

     In verband met de overgang van de arbeidsplaatsen in de zorgsector naar gemeenten kan een gemeente wat betreft de arbeidsplaatsen die haar vóór deze overgang waren toegekend, in voorkomende gevallen niet meer in aanmerking komen voor een verhoging van de subsidie als bedoeld in artikel 3, derde lid. Teneinde hieraan tegemoet te komen, is in het onderhavige lid bepaald dat bij de beoordeling van het verzoek om subsidieverhoging het aantal arbeidsplaatsen als bedoeld in het eerste lid buiten beschouwing wordt gelaten. Voor de duur van deze overgangsbepaling is aangesloten bij de duur van de overgangsregeling inzake de vergoeding van de arbeidsplaatsen in de zorgsector als bedoeld in artikel 18 van het besluit, te weten drie jaar.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries
.