Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Provinciewet (PW)

 

RECHTSPOSITIEBESLUIT  GEDEPUTEERDEN

Tekst zoals deze geldt op 24 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 22 maart 1994, houdende regels betreffende de rechtspositie van gedeputeerden

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 14 september 1993, nr. BW93/U1933, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken;
     Gelet op de artikelen 43, eerste en tweede lid, en 51, tweede lid, van de Provinciewet;
     De Raad van State gehoord (advies van 8 februari 1994, nr. W04.93.0630.);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 18 maart 1994, nr. BW94/273, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken;

b. bezoldiging: de bezoldiging, bedoeld in artikel 3;

c. tijdstip van beŽindiging van het ambt van gedeputeerde: het tijdstip van aftreden, bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de Provinciewet, de dag van ingang van het ontslag, bedoeld in artikel 42, tweede lid, en artikel 46, eerste lid, van de Provinciewet, de dag van ingang van het ontslag, bedoeld in artikel 49 van de Provinciewet of de dag volgende op die van het overlijden;

d. voormalig gedeputeerde: de gedeputeerde die is afgetreden of ontslagen of die het lidmaatschap van provinciale staten heeft verloren, dan wel is overleden.

Artikel 2

Dit besluit is van overeenkomstige toepassing op de gedeputeerde die ingevolge artikel 35a, derde en vierde lid, van de Provinciewet de betrekking in deeltijd uitoefent, tenzij anders is bepaald.

Hoofdstuk 2. De bezoldiging

Artikel 3

1. De bezoldiging van de gedeputeerde bedraagt Ä 7.899,67 per maand.

2. Als de bezoldiging van het personeel in de sector Rijk wijziging ondergaat, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag overeenkomstig gewijzigd.

Artikel 4

1.De gedeputeerde geniet een vakantie-uitkering en een eindejaarsuitkering overeenkomstig de bepalingen welke daaromtrent voor het personeel in de sector Rijk zijn vastgesteld.

2.Indien aan het personeel in de sector Rijk een eenmalige uitkering wordt toegekend, ontvangt de gedeputeerde een uitkering op gelijke voet.

3.De gedeputeerde die ingevolge artikel 35, tweede lid, van de Provinciewet de betrekking in deeltijd uitoefent, ontvangt de bezoldiging, bedoeld in artikel 3, naar evenredigheid met de vastgestelde tijdsbestedingsnorm, bedoeld in artikel 35, vierde lid, van de Provinciewet.

Artikel 5

1. De bezoldiging wordt door de gedeputeerde genoten met ingang van de dag van de benoeming.

2. De bezoldiging eindigt op het tijdstip van beŽindiging van het ambt van gedeputeerde.

Artikel 5a

Indien een gedeputeerde naast zijn bezoldiging als gedeputeerde tevens aanspraak heeft op vergoeding voor de werkzaamheden als statenlid gedurende een tijdvak als bedoeld in artikel 35c, tweede lid, onder a of b, van de Provinciewet, dan vervalt gedurende dit tijdvak zijn aanspraak op een vergoeding voor de werkzaamheden als statenlid.

Artikel 5b

1. Zo spoedig mogelijk na afloop van het kalenderjaar, verstrekt de gedeputeerde aan Onze Minister dan wel aan een door hem aangewezen instantie:

een opgave van de neveninkomsten welke hij over dat kalenderjaar of over een gedeelte daarvan heeft genoten, dan wel

een verklaring dat hij geen neveninkomsten heeft genoten of niet meer dan 14% van de bezoldiging op jaarbasis aan neveninkomsten heeft genoten over dat jaar of, indien hij het ambt van gedeputeerde vervulde gedurende een gedeelte van het kalenderjaar, een evenredig deel daarvan, dan wel

een verklaring dat een opgave van neveninkomsten achterwege zal blijven.

2. In afwijking van het eerste lid, verminderen gedeputeerde staten op verzoek van een gedeputeerde diens bezoldiging reeds gedurende het kalenderjaar met een bedrag waarmee hij verwacht dat zijn bezoldiging zal worden verrekend vanwege zijn neveninkomsten.

3. Onze Minister, dan wel een door hem aangewezen instantie, deelt gedeputeerde staten het bedrag van de bezoldiging dat teruggevorderd dient te worden, mede en verstrekt een afschrift daarvan aan de gedeputeerde.

4. Gedeputeerde staten vorderen, indien Onze Minister dan wel een door hem aangewezen instantie constateert dat er sprake is van te verrekenen neveninkomsten, het teveel aan ontvangen bezoldiging terug van de gedeputeerde.

5. Indien de gedeputeerde geen informatie kan verstrekken, meldt hij dit binnen zes maanden onder opgaaf van redenen aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie. De gedeputeerde meldt tevens een redelijke termijn waarop hij deze informatie alsnog zal verstrekken

6. In het geval genoemd in het eerste lid, onderdeel c, alsmede indien de gedeputeerde binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar geen opgave of verklaring, als bedoeld in het eerste lid, heeft ingezonden, of niet heeft voldaan aan het vijfde lid, stellen gedeputeerde staten de bezoldiging over het afgelopen jaar vast op 65% van de bezoldiging op jaarbasis, tenzij zij uit anderen hoofde kunnen vaststellen tot welk bedrag er verrekend zou moeten worden.

7. Op verzoek van de gedeputeerde kunnen gedeputeerde staten besluiten de verrekening of terugbetaling in termijnen te laten plaatsvinden.

Artikel 6

1. In geval van overlijden van de gedeputeerde wordt aan de weduwe of weduwnaar van wie de overleden gedeputeerde niet duurzaam gescheiden leefde een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering, welke de gedeputeerde laatstelijk genoot over een tijdvak van drie maanden. Indien de overledene geen weduwe of weduwnaar van wie de overleden gedeputeerde niet duurzaam gescheiden leefde nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de bezoldiging van de gedeputeerde.

2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner alsmede degene met wie de overleden gedeputeerde ongehuwd samenleefde en een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet.

Hoofdstuk 3. Vergoeding bijzondere kosten en andere financiŽle voorzieningen

ß 1. Vergoedingen in verband met de tijdelijke vervanging in verband met zwangerschap en bevalling of ziekte

Artikel 7

De tijdelijke vervanger van de gedeputeerde die verlof heeft wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ontvangt voor zijn verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden Ä 590 per maand.

Artikel 8

1. De gedeputeerde die verlof heeft

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Provinciewet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x