Geschiedenis van dit besluit:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-01-2011   Intrekking Stb. 2010, 869 Stb. 2010, 869
01-01-2010   Wijziging Stb. 2009, 595 Stb. 2009, 595
01-01-2004   Wijziging Stb. 2003, 509 Stb. 2003, 509
01-01-2002   Wijziging Stb. 2001, 415 Stb. 2001, 415
01-01-2001   Wijziging Stb. 2000, 622 Stb. 2000, 622
01-10-1998   Wijziging Stb. 1998, 523 Stb. 1998, 544
01-01-1996   Wijziging Stb. 1995, 655 Stb. 1995, 655
01-01-1990   Wijziging Stb. 1989, 574 Stb. 1989, 574
01-07-1987   Nieuwe regeling Stb. 1987, 305 Stb. 1987, 305

 

 

BESLUIT van 16 juni 1987, houdende regels met betrekking tot het inkomen als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Inkomensbesluit Ioaz)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 maart 1987, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, nr. SZ/BZ/ABB/BZ/87/U-2316/GvdW/RM;
     Gelet op artikel 7, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Stb. 1987, 281);
     De Raad van State gehoord (advies van 30 maart 1987, nr. W12.87.105);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 juni 1987, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, nr. SZ/DBZ/ABB/BZ/3169/GvdW/RM;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Art. 1.
In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Stb. 1987, 281).

 

Art. 2.
-1. Voor de toepassing van artikel 5, tweede lid, onder 2º en 3º, en derde lid, onder 2º, van de wet wordt onder inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven verstaan:
a. winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep;
b. de opbrengst van arbeid als bedoeld in de artikelen 3, 4, 5 en 9a van het Inkomensbesluit Ioaw;
c. behoudens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel, inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven als bedoeld in artikel 7 van het Inkomensbesluit Ioaw.
-2. Onder inkomen in verband met arbeid als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt mede verstaan een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Stb. 1987, 92).
-3. Behoudens het bepaalde in artikel 3, derde lid, wordt onder inkomen uit of in verband met arbeid als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel niet verstaan het inkomen van de echtgenoot.

 

Art. 3.
-1. Onder winst, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, wordt verstaan:
a. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die wet, en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die wet, indien de gewezen zelfstandige het bedrijf of beroep heeft uitgeoefend in de vorm van een eenmanszaak, maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap;
b. hetgeen ingevolge het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk II van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 als winst wordt beschouwd indien de gewezen zelfstandige de onderneming heeft uitgeoefend in de vorm van een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap.
-2. Onder winst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden niet verstaan de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, onderdeel a, b en c, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
-3. Onder winst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden mede verstaan de partnervergoeding, bedoeld in artikel 3.16, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, indien deze vergoeding €|5000,00 of hoger is en de winst van de echtgenoot van de gewezen zelfstandige indien het bedrijf of beroep mede voor rekening van de echtgenoot wordt uitgeoefend. Onder winst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden mede verstaan de betalingen die aan de echtgenoot worden gedaan ter zake van in de onderneming verrichte arbeid.
-4. De winst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt gecorrigeerd met alle geldelijke voor- en nadelen voor de gewezen zelfstandige die uit diens verhouding tot de besloten of naamloze vennootschap voortvloeien, tenzij het inkomen uit of in verband met arbeid betreft als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b of c.
-5. Indien de toepassing van het eerste lid tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, gelet op de aard en strekking van de wet, corrigeren burgemeester en wethouders de in dit lid bedoelde winst dienovereenkomstig.

 

Art. 4.
-1. Voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, van de wet wordt verstaan onder:
a. inkomen uit arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven: de opbrengst van arbeid, bedoeld in de artikelen 3, 4, 5 en 5a van het Inkomensbesluit Ioaw;
b. inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven: het inkomen als bedoeld in artikel 7 van het Inkomensbesluit Ioaw, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel q, met dien verstande dat hieronder mede wordt verstaan een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
-2. Het inkomen uit of in verband met arbeid, bedoeld in het eerste lid, wordt in de maand waarover aanspraak op uitkering wordt gemaakt, vastgesteld op het bedrag dat de gewezen zelfstandige en de echtgenoot over die maand verwerven of redelijkerwijs geacht kunnen worden te verwerven.
-3. Indien aannemelijk is dat een inkomensbestanddeel geen juiste maatstaf biedt voor de bepaling van het in het eerste lid bedoelde inkomen, wordt dat bestanddeel per maand vastgesteld op 1/3 onderscheidenlijk 1/12 van het bedrag dat over drie maanden onderscheidenlijk één jaar is verworven.
-4. Indien de toepassing van het tweede en derde lid, gelet op het tijdstip van verwerving van een inkomensbestanddeel, tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, bepalen burgemeester en wethouders op welke periode dat inkomensbestanddeel geacht moet worden over deze periode te zijn verdeeld.

 

Art. 5.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1987.

 

Art. 6.
Dit besluit kan worden aangehaald als: Inkomensbesluit Ioaz.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.

 

’s-Gravenhage, 16 juni 1987

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L. de Graaf

 

Uitgegeven de negenentwintigste juni 1987
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes