BESLUIT van 15 oktober 2018, Stb. 2018, 386, houdende regels inzake de rechtspositie van staten- en commissieleden, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, raads- en commissieleden, wethouders, burgemeesters en de leden van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur en de voorzitters van de waterschappen (Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers). Inwerkingtreding: 1 januari 2019 en 28 maart 2019.

 

     WIJ WILLEM-ALEXANDER, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 juli 2018, nr. 2018-0000382887;
     Gelet op de artikelen 43, eerste, tweede en achtste lid, 61d, 65, eerste, tweede en zevende lid, 72, 77, 93, vierde lid, en 94, derde lid, van de Provinciewet, de artikelen 44, eerste, tweede en achtste lid, 66, eerste, tweede en zevende lid, 73, 79, 95, vierde lid, en 96, derde lid, van de Gemeentewet en de artikelen 32a, vierde lid, 44, eerste en zevende lid, 48, zevende lid, en 49, eerste lid, van de Waterschapswet;
     De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 september 2018, nr. W04.18.0192/I);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 oktober 2018, nr. 2018-0000814574;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Klik hier voor de geconsolideerde tekst van deze regeling (alleen voor abonnees).