Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Arbeidstijdenwet (Atw)

 

NADERE  REGELING  KINDERARBEID

Tekst zoals deze geldt op 23 juli 2014

 

 

 

 
     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 3:2, derde lid, van de Arbeidstijdenwet;

     Besluit:

 

 

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1:1. Definities

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

– alternatieve sanctie:

a. de deelname aan een project, bedoeld in artikel 77e, van het Wetboek van Strafrecht;

b. de vervulling van de voorwaarde, bedoeld in artikel 77f, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht, of

c. de uitvoering van de alternatieve sanctie, bedoeld in artikel 77h, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

– arbeid van lichte aard: werkzaamheden die niet te zwaar zijn, geen gevaar opleveren of niet schadelijk zijn voor de gezondheid;

– niet-industriële arbeid van lichte aard: arbeid van lichte aard die niet wordt verricht met of aan mechanische arbeidsmiddelen waaraan onacceptabele veiligheidrisico’s voor een kind of zijn omgeving zijn verbonden;

– niet-industriële hulparbeid van lichte aard: niet-industriële arbeid van lichte aard die bestaat uit het verlenen van hand en spandiensten, waarbij geen sprake is van zelfstandige productiearbeid en waarbij nadrukkelijk toezicht wordt gehouden;

– schoolweek: een week waarin op één of meerdere dagen onderwijs gevolgd wordt;

– uitvoering: het deelnemen aan uitvoeringen van culturele, wetenschappelijke, opvoedkundige of artistieke aard, aan modeshows, aan audio-, visuele of audio-visuele opnamen en daarmee vergelijkbare uitvoeringen;

– vakantieweek: een week waarin geen onderwijs wordt gevolgd;

– voorarbeid: de met de uitvoering samenhangende arbeid bestaande uit de noodzakelijke repetities alsmede de wacht- en rusttijden.

2. Geen arbeid van lichte aard is in ieder geval arbeid waarbij:

a. op grond van de artikelen 3.46, 4.105, 4.106, 6.27, 7.39 of 9.36 van het Arbeidsomstandighedenbesluit voor jeugdige werknemers arbeid is verboden dan wel daaraan bijzondere vereisten zijn gesteld;

b. met maatregelen als bedoeld in artikel 2.15 van het Arbeidsomstandighedenbesluit blootstelling aan psychosociale arbeidsbelasting als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet niet kan worden voorkomen of beperkt;

c. door een kind kassawerkzaamheden worden verricht;

d. door een kind niet in een gevarieerde werkhoudingen kan worden gewerkt;

e. door een kind lasten worden getild van meer dan 10 kilogram;

f. door een kind voorwerpen worden geduwd of getrokken waarbij meer dan 20 kilogram kracht nodig is, of

g. door een kind permanent persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden gedragen om het risico tegen te gaan;

h. door een kind werkzaamheden worden verricht als zeevarende als bedoeld in de Wet zeevarenden, op een zeeschip als bedoeld in artikel 2 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat personen die op grond van artikel 1.2 van de Regeling zeevarenden zijn uitgezonderd, niet als zeevarende worden aangemerkt.

3. Onacceptabele veiligheidsrisico's voor een kind of zijn omgeving zijn in ieder geval aanwezig bij werkzaamheden:

a. met of in de omgeving van mechanische arbeidsmiddelen waarbij brand-, elektrocutie-, knel-, plet-, snij- of valgevaar bestaat, of

b. waarbij op grond van artikel 1.37 van het Arbeidsomstandighedenbesluit voor jeugdige werknemers bijzondere vereisten zijn gesteld.

§ 2. Alternatieve sanctie

Artikel 2:1

Indien in het kader van een alternatieve sanctie een kind van 12 jaar tot en met 14 jaar niet industriële hulparbeid van lichte aard verricht of een kind van 15 jaar niet industriële arbeid van lichte aard verricht, dan wordt in acht genomen, dat dat kind:

a. op zondag geen arbeid verricht, behalve voor zover dat uit de aard van de arbeid voortvloeit en het tegendeel is bedongen. Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van de vorige zin worden afgeweken, indien de werkgever daartoe overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of, bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers. Een in de aanhef bedoelde kind verricht in de omstandigheden, bedoeld in dit onderdeel, uitsluitend arbeid op zondag, indien de ouders of verzorgers daarmee voor dat geval instemmen;.

b. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 14 uren in elke periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen 20.00 uur en 07.00 uur begrepen is;

c. in elke periode van 7 achtereenvolgende dagen een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 36 uren;

d. tijdens een schoolweek niet langer arbeid verricht dan 20 uren, waarvan ten hoogste 2 uren per dag op dagen dat onderwijs wordt gevolgd en ten hoogste 7 uren per dag op andere dagen;

e. tijdens een vakantieweek niet langer arbeid verricht dan 35 uren per week, waarvan ten hoogste 7 uren per dag;

f. gedurende ten hoogste 6 vakantieweken per jaar arbeid verricht;

g. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur, die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur aaneengesloten.

§ 3. Arbeid naast en in samenhang met onderwijs

Artikel 3:1

1. Alvorens de in dit artikel bedoelde arbeid kan worden verricht is een stageovereenkomst, bedoeld in artikel 35 van het Inrichtingsbesluit W.V.O., gesloten, onderscheidenlijk een beslissing van burgemeester en wethouders, waarbij goedkeuring wordt verleend op een verzoek tot vervangende leerplicht, bedoeld in de artikelen 3a en 3b van de Leerplichtwet 1969. De stageovereenkomst wordt (mede)ondertekend door een persoon, die over het betrokken kind het ouderlijke gezag of de voogdij uitoefent of in wiens huishouding dat kind is opgenomen.

2. Indien een kind van 14 jaar of ouder arbeid van lichte aard verricht in het kader van een schoolwerkplan van zijn school onderscheidenlijk een programma in het kader van de vervangende leerplicht, dan wordt in acht genomen, dat dat kind:

a. op zondag geen arbeid verricht;

b. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 14 uren in elke periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen 19.00 uur en 07.00 uur begrepen is.

c. niet langer arbeid verricht dan 35 uren per week, waarvan ten hoogste 7 uren per dag;

d. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur, die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur aaneengesloten.

3. Voor de toepassing van dit artikel geldt de tijd waarop een kind als bedoeld in het tweede lid onderwijs volgt of pleegt te volgen, de onderbrekingen inbegrepen, als arbeidstijd.

4. Voor de toepassing van dit artikel wordt in afwijking van artikel 1:1, tweede lid, onder arbeid van lichte aard mede verstaan arbeid waarbij door een kind permanent persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden gedragen.

Artikel 3:2. Maatschappelijke stage tijdens een schoolweek voor 13 en 14 jarigen

1. Alvorens de in dit artikel bedoelde arbeid kan worden verricht is een stageovereenkomst als bedoeld in artikel 30a van het Inrichtingsbesluit W.V.O., gesloten.

2. Indien een kind van 13 of 14 jaar tijdens een schoolweek niet-industriële arbeid van lichte aard verricht in de vorm van een maatschappelijke stage dan wordt in acht genomen, dat dat kind:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Arbeidstijdenwet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x