Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse VeenkoloniŽn

 

REGELING  HERVERKAVELING

Tekst zoals deze geldt op 23 juli 2014

 

 

 

 
REGELING van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 22 juni 2004, nr. TRCJZ/2004/3819, houdende regels over herverkaveling (Regeling herverkaveling)

     De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
     Gelet op de artikelen 163, 195, eerste lid, en 210, derde lid, van de Landinrichtingswet, artikel 92, tweede lid, van de Reconstructiewet Midden-Delfland en de artikelen 33, eerste lid, en 107, tweede lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse VeenkoloniŽn;

     Besluit:

 

 

Hoofdstuk 1. Definities

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. wet: Landinrichtingswet;

b. minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

c. huiskavel: kavel met een woonhuis;

d. bedrijfskavel: kavel met een complex van gebouwen, dienende voor de uitoefening van een landbouwbedrijf;

e. veldkavel: kavel, die geen huis- of bedrijfskavel is;

f. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet;

g. openbare weg: weg als bedoeld in artikel 4 van de Wegenwet;

h. vlakligging: mate van egaliteit van het maaiveld;

i. natuurterrein: natuurterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet agrarisch grondverkeer;

j. bureau beheer landbouwgronden: bureau als bedoeld in artikel 28 van de Wet agrarisch grondverkeer;

k. particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties: organisaties als bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 december 1992, houdende aanwijzing van particuliere terreinbeherende organisaties ter uitvoering van het bepaalde in artikel 70a van de Pachtwet (Stb. 700);

l. landbouwgrond: landbouwgrond als bedoeld in artikel 1 van de Wet agrarisch grondverkeer;

m. LAC-signaalwaarde: waarde zoals vastgesteld door de Landbouw Advies Commissie Milieukritische Stoffen in het in december 1991 uitgebrachte rapport LAC-signaalwaarden van de werkgroep verontreinigde gronden van de Landbouw Advies Commissie Milieukritische Stoffen.

Hoofdstuk 2. Het stelsel van classificatie

Artikel 2

1.De agrarische waarde, bedoeld in artikel 162, tweede lid, onderdeel c, van de wet, wordt bepaald op basis van het natuurlijk voortbrengend vermogen van de grond volgens de volgende criteria:

a. aard, dikte en structuur van de bovengrond;

b. aard en structuur van de ondergrond;

c. eventuele andere factoren, die het natuurlijk voortbrengend vermogen van de grond bepalen.

2.De agrarische waarde wordt per klasse bepaald in punten of geld.

Artikel 3

Waardeveranderingen als bedoeld in de artikelen 49, 71 en 117 van de wet worden bij de tweede schatting bepaald.

Artikel 4

De toestand van de grond wordt bij de eerste en de tweede schatting in kwaliteitsklassen vastgelegd aan de hand van een of meer van de volgende objectieve factoren:

a. de ontsluiting van huiskavels, bedrijfskavels of veldkavels, en

b. de waterhuishoudkundige toestand van kavels.

Artikel 5

De toestand van de grond wordt bij de tweede schatting vastgelegd aan de hand van een of meer van de volgende subjectieve factoren:

a. de kavelconcentratie;

b. de afstand van de veldkavels tot de bedrijfskavel;

c. het aantal kavels per bedrijf;

d. de grootte van de kavels, en

e. de vorm van de kavels.

Artikel 6

De minister stelt per blok nadere regels vast voor het stelsel van classificatie overeenkomstig het model dat is opgenomen als bijlage 1 bij deze regeling. Deze nadere regels per blok worden als bijlage bij deze regeling opgenomen.

Artikel 7

Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op een stelsel van classificatie als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse VeenkoloniŽn.

Hoofdstuk 3. Plan van toedeling

Paragraaf 1. Uitruilbaarheid

Artikel 8

Gronden die ingevolge een vastgesteld bestemmingsplan of een ontwerpbestemmingsplan een bestemming hebben of krijgen die overeenkomt met de functie van landbouw, natuur, bos of landschap zijn uitruilbaar, voor zover artikel 10 van de wet niet anders bepaalt.

Artikel 9

Gronden waarop zich een weg met een openbaar karakter bevindt, die op grond van het landinrichtingsplan het openbare karakter verliest, zijn uitruilbaar.

Artikel 10

Wanneer de openbare functie van een waterloop volgens het landinrichtingsplan vervalt, zijn de gronden waarop deze waterloop zich bevindt uitruilbaar.

Artikel 11

1.Gronden die zijn gelegen in een natuurgebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel r, van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000, en waarvoor geen subsidie is verleend op grond van die regeling zijn uitruilbaar.

2.De gronden, bedoeld in het eerste lid, worden geruild met inachtneming van de volgende rangorde:

a. ruil met landbouwgronden die door bureau beheer landbouwgronden zijn verworven ten behoeve van de veiligstelling, aanleg of ontwikkeling van bos of natuurterreinen;

b. ruil met overige landbouwgronden.

Artikel 12

1.Gronden die zijn gelegen in een beheersgebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer of een Rbon-gebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel k, van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, en waarvoor geen subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer zijn uitruilbaar.

2.De gronden, bedoeld in het eerste lid, worden geruild met inachtneming van de volgende rangorde:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x