Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2013

 

TIJDELIJK  BESLUIT  GEWEZEN  ZELFSTANDIGEN  IN  DE  VEEHOUDERIJ

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2014
(art. 2 van dit besluit)

 
 

22 juli 2002, Stb. 2002, 425
Inwerkingtreding: 21 augustus 2002
Vervalt m.i.v. 1 januari 2014
(T.a.v. art. 5a Ioaz)

 

 

 

 
BESLUIT van 22 juli 2002, houdende bepalingen inzake het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen, MKZ-geruimden en MKZ-getroffenen in de veehouderij (Tijdelijk besluit gewezen zelfstandigen in de veehouderij)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 mei 2002, Directie Bijstand en Gemeentelijk Activeringsbeleid, nr. B&GA/GAB/02/32901;
     Gelet op artikel 5a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
     De Raad van State gehoord (advies van 11 juni 2002, nr. W12.02.0195/IV);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 juli 2002, Directie Bijstand en Gemeentelijk Activeringsbeleid, nr. B&GA/GAB/02/50034;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Art. 1. Voorwaarden
Vrijgesteld van de voorwaarden, bedoeld in artikel 5, tweede en derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, is:
a. met ingang van 1 januari 2003 de gewezen zelfstandige die tot en met uiterlijk 31 december 2002 een bijdrage als bedoeld in artikel 6 van de Regeling inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij ontvangt;
b. met ingang van 1 januari 2004 de gewezen zelfstandige die tot en met uiterlijk 31 december 2003 een bijdrage als bedoeld in artikel 6 van de Regeling inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij ontvangt.

 

Art. 2. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 18 april 2002 (Stb. 2002, 235) in werking treedt en vervalt met ingang van 1 januari 2014.

 

Art. 3. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk besluit gewezen zelfstandigen in de veehouderij.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

ís-Gravenhage, 22 juli 2002

 

BEATRIX

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus

 

Uitgegeven de twintigste augustus 2002
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[22 juli 2002]

 

Algemeen

 

     Met de Wet van 18 april 2002 (Stb. 2002, 235) is in de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) de mogelijkheid opgenomen om bij algemene maatregel van bestuur categorieŽn van gewezen zelfstandigen aan te wijzen die zijn vrijgesteld van de voorwaarden voor het recht op uitkering. Het betreft in casu de voorwaarden, bedoeld in artikel 5, tweede en derde lid, van de Ioaz. Van deze in de Ioaz opgenomen mogelijkheid wordt thans gebruik gemaakt voor de groep gewezen zelfstandigen in de veehouderij.
     In het kader van de herstructurering van de veehouderij kan een aantal van maximaal 350 [300, zie artikel 11 Iozv jo. artikel I, onderdeel H, Regeling van 19 juli 2001 (Stcrt. 2001, 140), red.] gewezen veehouders uiterlijk tot en met 31 december 2002 een bijdrage ontvangen op grond van de Regeling inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij (Iozv), een ministeriŽle regeling van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV). Met de Minister van LNV is afgesproken dat veehouders die een bijdrage ontvangen op grond van deze regeling per 1 januari 2003 kunnen instromen in de Ioaz.
     Om toetreding tot de Ioaz mogelijk te kunnen maken, is het noodzakelijk tijdelijk van een aantal voorwaarden uit de Ioaz vrijstelling te verlenen voor degenen die een bijdrage hebben ontvangen op grond van de Iozv.

     Bij de eerste openstelling van de Iozv in 2000 hebben 54 veehouders een bijdrage in het kader van deze regeling aangevraagd. Deze groep kan per 1 januari 2003 in de Ioaz instromen.
     Naar aanleiding van de mond- en klauwzeercrisis (MKZ-crisis) heeft het kabinet besloten de Iozv opnieuw open te stellen voor enerzijds veehouders die financieel getroffen zijn door de MKZ-crisis (de MKZ-getroffenen) en anderzijds veehouders met bedrijven die wegens MKZ zijn geruimd (de MKZ-geruimden). Hiertoe is de Iozv gewijzigd (Stcrt. 2000, 140). Tot nu toe hebben 18 veehouders, die financieel zijn getroffen door de MKZ-crisis, een bijdrage in het kader van deze regeling aangevraagd. Laatstgenoemde groep kan per 1 januari 2004 in de Ioaz instromen.

     Overigens staat de intrekking op enig moment van een beschikking tot verlening of vaststelling van de Iozv-bijdrage, omdat een gewezen zelfstandige, mogelijk tijdelijk, niet voldoet aan de in artikel 9 Iozv opgenomen voorwaarden, op zichzelf niet in de weg aan de mogelijkheid om in de Ioaz te kunnen instromen op grond van het onderhavige besluit. Wel dient voor instroming uiteraard te zijn voldaan aan de overige in de Ioaz opgenomen voorwaarden waarvoor geen vrijstelling wordt verleend op grond van het besluit.

 

Vermogensgrens Ioaz


     In de Iozv geldt een vermogensvrijlating die gelijk is aan het bedrag, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Ioaz, vermenigvuldigd met de factor van 1,5. Op het moment van doorstroming naar de Ioaz vindt, zoals reeds is aangegeven in de toelichting op de Iozv, een nieuwe vermogenstoets plaats. Het vermogen waarover de gewezen zelfstandige en zijn echtgenoot onmiddellijk na de beŽindiging van het bedrijf of beroep beschikken, wordt getoetst aan de vermogensvrijlating die ten tijde van de bedrijfsbeŽindiging ingevolge artikel 8 van de Ioaz gold. Een vermogen dat hoger is dan deze vermogensvrijlating zal dus leiden tot korting op de maandelijkse uitkering. Dit kan voor sommige gewezen zelfstandigen betekenen dat de maandelijkse uitkering op grond van de Ioaz lager is dan de maandelijkse uitkering die op grond van de Iozv werd verkregen.

 

FinanciŽle paragraaf


     Van zestien veehouders die Iozv hebben aangevraagd, is de aanvraag afgewezen. Bovendien bestaat de verwachting dat niet alle veehouders die zich voor de Iozv hebben aangemeld het bedrijf daadwerkelijk zullen beŽindigen. Tot heden zijn slechts acht bedrijven daadwerkelijk na beŽindiging van het bedrijf toegelaten tot de Iozv. Daarnaast zal een klein aantal veehouders dat wel in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Iozv niet in aanmerking komen voor een uitkering ingevolge de Ioaz, op grond van onder meer vermogen, leeftijd of inkomsten buiten bedrijf. Dit aantal wordt op vijf personen geschat. De verwachte extra instroom in de Ioaz door deze regeling zal maximaal 37 in 2003 en 14 in 2004 zijn.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1

     Dit artikel verwijst naar een aantal Ioaz-voorwaarden waaraan de gewezen zelfstandigen in de veehouderij, MKZ-geruimden en MKZ-getroffenen vrij zijn gesteld om voor een uitkering krachtens die wet in aanmerking te komen. De normale voorwaarden voor het recht op Ioaz-uitkering zijn dat de aanvraag moet worden ingediend vůůr de beŽindiging van het bedrijf. Uiterlijk binnen anderhalf jaar na het indienen van de aanvraag moeten de ondernemersactiviteiten zijn gestaakt. Daarnaast moet het inkomen van de gewezen zelfstandige duurzaam beneden het in de Ioaz opgenomen bedrag liggen.
     De gewezen zelfstandigen in de veehouderij, MKZ-geruimden en MKZ-getroffenen kunnen niet aan deze in artikel 5, tweede en derde lid, van de Ioaz opgenomen vereisten voldoen. Zij hebben immers in de afgelopen jaren ten laste van de begroting van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een bedrijfsbeŽindigingsuitkering ontvangen en geen bedrijf in de veehouderij meer gevoerd. Wel is vereist dat de betreffende gewezen veehouders, MKZ-geruimden en MKZ-getroffenen in het jaar 2002 (voor wat betreft de veehouders) en het jaar 2003 (voor wat betreft de MKZ-geruimden en MKZ-getroffenen) een bedrijfsbeŽindigingsuitkering hebben ontvangen.

     De toepassing van de Iozv in de veehouderij eindigt met ingang van 1 januari 2003 voor de gewezen zelfstandigen in de veehouderij en met ingang van 1 januari 2004 voor de MKZ-geruimden en MKZ-getroffenen. Teneinde een naadloze overgang van de uitkering krachtens de bedrijfsbeŽindiging op grond van de Iozv naar de Ioaz te bewerkstelligen, is in dit artikel bepaald dat het recht op Ioaz-uitkering niet eerder ontstaat dan met ingang van 1 januari 2003 voor de gewezen zelfstandigen in de veehouderij en met ingang van 1 januari 2004 voor de MKZ-geruimden en de MKZ-getroffenen.

 

Artikel 2

     Dit artikel regelt de inwerkingtreding en het vervallen van het besluit. Het besluit vervalt per 1 januari 2014. Op dat tijdstip is de regeling in materieel opzicht uitgewerkt, omdat zowel de gewezen zelfstandigen in de veehouderij als de MKZ-geruimden en MKZ-getroffenen de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt en om die reden geen aanspraak meer kunnen maken op een uitkering in het kader van de Ioaz. Voor de gewezen zelfstandigen in de veehouderij is de regeling reeds per 1 januari 2013 in materieel opzicht uitgewerkt.

 

Artikel 3

     In de citeertitel, Tijdelijk besluit gewezen zelfstandigen in de veehouderij, wordt de tijdelijkheid van het besluit tot uitdrukking gebracht.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Ioaz | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x