Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 28 december 2005

 

BESLUIT  STARTERSKREDIET  ARBEIDSGEHANDICAPTEN

Vervallen
m.i.v. 29 december 2005
(art. 2.10 IWIA jo. Besluit van 13 december 2005, Stb. 2005, 659)

 
 

27 juli 1998, Stb. 1998, 489
Inwerkingtreding: 12 augustus 1998
(T.a.v. art. 30 Wet Rea)

 

 

 

 
BESLUIT van 27 juli 1998 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, houdende regels ter bevordering van de start van een arbeidsgehandicapte als zelfstandig ondernemer (Besluit starterskrediet arbeidsgehandicapten)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 juli 1998, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV/98/2588;
     Gelet op artikel 30 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;
     De Raad van State gehoord (advies van 16 juli 1998, nr. W12.98 0290);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 juli 1998, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV/98/3163;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Art. 1. Begripsbepalingen
-1. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
-2. arbeidsgehandicapte: een arbeidsgehandicapte als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.

 

Art. 2. Lening of borgtocht
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan op aanvraag van een arbeidsgehandicapte ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal een lening van ten hoogste Ä|30 668,00 verstrekken of borgtocht voor ten hoogste Ä|30 668,00 verlenen, indien:
a. de arbeidsmarktpositie van de arbeidsgehandicapte daartoe aanleiding geeft;
b. de arbeidsgehandicapte de persoonlijke vaardigheden heeft die noodzakelijk zijn om als zelfstandig ondernemer te kunnen werken;
c. de arbeidsgehandicapte voldoende vakbekwaam is om als zelfstandig ondernemer te kunnen werken; en
d. de arbeidsgehandicapte een bedrijfsplan heeft ingediend dat is voorzien van een winstprognose aan de hand waarvan de haalbaarheid en de levensvatbaarheid van de op te richten onderneming kan worden beoordeeld.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt geen lening of borgtocht aan de arbeidsgehandicapte als bedoeld in het eerste lid, indien:
a. de arbeidsgehandicapte surseance van betaling heeft aangevraagd;
b. de arbeidsgehandicapte failliet is verklaard en het faillissement voortduurt; of
c. er ten aanzien van het faillissement van de arbeidsgehandicapte geen schuldsanering heeft plaatsgevonden.

 

Art. 3. Aanvraagprocedure
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vraagt, alvorens een besluit te nemen, advies inzake een aanvraag als bedoeld in artikel 2 aan een daartoe geŽquipeerde adviesinstelling.
-2. In het advies als bedoeld in het eerste lid zijn in elk geval opgenomen:
a. een oordeel over het realiteitsgehalte van de vooronderstellingen in het bedrijfsplan, bedoeld in artikel 2, omtrent de kostprijs en het te verwachten bedrijfsresultaat;
b. een oordeel over de slagingskansen van de op te richten onderneming met het oog op de ontwikkelingen in de desbetreffende markt; en
c. een prognose over het aantal uren dat de aanvrager werkzaam moet zijn om de doelstellingen in het bedrijfsplan, bedoeld in artikel 2, te kunnen realiseren.

 

Art. 4. Begeleidingsplan
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt een begeleidingsplan op ter begeleiding van de arbeidsgehandicapte aan wie door dit instituut een lening wordt verstrekt of voor wie door dit instituut een borgtocht wordt verleend.
-2. Het begeleidingsplan, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste:
a. een inventarisatie van de behoefte aan opleiding van de desbetreffende arbeidsgehandicapte;
b. een beschrijving van de wijze waarop en de mate waarin de arbeidsgehandicapte door deskundigen uit de desbetreffende branche begeleid zal worden;
c. de wijze waarop aan de arbeidsgehandicapte administratieve assistentie zal worden verleend; en
d. de wijze waarop de bedrijfsadministratie van de arbeidsgehandicapte zal worden ingericht.

 

Art. 5. Richtlijnen Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen [Rsa]
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt beleidsregels vast ter beoordeling van de aanvragen, bedoeld in de artikelen 2 en 3. Deze beleidsregels betreffen in elk geval de volgende onderwerpen:
a. de medische en arbeidskundige rapportage met betrekking tot de arbeidsgehandicapte;
b. het door de aanvrager in te dienen bedrijfsplan;
c. de hoogte van de borgtocht of de rentedragende lening;
d. de persoonlijke vaardigheden van de arbeidsgehandicapte;
e. de vakbekwaamheid van de arbeidsgehandicapte;
f. de invordering en terugvordering van de verstrekte leningen; en
g. kwijtschelding van verstrekte rentedragende leningen.

 

Art. 6. Bedrijfsplan
Het in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, bedoelde bedrijfsplan bevat ten minste de volgende elementen:
a. een aanduiding van het product of de dienst van het bedrijf;
b. een overzicht van de activiteiten die nodig zijn om deze dienst of dit product te maken;
c. een schatting van de kostprijs van het product;
d. een inschatting van de winstmarge;
e. een schatting van de opbrengst;
f. een marketingplan;
g. een overzicht van de kansen en bedreigingen en een beschrijving van de marktsituatie;
h. een overzicht van de investeringen die noodzakelijk zijn om het product of de dienst te kunnen voortbrengen;
i. een overzicht van de inkomsten gedurende de eerste jaren;
j. een overzicht van de financiŽle middelen welke door de betrokkene zelf kunnen worden aangewend voor het bedrijf;
k. verschaffen van inzicht in de externe financieringsbehoefte;
l. externe advisering over de haalbaarheid van het plan.

 

Art. 6a. Indexering kredietplafond
Indien de ontwikkeling van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft, maakt Onze Minister een wijziging van het bedrag, genoemd in artikel 2, tijdig vůůr de aanvang van een kalenderjaar bekend.

 

Art. 7. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

 

Art. 8. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit starterskrediet arbeidsgehandicapten.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

Tavarnelle, 27 juli 1998

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave

 

Uitgegeven de elfde augustus 1998
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[27 juli 1998]

 

Algemeen

 

Aanleiding


     In de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) is een algemene maatregel van bestuur aangekondigd die beoogt een eenduidig beleid te ontwikkelen ten aanzien van kredietverlening aan arbeidsgehandicapte cliŽnten van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.] in de zin van de Wet Rea die als zelfstandige willen starten. De uitvoering van dit besluit vindt plaats onder verantwoordelijkheid van het Lisv. De feitelijke uitvoering van de werkzaamheden vindt plaats door de uitvoeringsinstellingen (uviís), onder verantwoordelijkheid van het Lisv. Op grond van artikel 41, eerste lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (Osv 1997) [zie hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI), red.] laat het Lisv alle werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van zijn besluiten, door middel van mandatering, uitvoeren door erkende uviís. De keuze om een afzonderlijke regeling voor arbeidsgehandicapte Lisv-cliŽnten in het leven te roepen, komt voort uit de analyse van de in de praktijk gesignaleerde problemen met de toepassing van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) en artikel 57 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) ten aanzien van arbeidsgehandicapte uitkeringsgerechtigden die opteerden voor het starten van een eigen bedrijf.
     Zoals hieronder nader is uiteengezet, is gebleken dat, ondanks een beroep op de uitvoerende instanties om genoemde regelingen vaker toe te passen, het aantal personen met een arbeidshandicap dat daadwerkelijk gebruik maakt van ťťn van beide regelingen zeer beperkt is.
     De regering is daarom van mening dat nieuwe beleidsinitiatieven noodzakelijk zijn om het starten van een eigen bedrijf door arbeidsgehandicapte Lisv-cliŽnten in de zin van de Wet Rea te faciliteren, teneinde hen langs deze weg meer mogelijkheden te bieden op verwerving van een eigen inkomen.
     Afhankelijk van de specifieke handicap kan het starten van een eigen bedrijf in het bijzonder voor arbeidsgehandicapten soms meer reÔntegratiemogelijkheden bieden dan pogingen tot reÔntegratie in loondienst, omdat betrokkene daarmee zijn eigen werkzaamheden kan inrichten en afstemmen op de eigen mogelijkheden. Om deze reÔntegratiekansen zo optimaal mogelijk te kunnen benutten, dient voor arbeidsgehandicapten die opteren voor het starten van een eigen bedrijf een integraal voorzieningenpakket beschikbaar te zijn. Hiermee kunnen de benodigde faciliteiten worden geboden, zowel in de werksfeer alsook in de sfeer van voorzieningen en opleidingen. Daarnaast is het van belang dat een integrale afweging gemaakt kan worden ten aanzien van de haalbaarheid van het initiatief van betrokkene. Daarbij dienen naast bedrijfseconomische elementen ook de arbeidsmogelijkheden (belastbaarheid, prognose ten aanzien van de ontwikkeling van de arbeidshandicap) te worden betrokken.

     De betrokken startende zelfstandige dient zich te realiseren dat, al naar gelang de ontwikkeling van zijn inkomsten, op termijn mogelijk de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wordt verlaagd. Dit zal zich overigens alleen voordoen indien die inkomsten de in het kader van de WAO-beoordeling vastgestelde "resterende verdiencapaciteit" overschrijden. Zijn de inkomsten lager dan de resterende verdiencapaciteit, dan kan een inkomenssuppletie plaatsvinden op basis van de nadere regels gebaseerd op artikel 29 Wet Rea.
     Indien betrokkene (naast zijn eventuele WAO-uitkering ook) recht heeft op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), leidt het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige in beginsel tot beŽindiging van het WW-recht voor het aantal uren waarin deze werkzaamheden worden verricht. Daarbij is niet van belang of betrokkene met dat werk ook inkomsten genereert.
     Wel kan het WW-recht gedurende de eerste drie maanden (eventueel te verlengen tot zes) in stand blijven, zolang betrokkene nog in een oriŽntatiefase zit.
     Indien het recht op WW-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt beŽindigd in verband met het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige, kan op basis van artikel 8, tweede lid, juncto artikel 21, eerste lid, WW het recht op WW-uitkering slechts dan herleven indien de werkzaamheden binnen anderhalf jaar na aanvang geheel worden beŽindigd.
     Voor de goede orde zij vermeld dat er natuurlijk alleen sprake kan zijn van herleving indien de betrokkene ten tijde van de bedrijfsbeŽindiging nog niet de maximale volledige uitkeringsduur WW-uitkering had genoten.

     Zoals hierboven vermeld, berust de keuze voor een afzonderlijke regeling voor arbeidsgehandicapte Lisv-cliŽnten op de met de bestaande regelingen ervaren problemen.
     Reeds in vervolg op de invoering van de Wet afschaffing malus en bevordering reÔntegratie (Wet Amber) heb ik in mijn brief van 2 september 1996 aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Lisv de relatie tussen het Bbz en de startersvoorziening op grond van artikel 57 AAW nader toegelicht en de lijnen aangegeven waarlangs de uitvoering zou moeten plaatsvinden.
     Daarbij heb ik aangedrongen op intensivering van de inzet van voorzieningen voor aspirantstarters. Uit de reactie van het Lisv kwam naar voren dat nog slechts in een beperkt aantal gevallen mensen met een arbeidshandicap langs de weg van het starten van een eigen bedrijf uit de uitkering trachten te geraken. Voorts kondigde het Lisv zijn voornemen aan om in overleg te treden met de VNG over de verbetering van de uitvoering van het startersbeleid. Tevens kwam naar voren dat een belangrijk knelpunt is gelegen in de langdurige procedure van beoordeling; allereerst de beoordeling voor welke regeling betrokkene in aanmerking komt en de daarmee gepaarde doorverwijzing naar de gemeente en, bij een negatieve beslissing, terugverwijzing naar de betrokken uvi. Voorts werd in de uitvoeringspraktijk het uitgangspunt gehanteerd dat wanneer betrokkene in loondienst zou kunnen werken het starten van een bedrijf niet meer aan de orde zou zijn.

     In de praktijk betekende dit dat alleen volledig arbeidsongeschikten in aanmerking konden komen voor een starterskrediet op grond van artikel 57 AAW, omdat gedeeltelijk arbeidsongeschikten wel in loondienst zouden kunnen werken. Voor zover gedeeltelijk arbeidsgeschikten werden doorverwezen naar de gemeente voor een starterskrediet op grond van het Bbz, leidde dit veelal tot afwijzing, onder meer op grond van de inkomenstoets. Hieruit bleek dat door de uitvoeringsinstanties nog onvoldoende werd onderkend dat het starten van een eigen bedrijf voor specifieke categorieŽn uitkeringsgerechtigden soms een meer adequate weg is om weer in het eigen inkomen te kunnen voorzien. Ook uit de evaluatie van het Bbz is gebleken dat begeleiding van starters in het algemeen aanzienlijk kan worden verbeterd. Met betrekking tot AAW/WAO-verzekerden bleek tevens dat zowel voor de uitvoeringsinstanties als voor de betrokken starter niet duidelijk was op welke regeling een beroep kon worden gedaan.

 

Doelstelling


     Met deze algemene maatregel van bestuur wordt beoogd het starten van een eigen bedrijf door arbeidsgehandicapte Lisv-cliŽnten te bevorderen, waarbij is gestreefd zowel naar een heldere afbakening van de doelgroep die voor de voorziening in aanmerking kan komen als naar verkorting van de besluitvormingsprocedures en verbetering van de begeleiding van starters en stroomlijning van de beoordelingscriteria door de uviís en het Lisv. Overwogen is om te volstaan met een verwijzing naar de mogelijkheden tot kredietverstrekking en borgstelling door het ministerie van Economische Zaken (EZ) voor aspirant-starters. Weliswaar zou op deze wijze een goede bedrijfseconomische afweging worden gemaakt bij de kredietverstrekking of borgstelling, maar de specifieke afwegingen samenhangend met de aard van de arbeidshandicap en beschikbare oplossingen op arbeidskundig terrein zouden onvoldoende naar voren komen. Daarom heeft de regering ervoor gekozen een afzonderlijke regeling met betrekking tot borgstelling en kredietverstrekking voor deze doelgroep in het leven te roepen teneinde meer garanties te scheppen voor een integrale afweging. Deze keuze wordt hieronder nader toegelicht

 

Inhoud van de regeling


     In dit besluit zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van:
a. de doelgroep die voor een starterskrediet en borgstelling in aanmerking kan komen;
b. de voorwaarden waaraan betrokkene moet voldoen;
c. de verantwoordelijkheid van de uitvoering, aanvraagprocedure en begeleidingsplan;
d. de hoogte van het krediet.

 

Ad a. Doelgroep


     De doelgroep van de Wet Rea vormt het kader voor de afbakening van de doelgroep van de regeling.
     Hiermee wordt de groep die in aanmerking kan komen voor een starterskrediet aanmerkelijk uitgebreid. Ook zij die een gedeeltelijke WAO-uitkering ontvangen, al dan niet in combinatie met een WW-uitkering, komen in beginsel in aanmerking voor de regeling. Ook degenen die uitsluitend een WW-uitkering ontvangen maar tot de doelgroep van de Wet Rea behoren, komen in aanmerking.

     In de artikelen 2 en 10 van de Wet Rea is de afbakening van de doelgroep van deze regeling neergelegd. Voor een deel van de doelgroep, bijvoorbeeld degenen die minder dan 15%-25% arbeidsongeschikt zijn verklaard en WW-uitkeringsgerechtigd zijn, is een beoordeling van de aanwezigheid van een arbeidshandicap noodzakelijk om te kunnen vaststellen of betrokkene tot de doelgroep behoort. In dit verband zij verwezen naar artikel 3 van de Wet Rea.

     Tot op heden waren aspirant-starters die minder dan 80-100% arbeidsongeschikt waren en een (gedeeltelijke) WAO-uitkering ontvangen met een inkomen lager dan de bijstandsnorm of een inkomen dat dreigt lager te worden dan die norm, aangewezen op het Bbz. De Wet Rea brengt arbeidsgehandicapten uit deze categorie eveneens onder de doelgroep van de onderhavige regeling.

     Die arbeidsgehandicapten die uitsluitend een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) ontvangen, zijn en blijven aangewezen op het Bbz. Daartoe dient de gemeente te beoordelen of betrokkene in aanmerking komt voor de voorzieningen van het Bbz. Indien daarnaast voorzieningen nodig zijn in verband met de arbeidshandicap dient de gemeente dat te beoordelen in het kader van haar verantwoordelijkheid voor het werkfonds Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw). Met bovenstaande wordt aangesloten bij de verantwoordelijkheidsverdeling, neergelegd in de Wet Rea.

 

Ad b. Voorwaarden voor de voorziening


     In beginsel kan elke arbeidsgehandicapte werkzoekende die onder de reÔntegratieverantwoordelijkheid van het Lisv valt in aanmerking komen voor kredietverlening of borgstelling.
     Wanneer voor betrokkene een functie in loondienst voorhanden is, komt de vraag naar de startersfaciliteit in beginsel niet aan de orde. In uitzonderingsgevallen kan het echter zo zijn dat de perspectieven van betrokkene op duurzame reÔntegratie in loondienst beperkt zijn. Afhankelijk van de arbeidshandicap en de reÔntegratiemogelijkheden in loondienst kan beoordeeld worden of het starten van een eigen bedrijf een reŽel alternatief is.

     Afhankelijk van de aard van de arbeidshandicap en de ervaring en vaardigheden van de betrokkene dient bij de beoordeling van een aanvraag een afweging gemaakt te worden ten aanzien van de kansen op reÔntegratie via het zoeken van een andere dienstbetrekking of via het starten van een eigen bedrijf. Wanneer het starten van een eigen bedrijf een beter perspectief biedt op een mogelijkheid om duurzaam in het eigen inkomen te kunnen voorzien, dan dient de mogelijkheid van kredietverstrekking te worden onderzocht.

     In de praktijk werden er door de voormalige bedrijfsverenigingen stringente voorwaarden gehanteerd bij de beoordeling van een aanvraag voor een voorziening, i.c. een starterskrediet. Ook hier hadden de bedrijfsverenigingen een eigen beleid ontwikkeld, met uiteenlopende uitkomsten.
     Gezien de wenselijkheid van uniforme en eenduidige criteria voor de beoordeling van aanvragen voor borgstelling en kredieten is de regering van mening dat deze voorwaarden door middel van een algemene maatregel van bestuur moeten worden geregeld. Wat betreft de voorwaarden kan een onderscheid gemaakt worden in een aantal persoonsgebonden criteria en een aantal bedrijfsgerelateerde criteria.


Persoonsgebonden criteria

1. Doelgroep: de persoon behoort tot de doelgroep van de Wet Rea.
2. Inkomen: wat het inkomen betreft staat de regering voor de keus om al dan niet een inkomensgrens te hanteren bij de beoordeling van kredietaanvragen. Betoogd zou kunnen worden dat degenen met een hoog inkomen in staat moeten worden geacht om zelf hun bedrijfsactiviteiten te financieren en dat de uviís hierin geen rol te vervullen hebben. Daar staat echter tegenover dat de arbeidshandicap vaak een barriŤre vormt voor banken om een krediet te verstrekken. Daar doet de hoogte van het inkomen van betrokkenen niets aan af. Daarom ligt het niet voor de hand een inkomenstoets te hanteren bij de kredietbeoordeling. Vanuit de schadelastbeperking is het eveneens wenselijk dat het maximale wordt gedaan om betrokkene zo kort mogelijk van een uitkering afhankelijk te laten zijn.
3. Kwalificatie: het starten van een bedrijf is niet voor iedereen weggelegd. Men dient over de vaardigheden te beschikken die door aanwending tot eigen verdiensten kunnen leiden. Hierbij gaat het niet alleen over vakbekwaamheid, maar ook over het vermogen om op eigen kracht activiteiten op te zetten. Persoonlijke vaardigheden zijn daarbij onontbeerlijk. In een aantal situaties zullen deze vaardigheden de arbeidsongeschiktheid moeten compenseren.
4. Oordeel omtrent arbeidshandicap, belastbaarheid en bedrijfsactiviteiten: de vraag of iemand beschikt over voldoende vakbekwaamheid en algemene vaardigheden om een bedrijf op te starten kan niet los worden gezien van de beperkingen die de arbeidshandicap met zich meebrengt bij de uitoefening van het bedrijf. De arbeidsdeskundige zal een beeld moeten schetsen van hetgeen betrokkene wel en niet kan en hoe eventuele beperkingen de kansen op het welslagen van het bedrijf zullen beÔnvloeden.
5. Potentieel van betrokkene: op basis van de algemene vakbekwaamheid en de algemene vaardigheden in combinatie met de beperkingen als gevolg van de handicap zal door de arbeidsdeskundige, eventueel geadviseerd door maatwerkorganisaties, een inschatting moeten worden gemaakt van het potentieel van betrokkene.


Bedrijfsgerelateerde voorwaarden

1. Haalbaarheid: aan de hand van een bedrijfsplan zal de haalbaarheid van de oprichting van een levensvatbaar bedrijf door het Lisv moeten worden getoetst.
2. Winstprognose: op basis van het haalbaarheidsonderzoek moet door de arbeidsgehandicapte een winstprognose worden opgesteld.
3. Beslissing van een particuliere bankinstelling: de beslissing van een bank om geen krediet te verlenen, dient te worden bezien op de motivering. Indien een bank om bedrijfseconomische redenen niet tot kredietverstrekking over wil gaan, moeten er andere dringende redenen zijn voor de uvi om een verzoek tot kredietverlening alsnog in behandeling te nemen.

 

Ad c. Verantwoordelijkheidstoedeling en uitvoering


     Zoals in het voorgaande uiteengezet, kiest de regering ervoor om de beoordeling van kredietaanvragen en de kredietverstrekking aan het Lisv/uviís op te dragen, teneinde een integrale afweging van bedrijfseconomische en arbeidskundige aspecten zeker te stellen.
     De uvi beoordeelt of de arbeidsgehandicapte die zich aanmeldt als aspirant-starter zich daarvoor allereerst tot een particuliere bankinstelling moet wenden. Indien op voorhand de kans van kredietverstrekking door de particuliere sector als miniem wordt ingeschat, neemt de betrokken uvi zelf de aanvraag voor een starterskrediet in behandeling. In dat geval dient het Lisv zich, waar het de bedrijfseconomische aspecten van de beoordeling betreft, te laten adviseren door het Instituut voor het Midden en Kleinbedrijf (IMK) en AVO-Nederland [AVO: Arbeid Voor Onvolwaardigen, Vereniging voor arbeid en welzijn voor mensen met een handicap, nadien Algemene Nederlandse Gehandicapten Organisatie (ANGO), red.]. Voor de beoordeling van die elementen die betrekking hebben op de persoonlijke kwaliteiten, vaardigheden, belastbaarheid etc. is het Lisv/de uvi het beste toegerust.


Behandeling van de aanvraag

     Bij de beoordeling van verzoeken voor een startersvoorziening stelt het Lisv regels om nadere invulling te geven aan de in deze algemene maatregel van bestuur opgenomen bepalingen, zodat deze in de praktijk door de uvi ís kunnen worden gehanteerd.

     De aanvraagprocedure: De arbeidsgehandicapte dient zelf een aanvraag in te dienen voor een startersvoorziening. Uitgangspunt daarbij is dat de aanvraag dient te worden gericht aan de instantie van wie hij een uitkering of voorziening ontvangt, in casu de betrokken uvi voor de werknemersverzekeringen. De aanvrager ontvangt richtlijnen omtrent het in te dienen bedrijfsplan en krijgt zo nodig assistentie bij het opstellen daarvan. Indien naar het oordeel van de uvi de aspirant-starter niet volledig in staat is om te voldoen aan de vereisten voor de aanvraag (opstellen van bedrijfsplan en winstprognose), maar verwacht mag worden dat het bedrijf zeker levensvatbaar zal zijn, dan kan ook tijdens de aanvraagprocedure door betrokkene advies bij derden worden gevraagd. Het Lisv kan daartoe reeds tijdens de aanvraagprocedure financiŽle middelen inzetten. Uiteraard moet dan zijn vastgesteld dat de arbeidshandicap geen dusdanige belemmering vormt dat betrokkene als gevolg daarvan zijn bedrijf niet zou kunnen uitoefenen.
     De door het Lisv op te stellen richtlijnen dienen de volgende elementen te bevatten:
- Een medisch-arbeidskundige rapportage. Deze rapportage vindt haar basis in de op grond van het Functie-informatiesysteem (FIS) geduide functies. Daarbij wordt enerzijds gekeken naar de vaardigheden waarover betrokkene beschikt en anderzijds naar de vaardigheden waarover betrokkene dient te beschikken bij de uitoefening van zijn werkzaamheden in het bedrijf. Indien mocht blijken dat betrokkene niet alle activiteiten zelf kan ondernemen maar dat hij daarbij enige hulp moet hebben, dan wordt hiervan melding gemaakt in de rapportage. Zo nodig kan in deze lacune door middel van aanvullende voorzieningen op basis van artikel 22 Wet Rea worden voorzien.
- Een bedrijfsplan. Dit plan wordt opgesteld door de betrokkene en bevat de volgende elementen:
a. een aanduiding van het product of de dienst van het bedrijf;
b. een overzicht van activiteiten die nodig zijn om deze dienst of dit product te maken;
c. een schatting van de kostprijs van het product;
d. een inschatting van de winstmarge;
e. een schatting van de opbrengst;
f. een marketingplan;
g. een overzicht van kansen en bedreigingen en een beschrijving van de marktsituatie;
h. een overzicht van investeringen die noodzakelijk zijn om het product of de dienst te kunnen voortbrengen;
i. een overzicht van inkomsten gedurende de eerste jaren;
j. een overzicht van financiŽle middelen welke door de betrokkene zelf kunnen worden aangewend voor het bedrijf;
k. verschaffen van inzicht in de externe financieringsbehoefte;
l. externe advisering over de haalbaarheid van het plan.

     Het Lisv dient, alvorens een beslissing te nemen over de aanvraag voor een starterskrediet, een advies in te winnen van een erkende adviesinstelling op dit terrein zoals het IMK of AVO-Nederland. In dit advies dient aandacht te worden besteed aan de volgende elementen:
- Zijn de aannames van betrokkene ten aanzien van winstprognose en het verwachte inkomen realistisch?
- Heeft het bedrijf gelet op de ontwikkelingen in de markt kans van slagen?
- Hoeveel uren moet betrokkene naar schatting werkzaam zijn om de gestelde doelen te kunnen halen?


Regeling met betrekking tot de te treffen voorziening borgtocht of rentedragende lening

     Het Lisv stelt richtlijnen op ten aanzien van de hoogte van de borgstelling of rentedragende lening waarbij een maximum geldt van É60 000,-.
     Het Lisv stelt richtlijnen op ten aanzien van de wijze van terugbetaling en de termijn waarbinnen dit dient te geschieden alsmede ten aanzien van eventuele kwijtschelding. Daarbij moet aansluiting worden gezocht bij hetgeen in de marktsector gebruikelijk is en bij het Bbz. Daarbij kan worden bepaald dat bij de termijn van terugbetaling rekening kan worden gehouden met het te verwachten rendement van het bedrijf. Is dit gedurende de eerste jaren laag maar stijgt het daarna gestaag, dan kan het terugbetalingsritme hieraan worden aangepast. Tevens dient het terugbetalingsplan een noodscenario te bevatten. Hierin dient te worden verhelderd wat er gebeurt als het bedrijf strandt als gevolg van een toename van de arbeidsongeschiktheid en wanneer er sprake is van stranden als gevolg van tegenvallende bedrijfsresultaten. Wat het eerste betreft, is voorstelbaar dat de uvi een zekere mate van coulance in verband met verslechterd ziektebeeld aan de dag legt.


Begeleidingsplan

     Uit de evaluatie van het Bbz, waarin de voorziening voor AAW/WAO-ers is meegenomen, kwam naar voren dat de begeleiding aanmerkelijk zou kunnen worden verbeterd. Derhalve is het gewenst dat door de uvi een begeleidingsplan wordt opgesteld dat de volgende elementen dient te bevatten:
- het in kaart brengen van de opleidingsbehoefte;
- coaching/begeleiding door deskundigen uit de branche;
- assistentie bij het doorlopen van administratieve procedures, zoals aanvraag Kamer van Koophandel, invullen van formulieren voor de fiscus;
- het opzetten van een boekhouding;
- het opstellen van een marketingplan.
     De begeleiding van de starter kan ter hand worden genomen door de uvi zelf dan wel worden uitbesteed aan derden.

 

Ad d. Hoogte van het krediet


     Wat de hoogte van het krediet en de borgstelling betreft, lijkt het met het oog op een zoveel mogelijk uniforme uitvoering wenselijk om een maximumkredietbedrag vast te leggen in de algemene maatregel van bestuur. In de bestaande praktijk ontwikkelde elke uvi op dit punt een eigen beleid. Zo werd bij het Gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan (GUO) [zie Gezamenlijk Uitvoeringsorgaan, red.] een maximum van É100 000,- gehanteerd. Het Bbz kent thans een maximum van É42 000,- en het voornemen is dit maximum te verhogen tot É60 000,-.
     Ingevolge de Uitvoeringsregeling besluit borgstelling MKB-kredieten van 11 december 1997 (Stcrt. 1997, 242) van het ministerie van EZ kunnen kredieten van É100 000,- of meer worden verstrekt. In de praktijk wordt voor starters door EZ veelal een maximum van É100 000,- gehanteerd. De regering acht het wenselijk om bij de bestaande uitvoeringspraktijk bij de bijstandverlening aan te sluiten. In dit besluit is derhalve de mogelijkheid van kredietverstrekking of borgstelling tot É60 000,- gemaximeerd. Voor dit maximum is gekozen omdat uit onderzoek is gebleken dat door het stellen van dit maximum in het merendeel der gevallen aan de kredietbehoefte kan worden voldaan. Tevens wordt hiermee aangesloten bij het maximum dat geldt voor het Besluit bijstandverlening zelfstandigen. Bij het Bbz is voor dit maximum gekozen omdat banken bij de kredietverstrekking niet lager gaan dan É60 000,-. Is het te verstrekken krediet hoger dan É60 000,-, dan kan een beroep worden gedaan op de borgstellingsregeling van het ministerie van EZ. Er zijn echter onvoldoende waarborgen dat banken vanwege de borgstellingsregeling van het ministerie van EZ wel bereid zouden zijn om tot kredietverstrekking aan arbeidsgehandicapte starters over te gaan. Banken zouden wellicht terughoudend kunnen zijn omdat zij geen integrale afweging kunnen maken ten aanzien van de mogelijkheden van de cliŽnt en het pakket aan voorzieningen dat hem ter compensatie van de arbeidshandicap zou kunnen worden aangeboden. Omdat ervan uitgegaan mag worden dat banken terughoudender zijn bij de kredietverstrekking aan gehandicapten, is het noodzakelijk door monitoring en evaluatie na te gaan of in voldoende mate wordt voorzien in de kredietbehoefte van starters met een arbeidshandicap bij dit maximum van É60 000,-. De resultaten van een eerste evaluatie zullen uiterlijk eind 2000 beschikbaar moeten komen.

 

Financiering


     Naar verwachting zal door circa 125 arbeidsgehandicapten die behoren tot de doelgroep van het Lisv gebruik worden gemaakt van de onderhavige regeling. Het is niet goed mogelijk om een schatting te geven van het aantal arbeidsgehandicapten dat vanuit een bijstandsuitkering een starterskrediet zal aanvragen. Niet bekend is hoe groot het aantal bijstandsgerechtigden is met een arbeidshandicap. Verwacht mag worden dat deze aantallen zeer beperkt zullen zijn. Eťn en ander brengt met zich mee dat de financiŽle gevolgen zich zullen beperken tot een kredietverstrekking aan circa 125 personen waarbij de financiŽle gevolgen sterk zullen afhangen van de hoogte van de te verstrekken kredieten en het percentage starters dat aan zijn terugbetalingsverplichtingen zal kunnen voldoen. Aangezien de kredietverstrekking aan stringente eisen is verbonden, mag worden aangenomen dat een zeer groot gedeelte van de starters in staat mag worden geacht het krediet volgens plan af te lossen. Uit de evaluatie van het Bbz blijkt dat de som van rente en aflossing in de praktijk voldoende is om nieuwe leningen te dekken. Voor de verstrekking zal echter enige voorfinanciering moeten plaatsvinden. Na afloop van enige jaren zal de financiering budgettair neutraal kunnen gaan verlopen.
     Verwacht mag worden dat als gevolg van het opstarten van een bedrijf door uitkeringsgerechtigden er een besparing op de uitkeringen zal kunnen worden gerealiseerd. Deze wordt begroot op structureel É1,9 miljoen per jaar. Deze structurele besparing zal echter pas zichtbaar worden vanaf het moment dat de periode van voorfinanciering ten behoeve van de kredietverstrekking voorbij zal zijn. Dit zal in 2008 het geval kunnen zijn. Er zullen wel uitvoeringskosten aan de regeling zijn verbonden. De uitvoerende instantie zal zich moeten laten adviseren over het bedrijfsplan en de aspirant-starter zal moeten worden begeleid. De kosten hiervan worden op circa É4800,- per starter geraamd.
     Voor de financiering van het starterskrediet voor Lisv-cliŽnten kan worden geput uit het Rea-fonds [ReÔntegratiefonds, red.]. In het startjaar is het financiŽle effect voor de fondsen gezamenlijk op een toename van de lasten van circa É3 miljoen geraamd. Na circa 10 jaar wordt het structurele niveau bereikt, i.c. een daling van de lasten met circa É1 miljoen. Voor de sociale fondsen wordt het volgende verloop van de kosten geraamd (in miljoenen guldens):

1999xxxxx 2002 2006 2010
3,1xxxxx 1,6 -0,3 -1,3

     Deze kosten worden gedekt uit het Rea-budget.

 

Inwerkingtreding


     Aan dit besluit is terugwerkende kracht verleend tot en met 1 juli 1998. Op dat moment treedt ook de Wet Rea in werking. Op deze wijze kan de uitvoeringspraktijk van zowel de wet als dit besluit op een zelfde tijdstip van start gaan.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wet Rea | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x