Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet premieregime bij marginale arbeid
Nadere regelgeving
Bijgewerkt
tot en met 31 december 2005

 

BESLUIT  GELEGENHEIDSARBEIDERS  SECTOR  AGRARISCH  BEDRIJF

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2006
(art. 48:2 IWfsv)

 
 

11 april 2000, Stcrt. 2000, 73
Inwerkingtreding: 1 maart 1999
(T.a.v. art. 4:1 PMA)

 

 

 

 
     Het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
     Gelet op artikel 7 Premiebesluit Wachtgeldfonds BV TAB;

     Besluit:

 

Art. 1. CategorieŽn gelegenheidsarbeiders
Op basis van artikel 7 van het Premiebesluit Wachtgeldfonds BV TAB kan in gevallen waarin niet voldaan is aan de in artikel 3 van dit premiebesluit gestelde vereisten niettemin de gereduceerde wachtgeldpremie, genoemd in artikel 3, in rekening gebracht worden indien de omstandigheden naar het oordeel van het bestuur daartoe aanleiding geven. Op de volgende personen is de gereduceerde premie als bedoeld in artikel 3 Premiebesluit Wachtgeldfonds BV TAB van toepassing. Deze personen worden aangeduid met de term "gelegenheidsarbeiders". Gelegenheidsarbeider is de persoon die gerechtigd is in Nederland arbeid in dienstbetrekking te verrichten en die:
a. op 1 januari van het jaar waarin de arbeid in dienstbetrekking wordt verricht, volledig dagonderwijs volgt;
b. bij aanvang van de dienstbetrekking geen uitkeringsgerechtigde is en gedurende een periode van ten minste 31 dagen onmiddellijk voorafgaand aan de ingangsdatum van dat dienstverband geen betaalde arbeid in de sector Agrarisch bedrijf heeft verricht;
c. houder is van een (voorwaardelijke) vergunning tot verblijf (houder van een F1-, F2-, F3-document) of van een W-document. Houders van een F1- of F2- of W-document dienen te beschikken over een tewerkstellingsvergunning. Houders van een F3-document beschikken over een aantekening in hun verblijfsdocument ("arbeid is vrij toegestaan");
d. zelfstandige boer is in die zin dat de persoon primair in zijn levensonderhoud voorziet door arbeid te verrichten als zelfstandige in een onderneming die valt onder de sector Agrarisch bedrijf.
De persoon is werkzaam gedurende maximaal acht weken per werkgever per kalenderjaar.
De gelegenheidsarbeider mag in het kalenderjaar nog niet eerder bij dezelfde werkgever betaalde arbeid hebben verricht. Een uitzondering hierop vormt de situatie waarin de gelegenheidsarbeider de periode van (maximaal) acht weken heeft "opgeknipt" in (maximaal) drie deelperioden.

 

Art. 2. Toepasselijkheid
Dit besluit is uitsluitend van toepassing op de dienstbetrekking in bedrijven binnen de sector Agrarisch bedrijf als bedoeld in de Regeling indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren (Stcrt. 1997, 41). Het besluit is specifiek van toepassing op takken van bedrijf en beroep met piekperioden en de daaraan gerelateerde personeelsproblematiek.

 

Art. 3. Citeertitel
Dit besluit kan worden aangehaald onder de titel: Gelegenheidsarbeiders sector Agrarisch bedrijf.

 

Art. 4. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 1999.

 

 

     Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Amsterdam, 11 april 2000.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

TOELICHTING
[11 april 200]

 

Algemeen

 

     Per 1 maart 1999 heeft het Lisv [Landelijk instituut sociale verzekeringen, zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.] het aanwijzingsbesluit categorieŽn Wet premieregime bij marginale arbeid (Stcrt. 14 mei 1997) ingetrokken.
     In dit aanwijzingsbesluit worden verschillende categorieŽn personen binnen de agrarische sector aangewezen (scholieren/studenten en huisvrouwen/-mannen) die - naast uitkeringsgerechtigden - van de PMA-regeling gebruik kunnen maken. Op grond van de PMA kunnen werkgever en uitkeringsgerechtigde in aanmerking komen voor premievrijstelling bij het verrichten van arbeid van zeer korte duur.
     Op grond van artikel 3 van het Premiebesluit Wachtgeldfonds BV TAB [BV TAB: Bedrijfsvereniging voor de Tabaksverwerkende en Agrarische Bedrijven, red.] is voor de werknemer met een vast dienstverband in bepaalde gevallen de gereduceerde wachtgeldpremie van toepassing. Het Lisv heeft besloten dit premiebesluit als sectorspecifiek aan te merken en te handhaven (Stcrt. 4 februari 1998).
     In artikel 7 van het Premiebesluit Wachtgeldfonds BV TAB is de mogelijkheid geschapen om andere categorieŽn aan te wijzen indien de omstandigheden naar het oordeel van het bestuur daartoe aanleiding geven. Dit besluit voorziet in aanwijzing van deze categorieŽn.
     Daarmee beoogt dit besluit op een duurzame wijze tegemoet te komen aan de personeelsproblematiek in de agrarische sector. Met name in piekperioden ondervindt deze sector moeilijkheden bij het vinden van voldoende tijdelijke arbeidskrachten.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1. CategorieŽn gelegenheidsarbeiders

     De mogelijkheid voor gereduceerde wachtgeldpremie wordt geopend voor vier categorieŽn: zij die volledig dagonderwijs volgen (scholieren en studenten), zij die niet zijn aangewezen op inkomen uit een regulier dienstverband en ook geen uitkeringsgerechtigde zijn (onder meer huisvrouwen en -mannen), zij die houder zijn van een (voorwaardelijke) vergunning tot verblijf of een W-document (asielzoekers) en zij die primair in hun levensonderhoud voorzien door arbeid te verrichten als zelfstandige in een onderneming die valt onder de sector Agrarisch bedrijf conform de Regeling indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren (zelfstandige boeren).
     Voor toepassing van de gereduceerde wachtgeldpremie zal de werkgever in de agrarische sector met de voornoemde personen een dienstverband moeten aangaan. Aangesloten wordt bij het werknemersbegrip, als bedoeld in artikel 3 van de werknemersverzekeringswetten. Uitsluitend personen die bevoegd zijn in Nederland werkzaamheden te verrichten, vallen onder de reikwijdte van dit besluit. De persoon is op grond van dit besluit werkzaam gedurende maximaal acht weken per werkgever per kalenderjaar. De gelegenheidsarbeider mag in het kalenderjaar nog niet eerder bij die werkgever betaalde arbeid hebben verricht. Een uitzondering hierop vormt de situatie waarin de gelegenheidsarbeider de periode van (maximaal) acht weken heeft "opgeknipt" in (maximaal) drie deelperioden.


Onderdeel a

     Het betreft hier feitelijk de categorie scholieren/studenten. Ten aanzien van de vaststelling van de "student- of scholierstatus" wordt een fictie gehanteerd. Voorwaarde is hier dat een volledige dagopleiding gevolgd wordt op 1 januari van het jaar waarin de arbeid wordt verricht. Veelal zal de status van scholier of student aan een Nederlandse dagopleiding eenvoudig vast te stellen zijn. Voor de nadere definitie van het begrip student of scholier aan een buitenlandse instelling kan de wetgeving van het desbetreffende land maatgevend zijn.


Onderdeel b

     Deze categorie ziet onder meer op de zogenaamde "huisvrouw" of "huisman". Bij de afbakening van deze begrippen is de inkomenspositie van belang. De gelegenheidsarbeider is bij aanvang van de dienstbetrekking geen uitkeringsgerechtigde en heeft gedurende een periode van ten minste 31 dagen voorafgaand aan de ingangsdatum van dat dienstverband geen betaalde arbeid in de agrarische sector verricht. Met uitkeringsgerechtigde wordt bedoeld de persoon die een WW-, ZW-, WAO-, WAZ-, Wajong-, TW-, Abw-, Ioaw- of Ioaz-uitkering ontvangt dan wel een soortgelijke uitkering uit het buitenland. Om te beoordelen of er sprake is van een soortgelijke uitkering zal naar de wetgeving van het desbetreffende land moeten worden gekeken.


Onderdeel c

     Het betreft hier feitelijk de categorie VVTV-ers [houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, red.] en asielzoekers.
     Voor houders van een F1- of F2-document is in paragraaf 22 van het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wet arbeid vreemdelingen (Stcrt. 1995, 168; laatstelijk gewijzigd bij ministeriŽle regeling van 1 september 1998 (Stcrt. 1998, 166) voorzien in de mogelijkheid dat deze vreemdelingen onder bepaalde voorwaarden kortdurende werkzaamheden (doorgaans oogstwerkzaamheden) kunnen verrichten. De duur van de (maximale) werkzame periode is conform de bepalingen in de Wet arbeid vreemdelingen, met inachtneming van de (maximale) werkzame periode van acht weken per werkgever per kalenderjaar.
     Bij de aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning voor houders van een F1- of F2-document dient een verklaring van de gemeente te worden gevoegd, inhoudende dat de in de vergunningaanvraag bedoelde vreemdeling een VVTV-er is die onder de zorgplicht van de gemeente valt.
     Met de Regeling van 1 september 1998 (de wijziging van het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wet arbeid vreemdelingen) (Stcrt. 1998, 166) is op houders van een W-document die al langere tijd rechtmatig in Nederland verblijven, met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt eenzelfde regime van toepassing als voor houders van een F1- of F2-document.
     Voor de tewerkstelling van houders van een W-document - die naar verwacht mag worden via de opvangcentra voor asielzoekers geworven zullen worden - dient, wil aan de voorwaarden van artikel 22 van het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wet arbeid vreemdelingen voldaan te worden, een verklaring van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) overgelegd te worden. De werkgever kan deze verklaring vervolgens bij de aanvraag van een tewerkstellingsvergunning voegen. Het Centraal Bureau Arbeidsvoorziening [zie Centrale organisatie werk en inkomen, red.] beoordeelt de aanvraag en geeft eventueel de tewerkstellingsvergunning af.
     Houders van een F3-document beschikken over een aantekening in hun verblijfsdocument en hebben derhalve geen tewerkstellingsvergunning nodig.


Onderdeel d

     Deze categorie ziet op de zogenaamde "zelfstandige boer". Het betreft hier feitelijk boeren die in de sector Agrarisch bedrijf in het algemeen als zelfstandige werkzaam zijn, maar als gelegenheidsarbeider in dienstbetrekking werkzaam zijn.

 

Artikel 2. Toepasselijkheid

     Om elk misverstand over de reikwijdte van dit aanwijzingsbesluit te voorkomen, wordt hier nadrukkelijk een afbakening aangebracht naar de sector Agrarisch bedrijf als bedoeld in de Regeling indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren (Stcrt. 1997, 41). Het besluit is specifiek van toepassing op takken van bedrijf en beroep met piekperioden. De volgende takken van bedrijf en beroep hebben te maken met personeelsproblematiek in piekperioden en vallen derhalve onder de reikwijdte van de regeling: akker- en weidebouw (inbegrepen de vlasteelt); veehouderij en pluimveehouderij; tuinbouw (groenteteelt, fruitteelt, bloembollen, boomkwekerij, bloemisterij, tuinbouwzaadteelt en kruidenteelt); hoveniersbedrijf; agrarische loonondernemingen.
     Binnen de vermelde takken van bedrijf en beroep met personeelsproblematiek in piekperioden is het besluit in de deelsectoren glastuinbouw, landbouw, fruitteelt, aspergeteelt en agrarische loonondernemingen specifiek van toepassing in de volgende gevallen. In de glastuinbouw en landbouw is beoogd tijdens reguliere schoolvakanties scholieren en studenten in te kunnen schakelen. Met piekperioden wordt in de fruitteelt en aspergeteelt gedoeld op oogstperioden. Tevens is beoogd in het voor- en najaar zelfstandige boeren in te kunnen schakelen in agrarische loonondernemingen.

 

Artikel 3. Citeertitel

     Dit artikel regelt de citeertitel van het besluit.

 

Artikel 4. Inwerkingtreding

     Dit besluit zal in werking treden met ingang van 1 maart 1999.

 

Amsterdam, 11 april 2000.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | PMA | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x