Geschiedenis van deze regeling:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-04-2007   Intrekking Stcrt. 2007, 33 Stcrt. 2007, 33
01-01-2002   Wijziging Stcrt. 2001, 214,
supplement
Stcrt. 2001, 214,
supplement
01-08-2001   Wijziging Stcrt. 2001, 140 Stcrt. 2001, 140
12-01-2001 02-06-2000 Wijziging Stcrt. 2001, 7 Stcrt. 2001, 7
16-07-2000 01-07-2000 Wijziging Stcrt. 2000, 134 Stcrt. 2000, 134
02-06-2000   Nieuwe regeling Stcrt. 2000, 105 Stcrt. 2000, 105

 

 

31 mei 2000/nr. Trcjz/2000/4150
Directie Juridische Zaken

     De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
     Gelet op artikel 2 van de Kaderwet LNV-subsidies;

     Besluit:

 

 

§ 1.  Begripsomschrijvingen en toepasselijkheid andere regelingen

 

Art. 1.
-1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
b. wet: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
c. veehouderijtak: productie van dierlijke meststoffen afkomstig van hetzij de dieren van de diersoort varkens, hetzij de dieren van de diersoorten kippen en kalkoenen, hetzij de dieren van de diersoort rundvee behorende tot de diercategorieën die in bijlage A bij de Meststoffenwet worden aangeduid met de nummers 110, 111, 112, 120, 121, 122, 123, 124 en 125 afzonderlijk;
d. Nederlandse grootte-eenheden: Nederlandse grootte-eenheden als bedoeld in artikel 4 van de Regeling landbouwtelling 2000;
e. zelfstandige: persoon die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf;
f. bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 6;
g. Laser: Agentschap Landelijke service bij regelingen van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
h. MKZ-geruimde: zelfstandige op wiens bedrijf op of na 21 maart 2001 de evenhoevigen zijn gedood op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel f, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, vanwege besmetting dan wel een verdenking van besmetting met mond- en klauwzeer;
i. MKZ-getroffene: zelfstandige die ter genoegdoening van Laser aannemelijk maakt dat hij een inkomensderving van meer dan €|4537,80 heeft geleden als gevolg van vervoersbeperkingen dan wel import- en exportrestricties die van kracht waren in de periode van 13 maart tot en met 25 juni 2001 op grond van de artikelen 17, 18, 22, 25, 30 en 80 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren wegens de uitbraak van mond- en klauwzeer.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel e, is een persoon aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf indien is voldaan aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

 

Art. 2.
In deze regeling wordt met de zelfstandige gelijkgesteld de meewerkende echtgenoot die gedurende het kalenderjaar ten minste 525 uren arbeid verricht in het voor eigen rekening feitelijk uitgeoefende bedrijf en voldoet aan de voorwaarde, genoemd in artikel 9, eerste lid, onderdeel a.

 

Art. 3.
In deze regeling wordt mede als zelfstandige aangemerkt de persoon die voldoet aan artikel 1, tweede lid, en aan de voorwaarden, genoemd in artikel 9, en die:
a. met anderen een bedrijf uitoefent in de vorm van een maatschap, een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap, indien:
1º. de volledige zeggenschap in het bedrijf alleen of met die anderen wordt uitgeoefend; en
2º. de financiële risico’s van het bedrijf alleen of met die anderen worden gedragen; of
b. anders dan als werknemer als bedoeld in de Werkloosheidswet een bedrijf uitoefent in de vorm van een besloten vennootschap of naamloze vennootschap.

 

Art. 4.
-1. Op het vaststellen van het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel d en e, zijn de artikelen 2 en 3 van het Inkomensbesluit Ioaz van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3, vijfde lid, van het Inkomensbesluit Ioaz de minister in de plaats treedt van burgemeester en wethouders.
-2. Op de waardering van het vermogen, bedoeld in artikel 9, onderdeel f, is het Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 december 2000, houdende nadere regels met betrekking tot de waardering van het vermogen van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Stcrt. 2000, 244), van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van de artikelen 11 en 12 van dat besluit de minister in de plaats treedt van burgemeester en wethouders.

 

Art. 5.
De bij of krachtens de artikelen 3, 4, 5, vierde lid, 8, eerste en tweede lid, 9, tweede lid, 10, eerste lid, 14, 20, tweede tot en met vierde lid en zesde lid, 23, 24, 35, eerste tot en met derde lid en vijfde lid, 36, 37, eerste lid, 38, 47 en 48 van de wet gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een vermogensvrijlating geldt die gelijk is aan het bedrag, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet, vermenigvuldigd met de factor 1,5 en met dien verstande dat voor de toepassing van bij of krachtens de artikelen 14, 20, tweede tot en met vierde lid en zesde lid, 36, 38, 47 en 48 van de wet gestelde regels de minister in de plaats treedt van burgemeester en wethouders.

 

 

§ 2.  Bijdrage

 

Art. 6.
De minister kan een bijdrage verstrekken aan een zelfstandige voor het beëindigen van het bedrijf.

 

Art. 7.
-1. De bijdrage bedraagt het verschil tussen de van toepassing zijnde grondslag en het inkomen, als bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van de wet.
-2. De grondslag, bedoeld in het eerste lid, is voor:
a. de gewezen zelfstandige en de echtgenoot tezamen netto gelijk aan €|1067,74;
b. de alleenstaande gewezen zelfstandige met één of meer kinderen netto gelijk aan €|960,90;
c. de alleenstaande gewezen zelfstandige zonder kinderen netto gelijk aan €|747,36.
-3. Indien de in artikel 5, vijfde lid, van de wet voor de onderscheiden situaties geldende grondslagen wijzigen, treden deze grondslagen in de plaats van de in het tweede lid onderscheiden grondslagen.

 

Art. 8.
Op grond van deze regeling kan een bijdrage worden verstrekt tot en met 31 december 2003, dan wel, indien dit eerder is, tot de eerste dag van de maand waarin de gewezen zelfstandige de leeftijd van 65 jaar bereikt.

 

 

§ 3.  Voorwaarden

 

Art. 9.
-1. De zelfstandige voldoet aan elk van de volgende voorwaarden:
a. de zelfstandige is op het tijdstip van de indiening van de aanvraag nog geen 65 jaar en is op 1 januari 2004 ten minste 55 jaar;
b. de zelfstandige oefent één of meer bedrijven uit met tezamen, blijkens de opgave gedaan overeenkomstig artikel 3 van de Regeling landbouwtelling 2000, een productieomvang van ten minste 15 Nederlandse grootte-eenheden van de in bijlage A bij deze regeling aangegeven diersoorten onderscheidenlijk diercategorieën;
c. de zelfstandige heeft gedurende drie jaar voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken rechtmatig in Nederland of in een andere lidstaat van de Europese Unie een bedrijf uitgeoefend en heeft gedurende zeven jaar voorafgaand aan de bedoelde drie jaar rechtmatig een bedrijf of een beroep in Nederland of in een andere lidstaat van de Europese Unie uitgeoefend of arbeid in dienstverband verricht;
d. de zelfstandige heeft gedurende de laatste drie boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend gemiddeld per jaar een inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven genoten dat minder is dan €|30 017,56;
e. de zelfstandige zou bij voortzetting van het bedrijf een inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven hebben dat naar het oordeel van de minister duurzaam minder is dan €|20 011,71;
f. de zelfstandige komt niet in aanmerking voor een uitkering op grond van de wet of komt in aanmerking voor een uitkering op grond van de wet maar heeft een vermogen dat groter is dan €|102 554,33;
g. de zelfstandige heeft uiterlijk tegelijk met de aanvraag tot verlening van een bijdrage op grond van deze regeling bij de Directeur Laser een aanvraag ingediend tot subsidieverlening op grond van artikel 5 van de Regeling beëindiging veehouderijtakken voor alle veehouderijtakken op elk van zijn bedrijven.
-2. Geen bijdrage wordt verleend, indien:
a. de zelfstandige een subsidie op grond van artikel 5 van de Regeling beëindiging veehouderijtakken is geweigerd;
b. de zelfstandige zelf of de echtgenoot de arbeid in bedrijf of beroep hervat of aanvangt;
c. de zelfstandige buiten Nederland woont of aldaar anders dan tijdelijk verblijf houdt;
d. de zelfstandige niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000;
e. de zelfstandige rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
-3. Indien zich ten aanzien van de echtgenoot een omstandigheid voordoet als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, d of e, wordt de zelfstandige voor de toepassing van artikel 7 aangemerkt als alleenstaande.

 

Art. 9a.
-1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, geldt ten aanzien van de MKZ-geruimde als voorwaarde dat hij één of meer bedrijven uitoefent met tezamen, blijkens de opgave gedaan overeenkomstig artikel 3 van de Regeling landbouwtelling 2000, een productieomvang van ten minste 15 Nederlandse grootte-eenheden van de in bijlage B bij deze regeling aangegeven diersoorten onderscheidenlijk diercategorieën.
-2. In afwijking van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, geldt ten aanzien van de MKZ-getroffene als voorwaarde dat hij één of meer bedrijven uitoefent met tezamen, blijkens de opgave gedaan overeenkomstig artikel 3 van de Regeling landbouwtelling 2000, een productieomvang van ten minste 15 Nederlandse grootte-eenheden van de in bijlage C bij deze regeling aangegeven diersoorten onderscheidenlijk diercategorieën.
-3. Artikel 9, eerste lid, onderdeel g, en tweede lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de MKZ-geruimde of de MKZ-getroffene.

 

 

§ 4.  Aanvraag

 

Art. 10.
-1. De aanvraag voor een bijdrage wordt ingediend bij de Directeur Laser te Diemen.
-2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door de Directeur Laser ter beschikking gesteld formulier.
-3. De aanvraag kan worden ingediend door de zelfstandige met ingang van 1 augustus 2001 om 9.00 uur tot uiterlijk 20 december 2001 om 17.00 uur.
-4. De aanvragen worden in behandeling genomen in volgorde van ontvangst van de volledig ingediende aanvragen. Bij gelijktijdige ontvangst wordt de volgorde van behandeling door loting bepaald.

 

Art. 11.
Op grond van deze regeling wordt aan ten hoogste 300 zelfstandigen een bijdrage verleend.

 

 

§ 5.  Verplichtingen

 

Art. 12.
De zelfstandige of gewezen zelfstandige is verplicht aan de Directeur Laser:
a. onverwijld uit eigener beweging mededeling te doen van al hetgeen van belang is voor de verstrekking of voortzetting van de bijdrage, zo mogelijk onder overlegging van bewijsstukken;
b. alle medewerking te verlenen die nodig is voor de uitvoering van deze regeling;
c. toestemming te verlenen voor inzage en gebruik van de voor de verstrekking van de bijdrage noodzakelijke belastinggegevens.

 

Art. 13.
-1. De bijdrage wordt vastgesteld nadat de zelfstandige het bedrijf heeft beëindigd. De daartoe dienende bewijsstukken worden bij de Directeur Laser ingediend.
-2. De verlening van de bijdrage wordt ingetrokken indien de zelfstandige niet binnen een periode van achttien maanden na verlening van de bijdrage het bedrijf heeft beëindigd.

 

Art. 14.
-1. Een beschikking tot verlening of vaststelling van de bijdrage wordt ingetrokken of ten nadele van de ontvanger gewijzigd, indien:
a. de beschikking tot subsidieverlening of -vaststelling op grond van artikel 5 van de Regeling beëindiging veehouderijtakken is ingetrokken;
b. één van de in artikel 9, tweede lid, onderdeel b tot en met e, bedoelde omstandigheden zich voordoet.
-2. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de MKZ-geruimde of MKZ-getroffene.
-3. Indien de beschikking tot verlening of vaststelling van de bijdrage vanwege één van de in artikel 9, tweede lid, onderdeel b tot en met e, bedoelde omstandigheden is ingetrokken en deze omstandigheid zich niet langer voordoet, herleeft het recht op de bijdrage.

 

Art. 15.
Indien de beschikking tot vaststelling van de bijdrage is ingetrokken of ten nadele van de gewezen zelfstandige is gewijzigd, betaalt de gewezen zelfstandige de door hem ontvangen bedragen terug op eerste vordering van de minister vermeerderd met de wettelijke rente over de periode van de datum van intrekking tot het tijdstip van algehele voldoening.

 

 

§ 6.  Slotbepalingen

 

Art. 16.
Met het toezicht op de naleving van deze regeling zijn belast medewerkers van Laser en van de Algemene Inspectiedienst van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

 

Art. 17. Vervallen.

 

Art. 18.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

 

Art. 19.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij.

 

 

     De regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
L.J. Brinkhorst.

 

 

 

BIJLAGE  A

De diersoorten, onderscheidenlijk diercategorieën, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij

 

Diersoort Diercategorie landbouwtelling Rubrieknr. bss per
dier ¹
Rundvee (vlees- of weidevee) Vleeskalveren voor de witvleesproductie: 214 165
Vlleeskalveren voor de rosévleesproductie: 216 170
Ander jongvee voor de vleesproductie:
• jonger dan 1 jaar 217/219 290
• 1 tot 2 jaar 221/223 290
• 2 jaar of ouder, vrouwelijk (nog nooit gekalfd) 225 290
Stieren voor de vleesproductie, 2 jaar of ouder: 227 290
Zoogkoeien (ten minste eenmaal gekalfd): 228 520
Vlees- en weidekoeien (2 jaar of ouder): 229 290
 
Varkens Biggen tot 20 kg:
• nog bij zeug 235
• niet meer bij zeug 237 69
Vleesvarkens:
• 20 tot 50 kg 239 69
• * 50 kg of meer (incl. vleeszeugen en -beren) 241 69
Fokvarkens:
• 20 tot 50 kg, opfokzeugjes en beertjes 243 100
• 50 kg of meer, opfokzeugen, niet gedekt 245 100
• 50 kg of meer, zeugen, gedekt (al dan niet drachtig) 247 400
• 50 kg of meer, zeugen, bij biggen 249 400
• 50 kg of meer, overige zeugen (gust) 251 400
Beren:
• nog niet dekrijp 253 100
• dekrijp 255 400
 
Kippen Vleeskuikens: 269 2,3
Ouderdieren van vleesrassen:
• jonger dan 18 weken 271 6,2
• 18 weken of ouder 273 10,0
Leghennen:
• jonger dan 18 weken (incl. kuikens) 275 2,55
• 18 weken tot 20 maanden (incl. ouderdieren) 276 4,05
• 20 maanden of ouder (incl. ouderdieren) 278 4,05
 
Kalkoenen Kalkoenen: 289 9,05
 

1. Voor de bepaling van de bedrijfsomvang geldt dat één Nederlandse grootte-eenheid gelijk is aan 1390 eenheden brutostandaardsaldo (bss).

 

 

 

BIJLAGE  B

De diersoorten, onderscheidenlijk diercategorieën, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Regeling inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij

 

Diersoort Diercategorie landbouwtelling Rubrieknr. bss per
dier ¹
Rundvee (geen vlees- of weidevee) Jongvee:
• jonger dan 1 jaar vrouwelijk 201 315
• jonger dan 1 jaar mannelijk 203 315
• 1 tot 2 jaar mannelijk 205 460
• 1 tot 2 jaar vrouwelijk 207 920
• 2 jaar of ouder vrouwelijk (nog nooit gekalfd) 209 460
Melk- en kalfkoeien: 211 1840
Stieren voor de fokkerij, 2 jaar of ouder: 213 920
 
Rundvee (vlees- of weidevee) Vleeskalveren voor de witvleesproductie: 214 165
Vleeskalveren voor de rosévleesproductie: 216 170
Ander jongvee voor de vleesproductie:
• jonger dan 1 jaar 217/219 290
• 1 tot 2 jaar 221/223 290
• 2 jaar of ouder, vrouwelijk (nog nooit gekalfd) 225 290
Stieren voor de vleesproductie, 2 jaar of ouder: 227 290
Zoogkoeien (ten minste eenmaal gekalfd): 228 520
Vlees- en weidekoeien (2 jaar of ouder): 229 290
 
  Biggen tot 20 kg:
  • nog bij zeug 235
Varkens • niet meer bij zeug 237 69
Vleesvarkens:
• 20 tot 50 kg 239 69
• * 50 kg en meer (incl. vleeszeugen en -beren 241 69
Fokvarkens:
• 20 tot 50 kg, opfokzeugjes en beertjes 243 100
• 50 kg of meer, opfokzeugen, niet gedekt 245 100
• 50 kg of meer, zeugen, gedekt (al dan niet drachtig) 247 400
• 50 kg of meer, zeugen, bij biggen 249 400
• 50 kg of meer, overige zeugen (gust) 251 400
Beren:
• nog niet dekrijp 253 100
• dekrijp 255 400
 

1. Voor de bepaling van de bedrijfsomvang geldt dat één Nederlandse grootte-eenheid gelijk is aan 1390 eenheden brutostandaardsaldo (bss).

 

 

 

BIJLAGE  C

De diersoorten onderscheidenlijk diercategorieën, bedoeld in artikel 9a, tweede lid, van de Regeling inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij

 

 

Diersoort Diercategorie landbouwtelling Rubrieknr. bss per
dier ¹
Rundvee (vlees- of weidevee) Vleeskalveren voor de witvleesproductie: 214 165
Vlleeskalveren voor de rosévleesproductie: 216 170
Ander jongvee voor de vleesproductie:
• jonger dan 1 jaar 217/219 290
• 1 tot 2 jaar 221/223 290
• 2 jaar of ouder, vrouwelijk (nog nooit gekalfd) 225 290
Stieren voor de vleesproductie, 2 jaar of ouder: 227 290
Zoogkoeien (ten minste eenmaal gekalfd): 228 520
Vlees- en weidekoeien (2 jaar of ouder): 229 290
 
Varkens Biggen tot 20 kg:
• nog bij zeug 235
• niet meer bij zeug 237 69
Vleesvarkens:
• 20 tot 50 kg 239 69
• * 50 kg of meer (incl. vleeszeugen en -beren) 241 69
Fokvarkens:
• 20 tot 50 kg, opfokzeugjes en beertjes 243 100
• 50 kg of meer, opfokzeugen, niet gedekt 245 100
• 50 kg of meer, zeugen, gedekt (al dan niet drachtig) 247 400
• 50 kg of meer, zeugen, bij biggen 249 400
• 50 kg of meer, overige zeugen (gust) 251 400
Beren:
• nog niet dekrijp 253 100
• dekrijp 255 400
 
Schapen en geiten Schapen:
• lammeren 265 105
• overige schapen, vrouwelijk 266 105
• overige schapen, mannelijk 268 105
Geiten:
• overige geiten 284 65
 

1. Voor de bepaling van de bedrijfsomvang geldt dat één Nederlandse grootte-eenheid gelijk is aan 1390 eenheden brutostandaardsaldo (bss).

 

 

 

TOELICHTING
[31 mei 2000]

 

1. Achtergrond


     In de brieven aan de Tweede Kamer van mijn ambtgenoot van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en mij van 10 september 1999 en van 3 december 1999 (Kamerstukken II 1999-2000, 26 729, nrs. 1 en 13) en tijdens het Algemeen Overleg naar aanleiding van de laatstgenoemde brief op 15 december 1999 (Kamerstukken II 1999-2000, 26 729, nr. 17) zijn de contouren van het flankerend sociaal-economisch beleid voor de herstructurering van de veehouderij geschetst. De uitwerking van dit beleid is neergelegd in de brief van mijn ambtgenoot van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en mij aan de Tweede Kamer van 25 februari 2000 (Kamerstukken II 1999-2000, 26 729, nr. 19).
     Het sociaal-economisch flankerend beleid heeft als doel de gevolgen van het in de bovengenoemde brief van 10 september 1999 aangekondigde nieuwe mestbeleid op te vangen. Dit nieuwe mestbeleid is noodzakelijk voor de realisatie van de doelstellingen van Richtlijn nr. 91/676/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen, PbEG L 375 (hierna: Nitraatrichtlijn). Met de nieuwe aanpak van het Nederlandse mestbeleid wordt een buitengewone inspanning geëist van de landbouw. Blijkens het rapport "Economische effecten van milieubeleidsvoornemens voor de landbouw voor 2002 en 2003" van het Landbouw-Economisch Instituut en het Centraal Planbureau zal de varkenshouderij met ongeveer 15% krimpen, de pluimveehouderij met ongeveer 20%, de kalverhouderij met ongeveer 10% en de rundveehouderij voor de roodvleesproductie met ongeveer 30%. In het licht van het hiervoorstaande is de Regeling beëindiging veehouderijtakken vastgesteld, die veehouders die kippen, varkens, witvleeskalveren of runderen voor de roodvleesproductie houden en één of meer van deze takken willen beëindigen, de mogelijkheid biedt om de op hun bedrijf rustende varkens- en mestproductierechten tegen een vergoeding aan de overheid aan te bieden. Voorts kunnen veehouders in de concentratiegebieden Oost en Zuid op grond van die regeling een subsidie aanvragen om hun bedrijfsgebouwen te laten slopen.
     Uitgangspunt bij de herstructurering van de veehouderij is dat de veehouders die zich, mede als gevolg van het nieuwe mestbeleid, genoodzaakt zien het bedrijf te beëindigen, zoveel mogelijk in het arbeidsproces worden gehouden dan wel worden gereïntegreerd. Om veehouders daarin te begeleiden, is het SEP-veehouderij tot stand gebracht. In dat kader wordt aan veehouders die overwegen hun bedrijf te beëindigen advies en informatie verstrekt over het economisch perspectief van het bedrijf en zo nodig worden ze begeleid bij de beëindiging van het bedrijf. Voorts wordt informatie en advies gegeven bij de oriëntatie op een functie buiten de landbouw en zullen in dat verband eventuele scholingsprogramma’s worden aangeboden.
     Dit neemt niet weg dat in specifieke gevallen onvoldoende perspectief kan bestaan op ander werk of reïntegratie en dat een vorm van vervroegde uittreding uitkomst kan bieden. Veehouders van 55 jaar of ouder die tegen de hiervoor geschetste achtergrond vervroegd uittreden, kunnen in beginsel in aanmerking komen voor de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen (hierna: Ioaz). Gezien de bijzondere situatie waarin de veehouderij de komende jaren komt te verkeren, is in overleg met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid besloten een maatregel te treffen die specifiek op veehouders is gericht en die een ruimere toetreding mogelijk maakt dan onder de Ioaz mogelijk is. De onderhavige regeling, de Regeling inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij (hierna: Iozv), voorziet hierin.
     De Iozv is wat de opzet betreft vergelijkbaar met de eerdere Bedrijfsbeëindigingsregeling binnenvaart. Net als de Bedrijfsbeëindigingsregeling binnenvaart dient de Iozv als een voorportaal voor de Ioaz.

 

2. Systeem van de Ioaz


     In de Ioaz wordt onder andere een uitkering geboden aan oudere gewezen zelfstandigen die na beëindiging van hun bedrijf niet meer in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Een oudere zelfstandige moet ingevolge de artikelen 2, eerste lid, onderdeel a, en 5, tweede lid, van de Ioaz aan een aantal voorwaarden voldoen om voor een uitkering in aanmerking te komen.
     De eerste voorwaarde is dat de oudere zelfstandige het bedrijf of beroep beëindigt na het bereiken van de leeftijd van 55 jaar, maar vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.
     Voorts geldt als voorwaarde dat hij in de periode van tien jaar voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken arbeid heeft verricht, waarvan in elk geval de laatste drie jaar als zelfstandige in een beroep of bedrijf. In de zeven jaar daarvoor moet eveneens arbeid zijn verricht, hetzij als zelfstandige, hetzij in dienstbetrekking.
     De bedrijfsuitoefening moet gedurende de laatste drie jaren wel van substantiële betekenis zijn geweest. Daarom komt de oudere zelfstandige pas in aanmerking voor een uitkering indien hij in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend ten minste 1225 uren heeft besteed aan het voor eigen rekening feitelijk drijven van een bedrijf of beroep.
     De voorziening in de Ioaz is opgezet voor zelfstandigen voor wie voortzetting van het bedrijf of beroep niet veel perspectief biedt. Daarom geldt als eis dat hij over de laatste drie kalenderjaren een inkomen van gemiddeld minder dan ƒ42 000,- per jaar heeft gehad en dat het inkomen uit beroep of bedrijf bij voortzetting naar verwachting duurzaam minder dan ƒ42 000,- per jaar zal bedragen.
     Ten slotte mag het beroep of bedrijf niet vóór de indiening van de aanvraag beëindigd zijn; de beëindiging moet binnen anderhalf jaar na de aanvraag voor een uitkering plaatsvinden.
     De uitkering bedraagt ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Ioaz het verschil tussen de van toepassing zijnde grondslag en het inkomen. De grondslagen voor de oudere gewezen zelfstandige met echtgenoot, de alleenstaande oudere gewezen zelfstandige en de alleenstaande oudere gewezen zelfstandige met kinderen worden genoemd in artikel 5, vijfde lid, van de Ioaz. De grondslagen zijn netto bedragen en zij komen overeen met het nettominimumloon. De uitkering vult de eigen inkomsten aan tot het sociaal minimum. De inkomsten van kinderen blijven buiten beschouwing. Als inkomen wordt ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Ioaz eveneens aangemerkt het inkomen uit vermogen waarover de oudere gewezen zelfstandige beschikt na beëindiging van zijn beroep of bedrijf. Bij de bepaling van het inkomen uit vermogen blijft ƒ219 500,- buiten beschouwing. Het inkomen uit vermogen wordt forfaitair vastgesteld op 4% per jaar van het vermogen dat meer is dan ƒ219 500,-.

 

3. Bijzondere voorziening


     De Iozv richt zich op een specifieke groep van zelfstandigen, namelijk zelfstandigen die voor hun inkomen en ook wat de invulling van hun dagtaak betreft in belangrijke mate afhankelijk zijn van een veehouderijbedrijf in één van de sectoren waar de grootste krimp wordt verwacht als gevolg van het nieuwe mestbeleid, de varkenshouderij, de pluimveehouderij, de kalverhouderij of de rundveehouderij voor de roodvleesproductie. Een zelfstandige behoort tot deze specifieke groep van zelfstandigen indien hij een bedrijf voert met een productieomvang van ten minste 20 Nederlandse grootte-eenheden van de in de bijlage bij deze regeling aangegeven diersoorten, onderscheidenlijk diercategorieën (artikel 9, eerste lid, onderdeel b). Twintig Nederlandse grootte-eenheden in de veehouderij komt ongeveer overeen met een halve dagtaak voor een veehouder, ofwel het houden van bijvoorbeeld 70 fokzeugen, 403 mestvarkens, 96 stieren of 6864 kippen.
     De voorziening die de Ioaz biedt, is op de volgende drie punten niet toereikend om deze specifieke groep van zelfstandigen een alternatieve inkomensvoorziening te bieden.


Inkomensgrens

     Het inkomen dat een zelfstandige in de drie voorafgaande jaren mag hebben genoten vormt voor vele veehouders een onoverkomelijke drempel voor deelname aan de Ioaz. Menige veehouder overschrijdt immers de inkomensgrens van ƒ42 000,- van artikel 5, tweede lid, onder 2º, van de Ioaz. Zij worden derhalve gedwongen hun bedrijfsactiviteiten te continueren. Menig bedrijf dat nu nog redelijke inkomsten behaalt, zal als gevolg van het nieuwe mestbeleid in liquiditeitsproblemen geraken. Het nieuwe mestbeleid leidt voor overschotbedrijven tot een verhoging van de kosten voor de mestafzet, omdat de verliesnormen binnen het stelsel van regulerende mineralenheffingen vanaf 1 januari 2002 (ook wel Minas genoemd) fors worden aangescherpt om aan de normen van de Nitraatrichtlijn te kunnen voldoen. Door uit te gaan van de inkomensgrens van ƒ42 000,- worden te veel bedrijven uitgesloten van deelname aan de Ioaz voor wie een vervroegde beëindigingsregeling juist in de rede ligt.


Leeftijdsgrens

     De leeftijdsgrens om in aanmerking te komen voor de Ioaz vormt voor deze specifieke groep van zelfstandigen een belemmering om deel te nemen aan de Ioaz. Voor sommige ondernemers die jonger zijn dan 55 jaar is het, net als voor ondernemers van 55 jaar of ouder, aantrekkelijker nu te stoppen dan eind 2002 of in het begin van 2003. Bovendien is het, gelet op de noodzaak om een landelijk niet-plaatsbaar mestoverschot in 2002 te voorkomen en evenwicht op de mestmarkt te creëren vóór inwerkingtreding van het nieuwe mestbeleid, wenselijk dat veehouders nu overgaan tot beëindiging van hun veehouderij en hiermee niet wachten tot begin 2003. Daarom wordt het leeftijdscriterium zodanig verruimd dat zelfstandigen die nu nog jonger zijn dan 55 jaar doch uiterlijk 1 januari 2003 55 jaar zijn, indien zij hun bedrijf beëindigen nu reeds in aanmerking kunnen komen voor een bijdrage.


Vermogensgrens

     Vermogen boven de ƒ219 500,- leidt ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Ioaz tot een korting op de uitkering. Veel zelfstandigen in de veehouderij hebben na beëindiging van hun bedrijf een vermogen dat groter is dan ƒ219 500,-. Dit belemmert deelname aan de Ioaz. De waarde van het bedrijf leidt in dergelijke gevallen tot een zodanige korting op de maandelijkse uitkering dat zulks het uittreden uit de sector in de weg staat.
     De Iozv biedt daarom voor deze specifieke groep van zelfstandigen, de zelfstandigen in de veehouderij, een inkomensvoorziening die ten opzichte van de Ioaz op de volgende punten is verruimd:
a. Een verhoging van de inkomensgrens over de referentiejaren met 50% tot ƒ63 000,- (artikel 9, eerste lid, onderdeel d, van de Iozv);
b. Een verlaging van de leeftijdsgrens: zelfstandigen die nu nog jonger zijn dan de voor toetreding voor de Ioaz vereiste leeftijd, 55 jaar, maar uiterlijk op 1 januari 2003 deze leeftijd bereiken, kunnen in aanmerking komen voor een bijdrage (artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de Iozv); en
c. Een verhoging van de vermogensgrens met 50% van ƒ219 500,- tot ƒ329 250,- (artikel 5 van de Iozv).
     Een belangrijke nevendoelstelling van de Iozv is een bijdrage te leveren aan de duurzame vermindering van de productie van dierlijke meststoffen, ter voorkoming van een landelijk, niet-plaatsbaar mestoverschot in 2002. Daarom is als voorwaarde in de Iozv opgenomen dat de veehouder alle veehouderijtakken (kippen-, varkens- en rundveetakken) op elk van zijn bedrijven overeenkomstig het bepaalde in de Regeling beëindiging veehouderijtakken beëindigt (artikel 9, eerste lid, onderdeel g, van de Iozv). Dit betekent onder meer dat het voor de desbetreffende veehouderijtak benutte varkens- of mestproductierecht ter opkoop aan de overheid moet worden aangeboden. Tevens wordt indien een kippen- of een rundveetak wordt beëindigd op grond van de Regeling beëindiging veehouderijtakken het in 1998 niet voor de productie van dierlijke meststoffen benutte deel van het mestproductierecht, de zogenaamde latente ruimte, doorgehaald. Overigens zij opgemerkt dat de zelfstandige al zijn bedrijven, ook zijn niet-veehouderijbedrijven, daadwerkelijk moet beëindigen om in aanmerking te komen voor een inkomensvoorziening op grond van de Iozv.
     Voor het overige wordt aangesloten bij de modaliteiten die zijn neergelegd in de Ioaz. Met name zij gewezen op de voorwaarden omtrent het arbeidsverleden van de zelfstandige (artikel 5, tweede lid, onder 1º, van de Ioaz en artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Iozv) en dat de zelfstandige bij voortzetting van het bedrijf een inkomen zou hebben dat duurzaam minder is dan ƒ42 000,- (artikel 5, tweede lid, onder 3º, van de Ioaz en artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Iozv). Daarnaast wordt aangesloten bij de verplichting dat het bedrijf op het tijdstip van de aanvraag van een uitkering nog niet mag zijn beëindigd. Ook wordt net als bij de Ioaz vereist dat het bedrijf wordt beëindigd binnen anderhalf jaar na de aanvraag van de uitkering in het kader van de Ioaz (artikel 5, eerste lid, onder 4º), onderscheidenlijk na de verlening van de bijdrage (artikel 13, tweede lid, van de Iozv). Indien de aanvragen naast zijn veehouderijbedrijf nog een ander bedrijf heeft, moet dat ook worden beëindigd.

 

4. Aansluiting op de Ioaz


     De voorziening op grond van de Iozv geldt tot 31 december 2002. Voorkomen moet worden dat gewezen zelfstandigen in de veehouderij die jonger zijn dan 65 jaar na afloop van de Iozv geen inkomensvoorziening meer hebben omdat zij niet in aanmerking komen voor de Ioaz.
     Daarom zal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid er zorg voor dragen dat een tijdelijke wet tot stand komt die ertoe strekt de toetredingscriteria zodanig aan te passen dat doorstroming naar de Ioaz kan plaatsvinden. Wel vindt op het moment van doorstroming - 1 januari 2003 - opnieuw een vermogenstoets plaats, die mede bepalend is voor de hoogte van de maandelijkse uitkering vanaf dat moment. Als basis voor die toets gelden dan de voorwaarden van de Ioaz. Een vermogen dat hoger is dan de vermogensvrijlating die op dat moment ingevolge artikel 8 van de Ioaz geldt, zal dus leiden tot korting op de maandelijkse uitkering. Dit kan voor sommige gewezen zelfstandigen betekenen dat de maandelijkse uitkering op grond van de Ioaz lager is dan de maandelijkse bijdrage die op grond van de Iozv werd verkregen.

 

5. Uitvoering


     De Iozv zal worden opengesteld van 5 juni 2000 om 9.00 uur tot en met 21 december 2000 om 17.00 uur. Maximaal 350 zelfstandigen kunnen aan de Iozv deelnemen (artikel 11). Voor deze 350 deelnemers is een budget van ƒ14 000 000,- gereserveerd.
     Anders dan de Ioaz wordt de Iozv niet door de gemeenten uitgevoerd, maar door het Agentschap Landelijke service bij regelingen van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: Laser). De reden hiervoor is dat Laser de voor de uitvoering noodzakelijke inhoudelijke deskundigheid in huis heeft, omdat Laser in veel gevallen bij beëindiging van agrarische bedrijven in het kader van de Ioaz de gemeenten adviseert. Bovendien beschikt Laser, als uitvoeringsinstantie van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, over de specifiek voor de Iozv benodigde kennis, nu de Iozv gericht is op een specifieke categorie zelfstandigen, namelijk diegenen die voor hun bestaan in belangrijke mate afhankelijk zijn van inkomsten uit hun veehouderijbedrijf. Bovendien is Laser eveneens belast met de uitvoering van de Regeling beëindiging veehouderijtakken, waaraan deelname is vereist om in aanmerking te kunnen komen voor een bijdrage op grond van de Iozv. Zelfstandigen voor wie de Iozv aantrekkelijk zou kunnen zijn, kunnen het aanvraagformulier telefonisch bij Laser opvragen.
     Overeenkomstig de systematiek en terminologie van de Algemene wet bestuursrecht wordt onderscheid gemaakt tussen het verlenen en het vaststellen van de bijdrage. De bijdrage wordt verleend indien aan de voorwaarden is voldaan en het maximale deelnemeraantal van 350 zelfstandigen niet wordt overschreden. Het verlenen van de bijdrage betekent dat de zelfstandige een voorwaardelijke aanspraak heeft op financiële middelen. Indien aan alle in de Iozv genoemde verplichtingen is voldaan, wordt de bijdrage vastgesteld. Ingevolge artikel 4:42 van de Algemene wet bestuursrecht ontstaat de aanspraak op de bijdrage pas nadat de beschikking tot vaststelling van de bijdrage is gegeven. Overeenkomstig artikel 4:52 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de bijdrage binnen vier weken na de vaststelling van de bijdrage voor het eerst aan de aanvrager uitbetaald. Indien de zelfstandige of de gewezen zelfstandige niet aan de in deze regeling gestelde voorwaarden of verplichtingen voldoet, wordt de verlening of vaststelling van de bijdrage op grond van het bepaalde in afdeling 4.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht ingetrokken of ten nadele van de zelfstandige of gewezen zelfstandige gewijzigd. Ten onrechte uitbetaalde bedragen zullen alsdan worden teruggevorderd.
     Deze regeling zal als voorgenomen steunmaatregel ter goedkeuring aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen worden voorgelegd. De bijdrage wordt verleend onder het voorbehoud dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen verklaart - in het licht van de artikelen 87 en 88 EG - geen bezwaar te hebben tegen de toepassing van deze regeling. Zolang de Commissie van de Europese Gemeenschappen dit niet heeft verklaard, bestaat er geen rechtens afdwingbare aanspraak op een bijdrage en wordt de bijdrage vastgesteld noch uitbetaald.

 

 

6.  Artikelsgewijs

 

Artikel 2

     Met het begrip meewerkende echtgenoot wordt de in het bedrijf van de zelfstandige meewerkende echtgenoot aangeduid die in het jaar voorafgaand aan de aanvraag ten minste 525 uur in het door de zelfstandige gedreven bedrijf werkzaam was. Indien de meewerkende echtgenoot voldoet aan het urencriterium, bedoeld in artikel 1, tweede lid, en aan artikel 9, eerste lid, onderdeel a (de leeftijdsgrens), wordt de meewerkende echtgenoot eveneens als zelfstandige aangemerkt. Indien de als zelfstandige aangemerkte meewerkende echtgenoot aan de overige voorwaarden van artikel 9 voldoet, krijgt hij of zij een zelfstandig recht op een bijdrage. In het kader van de gelijkberechtiging van mannen en vrouwen kan de bijdrage ook worden verstrekt indien door de meewerkende echtgenoot wel, maar door de zelfstandige niet aan de voorwaarden van artikel 9 wordt voldaan.
     Met de echtgenoot wordt gelijkgesteld de ongehuwde partner van de zelfstandige. Het gaat daarbij om de partner van hetzelfde of andere geslacht met wie de zelfstandige duurzaam een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het een persoon betreft met wie bloedverwantschap in de eerste graad bestaat.

 

Artikel 3

     Naast zelfstandigen die hun bedrijf hebben uitgeoefend in de vorm van een eenpersoonsbedrijf, kunnen ook zelfstandigen met een bedrijf in de vorm van een samenwerkingsverband in aanmerking komen voor een bijdrage. Zij moeten dan voldoen aan het urencriterium, bedoeld in artikel 1, tweede lid, en de in artikel 9 gestelde voorwaarden. Voorts geldt als voorwaarde dat zij alleen of met andere zelfstandigen de volledige zeggenschap hebben uitgeoefend en alleen of gezamenlijk het bedrijfsrisico hebben gedragen (onderdeel a). De verlies- en winstverdeling tussen vennnoten of maten dient daarbij reëel te zijn in verhouding tot de ingebrachte arbeid. De persoon die feitelijk niet in het bedrijf werkzaam is geweest, maar alleen kapitaal heeft ingebracht, wordt niet als een zelfstandige aangemerkt. Directeuren van BV’s en NV’s die niet als werknemer kunnen worden aangemerkt, met name vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding met de BV of NV en die voldoen aan de voorwaarden van deze regeling, komen ingevolge onderdeel b wel in aanmerking voor een bijdrage.

 

Artikelen 4 en 5

     In deze twee artikelen worden een groot aantal artikelen uit de Ioaz, het Inkomensbesluit Ioaz en het Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 juni 1987, houdende nadere regels met betrekking tot de waardering van het vermogen van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Stcrt. 1987, 122) [zie Regeling vermogenswaardering Ioaz, red.] van overeenkomstige toepassing verklaard.
     In artikel 8, eerste en tweede lid, van de Ioaz wordt aangegeven wat in het kader van de Ioaz wordt aangemerkt als inkomen van de zelfstandige en zijn echtgenoot. Dit inkomen is van belang bij de bepaling van de hoogte van de uitkering. Onder meer wordt 4% van het vermogen na beëindiging van het bedrijf dat de ƒ219 500,- te boven gaat, aangemerkt als inkomen. Dit inkomen wordt op de uitkering in mindering gebracht. In de onderhavige regeling wordt de vermogensvrijstelling van ƒ219 500 met 50% verhoogd tot ƒ329 250,- (artikel 5).
     De begrippen inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven, onder meer genoemd in artikel 5 van de Ioaz, en inkomen uit vermogen, onder meer genoemd in artikel 8 van de Ioaz, zijn nader uitgewerkt in de twee hierboven genoemde besluiten.
     In artikel 20, tweede tot en met vierde lid en zesde lid, van de Ioaz worden een aantal gronden geregeld op basis waarvan de uitkering kan worden ingetrokken dan wel lager kan worden vastgesteld. Deze intrekkingsgronden vormen een aanvulling op de in artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde wijzigings- en intrekkingsgronden.
     Ingevolge het bepaalde in artikel 35, eerste lid, onderdeel a en b, van de Ioaz is de gewezen zelfstandige verplicht zich als werkzoekende te laten registreren en naar vermogen te proberen arbeid in dienstverband te verkrijgen. De gewezen zelfstandige die als ouder een volledig verzorgende taak heeft voor één of meer kinderen die jonger zijn dan 5 jaar, kan ingevolge de artikelen 36 en 37 van de Ioaz vrijstelling van al deze verplichtingen worden verleend. Deze vrijstelling zal in het kader van de Iozv bij de Directeur Laser moeten worden aangevraagd. Een gewezen zelfstandige ouder dan 57,5 jaar is vrijgesteld van de verplichting om naar vermogen te proberen arbeid in dienstverband te verkrijgen, maar indien hem passende arbeid wordt aangeboden is hij wel verplicht op het aanbod in te gaan [zie Regeling vrijstelling verplichtingen Ioaw en Ioaz, red.].

 

Artikel 6

     Ook een pachter of een directeur van een NV of BV kan deelnemen aan de Iozv. Beëindiging van het bedrijf door een pachter in het kader van de Iozv houdt in het beëindigen van de pachtovereenkomst door opzegging of het sluiten van een beëindigingsovereenkomst en het beëindigen van alle veehouderijtakken op het bedrijf, of als de pachter meerdere bedrijven voerde, op al deze bedrijven, in het kader van de Regeling beëindiging veehouderijtakken.
     Beëindiging door een directeur van een NV of BV houdt in dat alle veehouderijtakken op het bedrijf, of als de NV of BV meerdere bedrijven voerde, op al deze bedrijven, moeten worden beëindigd in het kader van de Regeling beëindiging veehouderijtakken én dat de directeur zijn werk binnen het bedrijf, of de bedrijven, staakt.

 

Artikel 7

     De hoogte van de grondslagen voor de maandelijkse bijdragen op grond van de Iozv zijn gelijk aan de grondslagen voor de uitkering in het kader van de Ioaz. De grondslagen worden twee keer per jaar (1 januari en 1 juli) aangepast aan het inflatiecijfer. Ingevolge het derde lid treden de grondslagen, genoemd in artikel 5, vijfde lid, van de Ioaz, na wijziging in de plaats van de in eerste lid genoemde grondslagen.

 

Artikel 8

     De bijdrage op grond van de Iozv kan ingevolge artikel 8 tot en met uiterlijk 31 december 2002 worden verstrekt. De gewezen zelfstandigen die een bijdrage wordt verstrekt op grond van de Iozv en op 31 december 2002 de leeftijd van 65 jaar nog niet hebben bereikt, zullen op 1 januari 2003 collectief doorstromen naar de Ioaz.

 

Artikel 9

     In paragraaf 3 van deze toelichting is aangegeven dat een zelfstandige een bedrijf moet voeren met een productieomvang van ten minste 20 Nederlandse grootte-eenheden van de in de bijlage bij de Iozv aangegeven diersoorten onderscheidenlijk diercategorieën om in aanmerking te kunnen komen voor een bijdrage (eerste lid, onderdeel b). Meer specifiek wordt hier opgemerkt dat de Nederlandse grootte-eenheid een maatstaf is voor de berekening van de productieomvang van een agrarisch bedrijf. Nederlandse grootte-eenheden zijn gebaseerd op het bruto saldo van de productie, dat is het verschil tussen de totale opbrengsten en de directe kosten. De bruto saldi van de productie per dier en per oppervlakte van de verschillende gewassen en de daarmee corresponderende Nederlandse grootte-eenheden staan in bijlage II van de Regeling landbouwtelling 1999. De diercategorieën opgenomen in bijlage II bij de voornoemde regeling die overeenkomen met de in bijlage A bij de Meststoffenwet onderscheiden diercategorieën van de diersoort kippen en de diersoort varkens en de diersoort rundvee zijn in de bijlage bij de Iozv opgenomen met daarachter vermeld de corresponderende Nederlandse grootte-eenheden. Uit de systematiek van de Iozv volgt dat alle op elk van de bedrijven van de zelfstandige gehouden dieren van de in de bijlage bij de regeling genoemde diersoorten onderscheidenlijk diercategorieën bij elkaar mogen worden opgeteld om aldus aan de gestelde productieomvang van twintig Nederlandse grootte-eenheden te voldoen.
     De inkomensgrens over de laatste drie jaar (eerste lid, onderdeel d) is in paragraaf 3 van het algemene deel van de toelichting aan de orde gekomen. Meer specifiek wordt hier opgemerkt dat bij de bepaling of is voldaan aan de gestelde inkomensgrens wordt uitgegaan van de drie voorgaande, afgesloten boekjaren.
     De voorwaarden, genoemd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c en e, zijn gelijkluidend aan de voorwaarden in de Ioaz.

 

Artikel 13

     De zelfstandige kan de bewijsstukken benodigd voor de vaststelling van de bijdrage indienen wanneer hij a. de bedrijfsvoering heeft gestaakt en b. uit concrete feiten en omstandigheden blijkt dat het bedrijf wordt of zal worden overgedragen of dat de zelfstandige uittreedt.
     Op grond van de Iozv geldt ingevolge het tweede lid voor het beëindigen van het bedrijf een termijn van achttien maanden na verlening van de bijdrage. Voor het afvoeren van de varkens geldt ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Regeling beëindiging veehouderijtakken een termijn van twaalf maanden en voor het afvoeren van de kippen en het rundvee ingevolge het tweede lid van hetzelfde artikel een termijn van vijftien maanden na subsidieverlening. Indien de mededeling in de Staatscourant van de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, waarbij de Commissie verklaart tegen de toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken geen bezwaar te hebben, bedoeld in artikel 22 van die regeling, na subsidieverlening in de Staatscourant wordt geplaatst, vangen de genoemde termijnen voor het afvoeren van de dieren aan na plaatsing van die mededeling in de Staatscourant [zie voor bedoelde mededeling Stcrt. 2001, 7, pag. 19, red.].

 

Artikel 14

     In het voorgaande is reeds toegelicht dat de Iozv tot en met uiterlijk 31 december 2002 een voorziening biedt aan zelfstandigen die hun veehouderijbedrijf beëindigen. Indien het recht op een bijdrage tussentijds eindigt door bijvoorbeeld een tijdelijke onderbreking van de werkloosheid als gevolg van werkaanvaarding, herleeft ingevolge dit artikel het recht op een bijdrage. De gewezen zelfstandige dient op grond van artikel 12, onderdeel a, uit eigener beweging de omstandigheid te melden die aanleiding geeft tot het herleven van het recht op een bijdrage.

 

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
L.J. Brinkhorst
.