[Regeling van 8 december 2003, Stcrt. 2003, 242. Inwerkingtreding: 1 januari 2004]

 

REGELING van de Minister van Economische Zaken van 8 december 2003, nr. WJZ 3073206, tot vaststelling van uitvoeringregels voor meting en uitgifte van garanties van oorsprong ten behoeve van duurzame elektriciteit (Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit)

     De Minister van Economische Zaken;
     Gelet op de artikelen 31, achtste lid, en 77c van de Elektriciteitswet 1998;

     Besluit:

 

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

  • 1. In deze regeling wordt verstaan onder:

    • a. wet: Elektriciteitswet 1998;

    • b. Minister: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

    • c. garantie van oorsprong voor niet-netlevering: een garantie van oorsprong die op een installatie of een directe lijn ingevoede elektriciteit betreft;

    • d. toegelaten meetbedrijf: een meetbedrijf dat op grond van de voorwaarden, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b, van de wet, is toegelaten en dat de hoeveelheid elektriciteit meet die afkomstig is van een productie-installatie;

    • e. eindafnemer: een afnemer aan wie uitsluitend voor eigen verbruik elektriciteit wordt geleverd;

    • f. productie-installatie voor de opwekking van elektriciteit door middel van windenergie op zee: een productie-installatie waarin elektriciteit wordt opgewekt door middel van windenergie, die is opgericht in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone;

    • g. productie-installatie voor de opwekking van elektriciteit door middel van windenergie op land: een productie-installatie waarin elektriciteit wordt opgewekt door middel van windenergie, niet zijnde een productie-installatie als bedoeld in onderdeel f;

    • h. zuivere biomassa: producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw – met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen –, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, die geheel biologisch afbreekbaar zijn, alsmede industrieel en huishoudelijk afval dat geheel biologisch afbreekbaar is;

    • i. NTA 8003:2008: de Nederlands Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassingen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-Instituut, zoals deze luidde op 31 december 2008;

    • j. naar haar aard zuivere biomassa: de zuivere biomassa opgenomen in de NTA 8003:2008, met uitzondering van de groepsnummers 701, 709, 729, 800 tot en met 804, 809, 900 tot en met 904 en 909, waarbij brandstof na pyrolyse, torrefactie en carbonisatie worden toegevoegd aan de nummers 802, 803 en 804;

    • k. naar zijn aard zuiver biogas: stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas dat is ontstaan door inwerking van micro-organismen op biologisch afbreekbare materialen;

    • l. partij: de op basis van één specificatie geleverde hoeveelheid materiaal die voor controle op het aandeel onvermijdbare kunststoffen en ander materiaal van langcyclisch organische oorsprong door de producent, die door middel van het materiaal elektriciteit opwekt, gedurende een door hem vastgestelde periode als eenheid wordt aangemerkt en als zodanig identificeerbaar is;

    • m. afvalverbrandingsinstallatie: een productie-installatie waarin al dan niet de opgewekte warmte wordt teruggewonnen en die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor:

      • 1°. de verbranding door oxidatie van afvalstoffen;

      • 2°. een andere thermische behandeling van afvalstoffen dan bedoeld onder 1° ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand, of;

      • 3°. de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling van afvalstoffen;

    • n. richtlijn hernieuwbare energie: richtlijn nr. 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU L 140);

    • o. meetprotocol: een document waarin beschreven zijn de bemetering van een productie-installatie, de wijze van meten en de wijze van kwaliteitsborging van de meetgegevens ten aanzien van de hoeveelheden elektriciteit en, voorzover van toepassing, warmte die de installatie opwekt en, voor zover van toepassing, de hoeveelheden brandstof die de installatie verbruikt en de wijze van bepaling van de calorische waarde van de brandstof;

    • p. meetrapport: een rapport dat alle meetgegevens van de desbetreffende kalendermaand bevat alsmede, indien het meetrapport van toepassing is op een afvalverbrandingsinstallatie, het rendement van de afvalverbrandingsinstallatie in het geheel en de AVI-eenheden afzonderlijk;

    • q. AVI-eenheid: een onderdeel binnen een afvalverbrandingsinstallatie die ten minste bestaat uit een verbrandingsoven met bijbehorende ketel en een rookgasreinigingsinstallatie, en waarvoor op grond van de AVI-meetvoorwaarden een systeemgrens is bepaald;

    • r. systeemgrens van een AVI-eenheid: een fictieve gesloten omhulling van de AVI-eenheid die de AVI-eenheid onderscheidt van andere AVI-eenheden binnen het bedrijf;

    • s. productie-installatie: een installatie bestemd voor het opwekken van elektriciteit, bestaande uit één of meer productie-eenheden;

    • t. productie-eenheid: een deel van een productie-installatie dat zelfstandig kan worden ingezet voor het opwekken van elektriciteit, waaronder tevens begrepen een AVI-eenheid;

    • u. systeemgrens van de productie-installatie: een fictieve gesloten omhulling van één of meer productie-eenheden die dezelfde wijze van opwekking van elektriciteit gebruiken;

    • v. nuttig aangewende warmte: de restwarmte, uitgedrukt in GJ, die vrijkomt bij de productie van duurzame elektriciteit uit biomassa en die wordt aangewend voor:

      • 1°. gebouwklimatisering van de binnenruimten van gebouwen;

      • 2°. tapwaterverwarming en verwarming van water dat wordt ingezet in bedrijfsprocessen, met uitzondering van het gebruik als voedingswater voor een productie-installatie waarmee elektriciteit wordt opgewekt;

      • 3°. verwarming in industriële processen en van tuinbouwkassen, met uitzondering van:

        • i. de inzet in een turbine of organische rankine cyclus waarmee elektriciteit wordt opgewekt;

        • ii. de inzet bij aardgasexpansie;

        • iii. het drogen en verwarmen van inputstromen van een productie-installatie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief het voorverwarmen van verbrandingslucht;

        • iv. de inzet voor rookgasreiniging en waterzuivering van een productie-installatie voor het opwekken van elektriciteit;

        • v. de verwarming van een installatie of een onderdeel daarvan, waarmee energie of een energiedrager wordt geproduceerd;

        • vi. de verwarming van opslagtanks van grondstoffen en producten die gebruikt worden om energie mee op te wekken;

      • 4°. klimaatregeling van koelcellen en industriële koelingstoepasssingen;

      • 5°. levering aan een warmtenet, mits de producent aannemelijk kan maken dat de warmte gebruikt wordt voor een van de toepassingen bedoeld onder ten eerste tot en met ten vierde.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel h, worden producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw – met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen –, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede industrieel en huishoudelijk afval, met een aandeel onvermijdbare kunststoffen en ander materiaal van langcyclisch organische oorsprong van ten hoogste 3,00 massaprocent per partij geacht geheel biologisch afbreekbaar te zijn.

  • 3. Het rendement van een afvalverbrandingsinstallatie of van een AVI-eenheid bedraagt:

    • a. de som van:

      • 1°. de door de afvalverbrandingsinstallatie of door een AVI-eenheid per kalendermaand opgewekte en aan het net of aan andere productie-installaties dan de productie-installatie of de AVI-eenheid die de elektriciteit opwekt geleverde elektriciteit, en

      • 2°. tweederde van de door de afvalverbrandingsinstallatie of door de AVI-eenheid per kalendermaand opgewekte en nuttig aangewende warmte,

    • b. gedeeld door het product van:

      • 1°. de massa van het in de afvalverbrandingsinstallatie of de AVI-eenheid per kalendermaand verwerkte afval en overige brandstoffen, en

      • 2°. de calorische waarde van het verwerkte afval en overige brandstoffen.

  • 4. Het gewogen maandelijks rendement van een afvalverbrandingsinstallatie of van een AVI-eenheid bedraagt de uitkomst van:

    (Em*Rm + Em-1*Rm-1 + ...Em-11*Rm-11) / (Em + Em-1 + ...Em-11)

    waarbij

    Em = de hoeveelheid opgewekte elektriciteit in maand m

    Rm = het rendement als bedoeld in het derde lid voor maand m

    Em-1 = de hoeveelheid opgewekte elektriciteit in de maand voorafgaand aan m

    Rm-1 = het rendement als bedoeld in het derde lid voor de maand voorafgaand aan m

  • 5. Een producent die een afvalverbrandingsinstallatie instandhoudt en aan wie voor 1 januari 2012 subsidie op grond van artikel 72m van de wet of artikel 2 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie is verleend, ontvangt subsidie voor het gewogen maandelijkse rendement.

Artikel 1a

Deze regeling berust op de artikelen 31, negende lid, en 77c van de Elektriciteitswet 1998.

§ 2. Onderzoek productie-installatie en meten van duurzame elektriciteit

Artikel 1b

  • 1. De producent die een afvalverbrandingsinstallatie instandhoudt waarvoor voor 1 januari 2012 subsidie op grond van artikel 72m van de wet of artikel 2 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie is verleend:

    • a. draagt er zorg voor dat ten aanzien van zijn installatie iedere vijf jaar een meetprotocol opgesteld wordt, dat voldoet aan de AVI-meetvoorwaarden, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1, en

    • b. laat het meetprotocol vóór de eerste dag van de kalendermaand waarin hij het verzoek, bedoeld in artikel 2, eerste lid, indient en indien op grond van onderdeel a een nieuw meetprotocol wordt opgesteld, goedkeuren door een toegelaten meetbedrijf.

  • 2. De producent die een productie-installatie in stand houdt waarin biomassa wordt verwerkt, niet zijnde een afvalverbrandingsinstallatie, kan bij de garantiebeheerinstantie een verzoek indienen om de nuttig aangewende warmte te laten registreren. Deze producent:

    • a. draagt er zorg voor dat ten aanzien van zijn installatie iedere vijf jaar een meetprotocol opgesteld wordt, dat voldoet aan de meetvoorwaarden, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4 en

    • b. laat het meetprotocol voor de eerste dag van de kalendermaand waarin hij dit verzoek indient bedoeld in artikel 2, eerste lid en indien op grond van onderdeel a een nieuw meetprotocol wordt opgesteld, goedkeuren door een toegelaten meetbedrijf.

  • 3. De producent die een productie-installatie in stand houdt waarin naar zijn aard zuiver biogas wordt verwerkt en waarvan het nominaal elektrisch vermogen kleiner is dan of gelijk is aan 2 MW:

    • a. draagt er zorg voor dat ten aanzien van zijn installatie iedere vijf jaar een meetprotocol opgesteld wordt dat voldoet aan de meetvoorwaarden, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4, en

    • b. laat het meetprotocol voor de eerste dag van de kalendermaand waarin het verzoek, bedoeld in artikel 2, eerste lid, indient en indien op grond van onderdeel a een nieuw meetprotocol wordt opgesteld, goedkeuren door een toegelaten meetbedrijf.

  • 4. Indien de producent, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, voornemens is een aanpassing door te voeren die een wijziging van het meetprotocol tot gevolg heeft, draagt hij er zorg voor dat alvorens hij die aanpassing daadwerkelijk doorvoert, een nieuw meetprotocol wordt opgesteld en wordt goedgekeurd door een toegelaten meetbedrijf. De termijn van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, het tweede lid, onder a en het derde lid, onder a, wordt geacht aan te vangen op het moment van goedkeuring van het nieuwe meetprotocol.

Artikel 2

  • 1. Een in Nederland gevestigde producent van duurzame elektriciteit verzoekt de netbeheerder iedere vijf jaar de vaststelling, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel h, van de wet, te verrichten, met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2. Een producent, bedoeld in artikel 1b, eerste lid, legt tevens een meetprotocol over aan de netbeheerder. De netbeheerder stelt vast dat een toepasselijk meetprotocol aanwezig is dat is goedgekeurd door een toegelaten meetbedrijf vòòr de eerste dag van de kalendermaand waarin de producent het verzoek, bedoeld in de eerste volzin, heeft ingediend.

  • 2. De producent van een productie-installatie met een aansluitwaarde gelijk aan of kleiner dan 3 × 80 A die een verzoek als bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, indient, kan afzien van het installeren van een meetinrichting die geschikt is voor meting van de hoeveelheid duurzaam opgewekte elektriciteit die op een net of installatie wordt ingevoed. Hij maakt hiervan melding op het formulier bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Indien zich achter de aansluiting meerdere productie-installaties bevinden, bepaalt de producent bij het verzoek tot vaststelling, bedoeld in het eerste lid, de systeemgrens van iedere productie-installatie.

  • 4. Een wijziging van de systeemgrens van de productie-installatie leidt er niet toe dat één of meer productie-eenheden van de desbetreffende productie-installatie gaan behoren aan een andere productie-installatie.

  • 5. Ten behoeve van de vaststelling stelt de netbeheerder een administratief onderzoek in. In aanvulling op het administratief onderzoek en ter verificatie van de in het formulier opgenomen gegevens kan de netbeheerder de productie-installatie ter plekke onderzoeken.

  • 6. De netbeheerder deelt het resultaat van de vaststelling binnen vier weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, mee aan de producent en aan de garantiebeheerinstantie.

  • 7. Onverminderd de tariefstructuren, bedoeld in artikel 27 van de wet, brengt de netbeheerder de kosten van de vaststelling in rekening bij de producent.

  • 8. Indien de producent voornemens is een aanpassing door te voeren die een wijziging van een van de onderdelen 2 tot en met 5 van het formulier ten gevolge heeft, dient de producent alvorens hij die aanpassing daadwerkelijk doorvoert, een volledig nieuw ingevuld formulier in bij de netbeheerder. Het vijfde tot en met zevende lid zijn in dat geval van toepassing, de eerder verrichte vaststelling vervalt en de termijn van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt geacht aan te vangen op het moment van indiening van het nieuw ingevulde formulier.

Artikel 2a

  • 1. De producent die een afvalverbrandingsinstallatie instandhoudt en waarvoor hij voor 1 januari 2012 subsidie op grond van artikel 72m van de wet of artikel 2 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie heeft aangevraagd draagt er zorg voor dat de hoeveelheden brandstof die zijn installatie verbruikt en de hoeveelheden elektriciteit en warmte die zijn installatie opwekt, gemeten worden volgens het meetprotocol.

  • 2. De producent draagt er zorg voor dat per kalendermaand onder toepassing van het meetprotocol een meetrapport wordt opgesteld, dat:

    • a. voldoet aan de AVI-meetvoorwaarden, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1;

    • b. de wijze van totstandkoming van de meetgegevens beschrijft, en

    • c. geverifieerd wordt door een toegelaten meetbedrijf.

  • 3. De producent overlegt het meetrapport uiterlijk twee maanden na afloop van het kwartaal waarvan de kalendermaand waarop het meetrapport betrekking heeft deel uitmaakt aan de garantiebeheerinstantie.

  • 4. Indien het meetrapport niet of niet tijdig wordt ingediend:

    • a. bedraagt het rendement voor de betreffende kalendermaand 20%, en

    • b. ontvangt de producent voor de betreffende kalendermaand over de opgewekte duurzame elektriciteit garanties van oorsprong waarop geen gewogen maandelijks rendement is aangegeven.

Artikel 2b

  • 1. Een producent als bedoeld in artikel 1b, tweede lid, draagt er zorg voor dat alle energiestromen die zijn omschreven in de meetvoorwaarden, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4 en die de systeemgrens passeren gemeten worden volgens het meetprotocol.

  • 2. Een producent draagt er zorg voor dat per kalendermaand onder toepassing van het meetprotocol een meetrapport wordt opgesteld, dat:

    • a. voldoet aan de meetvoorwaarden, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4,

    • b. de wijze van totstandkoming van de meetgegevens beschrijft en

    • c. geverifieerd wordt door een toegelaten meetbedrijf.

  • 3. De producent legt het meetrapport, bedoeld in artikel 3, eerste lid, uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarvan de kalendermaand waarop het meetrapport betrekking heeft, deel uitmaakt, over aan de garantiebeheerinstantie.

  • 4. De producent legt het meetrapport, bedoeld in artikel 3, tweede lid, uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarop het meetrapport betrekking heeft, over aan de garantiebeheersinstantie.

  • 5. Indien het meetrapport, bedoeld in het derde en vierde lid, niet tijdig wordt ingediend, verlaagt de garantiebeheerinstantie de hoeveelheid nuttig aangewende warmte over het desbetreffende kalenderjaar iedere maand dat de termijn, bedoeld in het derde en vierde lid, wordt overschreden met één twaalfde deel van de in het kalenderjaar nuttig aangewende warmte.

  • 6. Indien het meetrapport, bedoeld in het derde en vierde lid, niet binnen 16 maanden na afloop van het kalenderjaar waarop het meetrapport betrekking heeft aan de garantiebeheerinstantie wordt overlegd, stelt de garantiebeheerinstantie de hoeveelheid hoeveelheid nuttig aangewende warmte over het desbetreffende kalenderjaar vast op nul GJ.

Artikel 3

  • 1. Bij productie-installaties met een aansluitwaarde groter dan 3 x 80 A worden de hoeveelheid opgewekte duurzame elektriciteit of de hoeveelheid nuttig aangewende warmte iedere kalendermaand gemeten.

  • 2. Bij productie-installaties met een aansluitwaarde gelijk aan of kleiner dan 3 x 80 A geschiedt de meting, bedoeld in het eerste lid, jaarlijks en gelijktijdig met de jaarlijkse bepaling van de meterstanden, tenzij de producent de netbeheerder of het toegelaten meetbedrijf verzoekt iedere kalendermaand te meten.

  • 3. Indien de duurzame elektriciteit of nuttig aangewende warmte jaarlijks wordt gemeten, verdeelt de netbeheerder of het toegelaten meetbedrijf de meetgegevens in gelijke delen over de twaalf voorgaande kalendermaanden, tenzij de producent aantoont dat deze meetgegevens op een andere wijze over de twaalf voorafgaande kalendermaanden verdeeld moeten worden.

Artikel 4

  • 1. Indien de producent voor de opwekking van duurzame elektriciteit gebruik maakt van elektriciteit die is afgenomen van een net, brengt de netbeheerder of het toegelaten meetbedrijf de hoeveelheid elektriciteit die is afgenomen van het net in mindering op de hoeveelheid duurzame elektriciteit die hij op grond van artikel 16, eerste lid, onderdeel i, van de wet meet.

  • 2. Indien zich achter de aansluiting één productie-installatie bevindt en de producent hiervoor garanties van oorsprong heeft aangevraagd, meldt de netbeheerder, onder vermelding van de unieke 18-cijferige code van de aansluiting, aan de garantiebeheerinstantie:

    • a. de hoeveelheid duurzame elektriciteit die de betreffende productie-installatie op het net heeft ingevoed, en

    • b. indien garanties van oorsprong voor niet-netlevering zijn aangevraagd door de producent, de hoeveelheid duurzame elektriciteit die de betreffende productie-installatie heeft opgewekt.

  • 3. Indien zich achter de aansluiting meerdere productie-installaties bevinden, meldt de netbeheerder, onder vermelding van de unieke 18-cijferige code van iedere productie-installatie waarvoor de producent garanties van oorsprong heeft aangevraagd, aan de garantiebeheerinstantie:

    • a. de hoeveelheid duurzame elektriciteit die de betreffende productie-installaties op het net hebben ingevoed, en

    • b. de hoeveelheid duurzame elektriciteit die de betreffende productie-installaties hebben opgewekt.

  • 4. De hoeveelheid duurzame elektriciteit die door de betreffende productie-installaties aan het net wordt geleverd, wordt bepaald door de elektriciteit die wordt verbruikt door de installatie achter de aansluiting naar rato van de feitelijke elektriciteitopwekking van alle productie-installaties achter de aansluiting, in mindering te brengen op de duurzame elektriciteit en andere vormen van elektriciteit, die is opgewekt door de betreffende productie-installaties.

  • 5. Indien een producent, bedoeld in artikel 2, tweede lid, voor de opwekking van duurzame elektriciteit heeft afgezien van het installeren van een meetinrichting die geschikt is voor de meting van de hoeveelheid duurzaam opgewekte elektriciteit die op een net wordt ingevoed, wordt, in afwijking van het vierde lid, de hoeveelheid duurzaam opgewekte elektriciteit die door de betreffende productie-installaties op een net wordt ingevoed steeds gesteld op nul kWh.

  • 6. De meetinrichting van de productie-installatie voldoet aan dezelfde nauwkeurigheidseisen als de meetinrichting op de aansluiting waarachter deze productie-installatie zich bevindt en zoals deze zijn omschreven in de voorwaarden op grond van artikel 31, eerste lid, onder b, van de wet.

  • 7. Onverminderd de tariefstructuren, bedoeld in artikel 27 van de wet, brengt de netbeheerder of het toegelaten meetbedrijf de kosten van het meten van de hoeveelheid elektriciteit die afkomstig is van een productie-installatie voor duurzame elektriciteit, in rekening bij de producent.

§ 3. Garanties van oorsprong

Artikel 5

  • 1. Een garantie van oorsprong heeft betrekking op een hoeveelheid duurzame elektriciteit ter grootte van 1 MWh.

  • 2. De garanties van oorsprong die de garantiebeheerinstantie boekt overeenkomstig artikel 77, derde lid, van de wet, hebben betrekking op de duurzame elektriciteit die is opgewekt vanaf de eerste dag van de kalendermaand waarin de producent het verzoek, bedoeld in artikel 2, eerste lid, heeft gedaan, voor zover:

    • a. de netbeheerder de aldaar bedoelde vaststelling daadwerkelijk heeft verricht, en

    • b. de producent de benodigde meetgegevens met betrekking tot de hoeveelheid duurzame elektriciteit die vanaf dat moment is opgewekt, overlegt.

  • 3. Indien zich achter een aansluiting meerdere productie-installaties bevinden, vraagt een producent voor elke productie-installatie waarvoor hij een verzoek doet als bedoeld in artikel 2, eerste lid, garanties van oorsprong voor niet-netlevering aan.

  • 4. De garantiebeheerinstantie boekt op verzoek van degene aan wie garanties van oorsprong toekomen, een bij het verzoek aan te geven hoeveelheid garanties van oorsprong, niet zijnde garanties van oorsprong voor niet-netlevering, over op een daarbij aangegeven andere rekening.

  • 5. Op een garantie van oorsprong wordt in ieder geval vermeld:

    • a. de hernieuwbare energiebron waarmee de elektriciteit is geproduceerd;

    • b. de begindatum en einddatum van de productie;

    • c. een aanduiding van de productie-installatie, waaronder de locatie, het type en de capaciteit van de productie-installatie;

    • d. de datum waarop de productie-installatie in gebruik is genomen;

    • e. of en in welke mate voor de productie-installatie subsidie is verstrekt en op welke grondslag;

    • f. dat de garantie van oorsprong betrekking heeft op elektriciteit;

    • g. een uniek identificatienummer;

    • h. de datum en het land van afgifte.

Artikel 5a

  • 1. De garantiebeheerinstantie bepaalt na ontvangst van het meetrapport het rendement en het gewogen maandelijks rendement van een afvalverbrandingsinstallatie en van een AVI-eenheid. Het rendement wordt niet bepaald voor de periode die ligt vóór het moment dat de producent een verzoek als bedoeld in artikel 2, eerste lid, heeft gedaan. Het gewogen maandelijks rendement wordt in het eerste jaar bepaald over de maanden nadat de producent een verzoek als bedoeld in artikel 2, eerste lid, heeft gedaan.

  • 2. De garantiebeheerinstantie kan het product van de massa van het in de afvalverbrandingsinstallatie en de AVI-eenheid per kalendermaand verwerkte afval en overige brandstoffen, en de calorische waarde van het verwerkte afval en overige brandstoffen mede bepalen op basis van de in de meetvoorwaarden beschreven iteratieve methode.

Artikel 5b

De garantiebeheerinstantie bepaalt na ontvangst van het meetrapport van de producent, bedoeld in artikel 1b, tweede lid, de nuttig aangewende warmte in GJ.

Artikel 6

  • 1. De leverancier boekt als bewijs van levering van duurzame elektriciteit aan een in Nederland gevestigde eindafnemer, binnen één maand na levering de hoeveelheid garanties van oorsprong die correspondeert met de hoeveelheid duurzame elektriciteit die is geleverd aan een in Nederland gevestigde eindafnemer van zijn Nederlandse rekening af.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid, draagt de leverancier er zorg voor dat hij op de eerste dag van de kalendermaand van levering beschikt over de benodigde hoeveelheid garanties van oorsprong op zijn rekening bij de garantiebeheerinstantie.

  • 3. Een garantie van oorsprong kan slechts worden gebruikt binnen twaalf maanden na de einddatum van de productie van de duurzame elektriciteit waarvoor de garantie van oorsprong is geboekt.

  • 4. Een garantie van oorsprong, niet zijnde een garantie van oorsprong voor niet-netlevering, verliest haar geldigheid:

    • a. na afboeking als bewijs van levering als bedoeld in het eerste lid;

    • b. uiterlijk één jaar na de datum van boeking op grond van artikel 77, derde lid, van de wet.

  • 5. Voor de toepassing van het eerste lid geldt een garantie van oorsprong voor niet-netlevering niet als bewijs. Een garantie van oorsprong voor niet-netlevering verliest haar geldigheid nadat ze is gebruikt om het voorschot, bedoeld in artikel 72w, tweede lid, van de wet zoals dat luidde op 31 december 2007 dan wel in artikel 66 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, te ontvangen.

  • 6. De garantiebeheerinstantie brengt de kosten van het beheer van de rekening in rekening bij degene die de aanvraag, bedoeld in artikel 77, eerste lid, doet.

  • 7. In afwijking van het zesde lid brengt de garantiebeheerinstantie de kosten van het beheer van de rekening in rekening bij de minister indien aan de rekeninghouder subsidie is verleend op grond van artikel 2 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie juncto:

    • a. artikel 9, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008;

    • b. artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009;

    • c. artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010.

§ 4. Biomassaverklaring

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2011]

Artikel 8

  • 1. Indien in de productie-installatie zuivere biomassa wordt verwerkt, verklaart de producent dat hij door middel van een daartoe geëigende methode aan de hand van bemonstering per partij vaststelt dat het materiaal waaruit de duurzame elektriciteit wordt opgewekt, is aan te merken als zuivere biomassa.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, hanteert de producent, indien in de productie-installatie biomassa die een behandeling heeft ondergaan, zoals pyrolyse, torrefactie of carbonisatie, wordt verwerkt, een daartoe geëigende methode om vast te stellen dat de biomassa vóór de behandeling is aan te merken als zuivere biomassa.

  • 3. Indien in de productie-installatie niet-zuivere biomassa wordt verwerkt, verklaart de producent dat hij door middel van een daartoe geëigende methode aan de hand van bemonstering per partij vaststelt wat het biologisch afbreekbare gedeelte is van de niet-zuivere biomassa waaruit de duurzame elektriciteit wordt opgewekt. Het biologisch afbreekbare gedeelte dient te worden bepaald op grond van de energiebasis met twee decimalen nauwkeurigheid.

  • 4. Indien de duurzame elektriciteit uitsluitend wordt opgewekt door middel van naar haar aard zuivere biomassa of naar zijn aard zuiver biogas, verklaart de producent dat hij gedurende de periode waarop de verklaring betrekking heeft, uitsluitend door middel van naar haar aard zuivere biomassa of naar zijn aard zuiver biogas duurzame elektriciteit zal opwekken.

Artikel 9

Indien in de productie-installatie niet naar zijn aard zuiver biogas of niet-zuiver biogas wordt verwerkt, hanteert de producent ten aanzien van de grondstof die bij het ontstaan van dit biogas gebruikt een daartoe geëigende methode om aan de hand van bemonstering per partij vast te stellen dat het materiaal waaruit de duurzame elektriciteit is opgewekt, is aan te merken als zuivere of als niet-zuivere biomassa.

Artikel 10

  • 1. De methode van vaststelling, bedoeld in de artikelen 8, eerste en derde lid, en 9, is geëigend als de producent ter zake van de werkzaamheden voor de bepaling van het biologisch afbreekbare gedeelte van de biomassa beschikt over:

    • a. een productcertificaat als bedoeld in de Kiwa-beoordelingsrichtlijn BRL-K 10016 voor de vaststelling van het aandeel biomassa in secundaire brandstoffen, of

    • b. een schriftelijk bewijs dat hij voldoet aan vergelijkbare procesnormen als vastgelegd in de Kiwa-beoordelingsrichtlijn BRL-K 10016.

  • 2. De methode van vaststelling, bedoeld in artikel 8, tweede lid, is geëigend als de producent beschikt over:

    • a. een certificaat behorend bij de getorreficeerde biomassa, afgegeven door een certificeringsinstantie, waaruit blijkt dat de oorsprong van de biomassa van die partijen volledig is aan te merken als zuivere biomassa, en

    • b. het certificaat voldoet aan de eis dat dit per partij wordt aangebracht en gevolgd en gereproduceerd kan worden.

  • 3. De certificeringinstantie is onafhankelijk en werkt volgens kwaliteitsstandaarden die zijn gecertificeerd door een organisatie is geaccrediteerd door accreditatie-instantie die is aangesloten bij de European co-operation for Accredition of het International Accreditation Forum.

§ 5. Garanties van oorsprong en assurancerapport of meetrapport voor biomassa

Artikel 11

  • 1. Indien de duurzame elektriciteit waarvoor boeking van garanties van oorsprong wordt aangevraagd, is opgewekt door middel van biomassa, deelt de producent gelijktijdig met de overlegging van de meetgegevens mee, in twee decimalen nauwkeurig, welk gewogen percentage van de door zijn productie-installatie in de desbetreffende kalendermaand of het desbetreffende kalenderjaar opgewekte totale hoeveelheid elektriciteit is opgewekt door middel van:

    • a. zuivere biomassa;

    • b. niet-zuivere biomassa, waarbij hij een onderscheid maakt in het biologisch afbreekbare en het niet biologisch afbreekbare gedeelte;

    • c. overige brandstoffen.

  • 2. De garantiebeheerinstantie geeft op garanties van oorsprong, geboekt ten behoeve van duurzame elektriciteit opgewekt door middel van biomassa, aan door middel van welke soorten biomassa de duurzame elektriciteit is opgewekt.

  • 3. De producent kan gelijktijdig met de overlegging van de meetgegevens de garantiebeheerinstantie verzoeken om op garanties van oorsprong, geboekt ten behoeve van duurzame elektriciteit door middel van biomassa, te vermelden welke certificaten met betrekking tot de gebruikte biomassa zijn afgegeven. Bij het verzoek overlegt de producent een verklaring waaruit de norm blijkt conform welke de ingezette biomassa is gecertificeerd en welke certificeerder het certificaat heeft verstrekt.

Artikel 12

  • 1. Een producent als bedoeld in artikel 1b, derde lid, draagt er zorg voor dat alle energiestromen die zijn omschreven in de meetvoorwaarden, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4, en die de systeemgrens passeren, gemeten worden volgens het meetprotocol.

  • 2. Een producent als bedoeld in artikel 1b, derde lid, draagt er zorg voor dat per kalenderjaar, uitgesplitst naar kalendermaanden, onder toepassing van het meetprotocol een meetrapport wordt opgesteld dat:

    • a. voldoet aan de meetvoorwaarden die zijn opgesteld voor dat type installatie;

    • b. de wijze van totstandkoming van de meetgegevens beschrijft;

    • c. geverifieerd wordt door een toegelaten meetbedrijf.

  • 3. Een producent als bedoeld in artikel 1b, derde lid, legt het meetrapport uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarop het meetrapport betrekking heeft over aan de garantiebeheerinstanstie.

  • 4. Indien in de productie-installatie naar zijn aard zuiver biogas wordt verwerkt en de producent subsidie ontvangt op grond van artikel 2 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, rapporteert de subsidie-ontvanger gelijktijdig met de overlegging van het meetrapport over de ingezette biomassa middels het formulier dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 5.

Artikel 12a

  • 1. Uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar legt de producent, niet zijnde een producent als bedoeld in artikel 1b, derde lid, een assurancerapport van een externe accountant over aan de garantiebeheerinstantie dat betrekking heeft op dat kalenderjaar en dat is opgesteld met inachtneming van het onderzoeksprotocol assurancerapport biomassa, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 5.

  • 2. Uit het assurancerapport blijkt eenduidig:

    • a. per kalendermaand wat de aard en de verhouding van de in de productie-installatie verwerkte brandstoffen is in honderdste van procenten nauwkeurig;

    • b. of de door de producent op grond van artikel 11, eerste lid, meegedeelde percentages overeenstemmen met de verhouding van de onder a bedoelde brandstoffen;

    • c. of uit de administratie van de producent of uit andere de accountant ter beschikking staande gegevens volgt dat er gedurende het afgelopen jaar in overeenstemming is gehandeld met de overgelegde verklaring, bedoeld in artikel 11, derde lid.

  • 3. Ten behoeve van het bepalen van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, gaat de accountant na of een juiste toepassing is gegeven aan de geëigende methode, bedoeld in de artikelen 8 tot en met 10.

  • 4. Indien in de productie-installatie naar zijn aard zuiver biogas wordt verwerkt en de producent subsidie ontvangt op grond van artikel 2 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, rapporteert de subsidie-ontvanger gelijktijdig met de overlegging van het assurancerapport over de ingezette biomassa middels het formulier dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 5.

Artikel 13

  • 1. Indien de overeenkomstig artikel 11, eerste lid, meegedeelde percentages afwijken van de percentages die uit het meetrapport of het assurancerapport blijken, corrigeert de garantiebeheerinstantie het ten gevolge van deze afwijking ontstane verschil door garanties van oorsprong bij te boeken op of af te boeken van de desbetreffende rekening.

  • 2. Indien het in artikel 12, derde lid of artikel 12a, eerste lid, bedoelde tijdstip van indiening van het meetrapport of het assurancerapport wordt overschreden, boekt de garantiebeheerinstantie in de komende periode garanties van oorsprong af met toepassing van de formule:

    hoeveelheid af te boeken garanties van oorsprong = [DE/KM * OT] / 1 MWh,

    waarbij:

    DE = de hoeveelheid duurzame elektriciteit, opgewekt in de periode waarop het meetrapport of het assurancerapport betrekking heeft;

    KM = aantal kalendermaanden in die periode;

    OT = aantal overschrijdingstijdvakken van een dag tot en met een maand.

  • 3. Indien het meetrapport of het assurancerapport niet voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 12, eerste en tweede lid of artikel 12 a, tweede en derde lid, geeft de garantiebeheerinstantie de producent vier weken de tijd om het meetrapport of het assurancerapport alsnog aan deze eisen te laten voldoen. Indien de producent hieraan geen gehoor geeft, boekt de garantiebeheerinstantie garanties van oorsprong af met toepassing van de in het tweede lid opgenomen formule.

Artikel 14

  • 1. Indien duurzame elektriciteit of warmte wordt opgewekt door middel van huishoudelijk afval of vergelijkbaar bedrijfsafval in een afvalverbrandingsinstallatie gaat de garantiebeheerinstantie uit van het percentage, bedoeld in het tweede lid. De artikelen 8 tot en met 13 zijn in dat geval niet van toepassing.

  • 2. De Minister stelt jaarlijks uiterlijk op 1 december ten behoeve van het daaropvolgende kalenderjaar een percentage vast, dat uitdrukt welk gedeelte van de totale hoeveelheid elektriciteit die wordt opgewekt door middel van huishoudelijk afval of vergelijkbaar bedrijfsafval in een afvalverbrandingsinstallatie, duurzame elektriciteit is.

  • 3. Indien de garantiebeheerinstantie constateert dat in een afvalverbrandingsinstallatie of in een AVI-eenheid waarin duurzame elektriciteit wordt opgewekt door middel van huishoudelijk afval of vergelijkbaar bedrijfsafval, substantiële hoeveelheden homogene afvalstromen worden verwerkt met een substantieel ander percentage dan het percentage bedoeld in het tweede lid of dat er substantiële hoeveelheden fossiele brandstoffen worden gebruikt, stelt de garantiebeheerinstantie de minister hiervan op de hoogte. In afwijking van het tweede lid kan de minister voor die afvalverbrandingsinstallatie of die AVI-eenheid het percentage vaststellen dat uitdrukt welk gedeelte van de totale hoeveelheid elektriciteit die wordt opgewekt door middel van die homogene afvalstromen, duurzame elektriciteit is.

§ 6. Garanties van oorsprong uit andere lidstaten van de Europese Unie

Artikel 15 [Vervallen per 17-12-2005]

Artikel 16 [Vervallen per 17-12-2005]

§ 7. Gegevensverstrekking

Artikel 17

De garantiebeheerinstantie deelt iedere maand aan de Minister de volgende gegevens mee:

  • a. de hoeveelheid en soorten duurzame elektriciteit waarvoor garanties van oorsprong en garanties van oorsprong voor niet-netlevering zijn geboekt;

  • b. de hoeveelheid en soorten duurzame elektriciteit waarvoor garanties van oorsprong en garanties van oorsprong voor niet-netlevering zijn afgeboekt, alsmede de reden voor afboeking;

  • c. de hoeveelheid en soorten duurzame elektriciteit waarvoor garanties van oorsprong, afkomstig uit andere lidstaten van de Europese Unie, in Nederland ingevoerd zijn, onderverdeeld naar de diverse lidstaten;

  • d. de hoeveelheid en soorten duurzame elektriciteit waarvoor garanties van oorsprong naar andere lidstaten van de Europese Unie uit Nederland uitgevoerd zijn, onderverdeeld naar de diverse lidstaten.

§ 8. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 18

Een producent als bedoeld in artikel 1b, derde lid, beschikt uiterlijk 1 januari 2012 over een meetprotocol, dat voldoet aan de meetvoorwaarden, opgenomen in bijlage 4, en dat is goedgekeurd door een toegelaten meetbedrijf. Indien de producent voor de kalenderjaren voor 2012 geen meetrapport als bedoeld in artikel 12, tweede lid, kan overleggen is artikel 12a van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het assurancerapport over het kalenderjaar 2010 uiterlijk 1 oktober 2011 wordt overgelegd.

Artikel 19

De Regeling groencertificaten Elektriciteitswet 1998 wordt ingetrokken.

Artikel 20

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.

Artikel 22

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage worden gelegd bij de garantiebeheerinstantie, Utrechtseweg 310, Arnhem.

 

Den Haag, 8 december 2003.
De Minister van Economische Zaken
L.J. Brinkhorst
.

 

 

Bijlagen niet opgenomen