[Regeling van 30 januari 2001, Stcrt. 2001, 27. Inwerkingtreding: 9 februari 2001]

 

30 januari 2001/nr. GZB/VVB 2148400

     De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
     Gelet op artikel 4, tweede lid, van het Dierproevenbesluit;

     Besluit:

 

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. dierverblijf:

ruimte waar proefdieren zijn ondergebracht;

b. bedding:

bodembedekkend materiaal bestaande uit bijvoorbeeld compost, (gehakseld) stro, houtkorrels, houtkrullen, houtschilfers, houtzaagsel, kleikorrels, papier, turfmolm of zand, of een combinatie van twee of meer van deze materialen;

c. dierlijk laboratoriumafval:

kadavers, delen van kadavers van dieren, faeces en urine, bedding, strooisel en voederrestanten uit de verblijven. Tevens vallen hieronder dierlijke producten die in het laboratorium zijn gebruikt, zoals eieren, bloed en melk en kunstmatig gekweekte cellen en weefsels;

d. ventilatievoud:

het aantal luchtverversingen per uur.

§ 2. Huisvesting en verzorging van proefdieren, algemene bepalingen

Artikel 2

  • 1.De huisvesting is aangepast aan de behoeften van het dier. In het dierverblijf zijn bedding en verrijkingsmateriaal, passend bij de diersoort, aanwezig.

  • 2.Aan drachtige dieren wordt, voordat zij hun jongen werpen, passend nestmateriaal verstrekt.

Artikel 3

Dierverblijven zijn zo vervaardigd dat ze geen afbreuk doen aan de gezondheid of het welzijn van de dieren en de mogelijkheid bieden de dieren te inspecteren.

Artikel 4

Het gebruik van draadkooien en draadroosterbodems voor knaagdieren en konijnen is niet toegestaan.

Artikel 5

  • 1.Dieren worden uitsluitend gehuisvest in dierverblijven die goed en doelmatig kunnen worden gereinigd en zonodig worden ontsmet.

  • 2.De dierverblijven worden regelmatig gereinigd.

Artikel 6

  • 1.Gescheiden van de dierverblijven is een ruimte beschikbaar voor het opslaan van voeder, bedding, schone bakken, kooien, instrumenten en andere apparatuur.

  • 2.De in het eerste lid bedoelde aparte ruimte is droog en ontoegankelijk voor insecten en andere dieren zoals honden, katten, wilde knaagdieren en vogels.

Artikel 7

  • 1.Gescheiden van de dierverblijven en de in artikel 6 bedoelde ruimte is er een aparte ruimte voor het onder hygiënische omstandigheden bewaren en afvoeren van dierlijk laboratoriumafval.

  • 2.De in het eerste lid bedoelde aparte ruimte is gemakkelijk reinig- en desinfecteerbaar en ontoegankelijk voor insecten en andere dieren zoals honden, katten, wilde knaagdieren en vogels.

  • 3.Bij weinig frequente afvoer van het dierlijk afval vindt koeling van het dierlijk laboratoriumafval plaats tot ± 0 °C of lager.

Artikel 8

Het is verboden te roken in ruimten waarin zich dieren bevinden.

Artikel 9

  • 1.Dierverblijven zijn voorzien van een goed functionerend ventilatiesysteem.

  • 2.Het ventilatievoud is afgestemd op de bezettingsgraad in de dierverblijven.

  • 3.Voor knaagdieren en konijnen is in het algemeen een ventilatievoud van 8 voldoende. Bij een hoge bezettingsgraad wordt een ventilatievoud van minimaal 15 gehandhaafd. Voor honden en katten bedraagt het ventilatievoud 10 tot 12.

Artikel 10

  • 1.Voor de temperatuur in dierverblijven waarin volwassen dieren worden gehuisvest worden de volgende onder- en bovengrenzen aangehouden:

    • a. knaagdieren: 19 tot 24 °C;

    • b. cavia's: 16 tot 24 °C;

    • c. kwartels en kleine vogels: 20 tot 24 °C;

    • d. konijnen, honden, katten, en fretten: 15 tot 24 °C;

    • e. paarden, runderen, schapen, geiten, varkens, kippen, eenden en duiven: 10 tot 24 °C.

  • 2.De temperatuur wordt minimaal eenmaal per dag nauwkeurig gecontroleerd en geregistreerd.

Artikel 11

In dierverblijven wordt de relatieve vochtigheid op 55% ± 15% gehouden en minimaal eenmaal per dag gecontroleerd.

Artikel 12

Dieren die buiten worden gehouden of gehuisvest zijn in verblijven met direct contact met de buitenlucht, beschikken over mogelijkheden tot bescherming tegen wind, regen, zonnebrand en extreme temperaturen.

Artikel 13

  • 1.In dierverblijven is een regelbare verlichting aanwezig, aangepast aan de diersoort.

  • 2.In dierverblijven bedraagt de maximaal toelaatbare lichtintensiteit, verticaal op dierhoogte gemeten, voor alle zoogdieren 350 lux, zonodig met uitzondering van de periode van inspectie, behandeling of verzorging van de dieren.

  • 3.De maximaal toelaatbare lichtintensiteit bedraagt, verticaal op dierhoogte gemeten, voor albino-dieren 60 lux, met uitzondering van de periode van behandeling of verzorging van de dieren.

  • 4.De lengte van de licht- en donkerperioden dient te zijn afgestemd op de diersoort en bedraagt:

    • a. voor honden en katten: minimaal 10 tot 12 uur licht;

    • b. voor knaagdieren en konijnen: 12 uur licht en 12 uur donker.

Artikel 14

Sterke geluidsprikkels in het bereik van de hoorbare en ultrasone frequenties worden vermeden.

Artikel 15

Alle automatische of mechanische apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van de dieren, wordt ten minste eenmaal per dag geïnspecteerd. Defecten worden onmiddellijk hersteld of indien zulks niet mogelijk is, worden de nodige maatregelen getroffen om de gezondheid en het welzijn van de dieren te beschermen totdat het defect is hersteld, met name door de toepassing van andere voedermethoden en het handhaven van een acceptabel leefklimaat. Bij gebruik van kunstmatige ventilatie of ingeval van zuurstofvoorziening bij vissen wordt voor een noodvoorziening gezorgd, zodat er, wanneer het systeem uitvalt, toch voldoende verse lucht of zuurstof wordt aangevoerd om de gezondheid en het welzijn van de dieren veilig te stellen, en is een alarmsysteem aanwezig om de vergunninghouder te waarschuwen wanneer het systeem uitvalt. Het alarmsysteem wordt regelmatig getest.

Artikel 16

Voer, niet zijnde ruwvoeders zoals hooi of kuilmais, wordt bewaard verpakt in gesloten zakken of in silo's. De vervaldatum van het verpakte voer is aangegeven.

Artikel 17

  • 1.Alle dieren krijgen voedingsmiddelen aangeboden op een zodanige wijze dat aan hun fysiologische en waar mogelijk ethologische behoefte wordt voldaan.

  • 2.Alle dieren beschikken ad libitum over drinkwater van goede kwaliteit.

Artikel 18

  • 1.De dieren, alsmede de omstandigheden waarin de dieren worden gefokt, gehouden of gebruikt, worden dagelijks minimaal eenmaal gecontroleerd. De uitgevoerde controles en bevindingen worden geregistreerd.

  • 2.Indien bij de controles een gebrek of lijden wordt ontdekt, worden zo snel mogelijk passende maatregelen genomen.

Artikel 19

Dieren worden alleen vervoerd, als zij geschikt zijn voor transport. In de gevallen van transport met het oog op behandeling, diagnostisch onderzoek of in het kader van de proef is passende verzorging tijdens het transport aanwezig.

Artikel 20

Ratten en muizen worden niet gezamenlijk in één dierverblijf gehuisvest.

§ 3. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 21

De in de artikelen 4, 6, 7, 9, 10, 11 en 13 opgenomen eisen met betrekking tot dierverblijven zijn tot twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling niet van toepassing op dierverblijven waarvan de vergunninghouder kan aantonen dat zij vóór dat tijdstip in gebruik zijn genomen.

Artikel 22

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 23

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling huisvesting en verzorging proefdieren.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
.