BESLUIT van 10 juni 1994, Stb. 1994, 445, houdende regels inzake de taken die de commissaris van de Koning op grond van artikel 126 Grondwet als rijksorgaan vervult. Inwerkingtreding: 15 augustus 1994.

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 24 januari 1994, nr. BK94/226, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, afdeling Kabinetszaken;
     Gelet op artikel 182 van de Provinciewet, artikel 61 van de Gemeentewet, de artikelen 25, 32, 34 en 35 van de Politiewet 1993 en artikel IV van de Wet tot wijziging van de Wet van 4 april 1892, houdende instelling van de Orde van Oranje-Nassau, en van de Wet van 29 september 1815, houdende instelling van de Orde van de Nederlandse Leeuw, alsmede instelling van het Kapittel voor de civiele orden;
     De Raad van State gehoord (advies van 5 april 1994, nr. W04.94.0081);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 30 mei 1994, nr. BK94/816;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Klik hier voor de geconsolideerde tekst van deze regeling (alleen voor abonnees).