BESLUIT van 18 mei 1966, Stb. 1966, 230, tot uitvoering van artikel 15, tweede lid, van de Vorderingswet 1962. Inwerkingtreding: 23 juni 1966.

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Onze Ministers van Justitie en van FinanciĆ«n van 25 mei 1964, nr. 665/540 W.J.A.;
     Overwegende, dat aanvullende regelen moeten worden gesteld omtrent de vaststelling van de schadeloosstelling in geval van vordering krachtens de Vorderingswet 1962 (Stb. 1962, 587) van het eigendomsrecht op een roerende zaak, zomede regelen omtrent de vaststelling van de schadeloosstelling in geval van vordering krachtens die wet van een recht tot gebruik van een zaak;
     Gelet op artikel 15, tweede lid, van de Vorderingswet 1962;
     De Raad van State gehoord (advies van 1 juli 1964, nr. 96);
     Gezien het nader rapport van voornoemde Staatssecretaris en Onze voornoemde Ministers van 12 mei 1966, nr. 666/289 W.J.A.;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Klik hier voor de geconsolideerde tekst van deze regeling (alleen voor abonnees).