Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Scheepvaartverkeerswet

 

LOODSPLICHTBESLUIT  1995

Tekst zoals deze geldt op 24 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 16 augustus 1995, houdende nadere regels met betrekking tot de loodsplicht

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 februari 1995, nr. J-10.970/95, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken;
     Gelet op de artikelen 10, tweede lid, aanhef en onder a, en derde lid, 11, 12, 31, tiende lid, en 36, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet;
     De Raad van State gehoord (advies van 20 juni 1995, nr. W09.95.0080);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 augustus 1995, nr. J-13.389/95, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. bevoegde autoriteit: de voor een scheepvaartweg of gedeelte daarvan door Onze Minister als zodanig aangewezen functionaris;

b. regio: een gebied binnen de grenzen vastgesteld krachtens artikel 10, derde lid, van de Loodsenwet;

c. regionale autoriteit: de voor een regio of gedeelte daarvan door Onze Minister aangewezen bevoegde autoriteit;

d. register: het Register loodsplicht kleine zeeschepen, bedoeld in artikel 6, eerste lid;

e. lengte over alles: de lengte over alles volgens Lloyd’s Register of Ships;

f. loodsplicht: de verplichting, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11, eerste lid, onderdelen a en b, van de Scheepvaartverkeerswet;

g. zeeschepen met gevaarlijke lading: zeeschepen, gebouwd of geschikt gemaakt en gebezigd voor het vervoer van minerale olie, gas of chemicaliėn in bulk, en geheel of gedeeltelijk daarmee geladen, dan wel leeg maar nog niet ontgast of ontdaan van hun gevaarlijke residuen;

h. Rijnschip: zeeschip dat is voorzien van een certificaat van onderzoek als bedoeld in bijlage B of van een speciaal certificaat als bedoeld in bijlage G van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995;

i. Denemarkenvaarder: zeeschip dat:

1°. een lengte over alles heeft van minder dan 80 meter,

2°. een bruto inhoud heeft van minder dan 1600 ton, of een bruto tonnage van minder dan 1600 en een voortstuwingsvermogen van niet meer dan 1125 kW (1500 pk), en

3°. een internationaal veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder b, van het Schepenbesluit 2004 dan wel een nationaal veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van dat besluit heeft dat slechts geldig is voor:

A. de vaart van het Vlie, langs de Nederlandse en Duitse waddeneilanden naar de monden van de Wezer, de Elbe en de Eider, door het Noord-Oostzeekanaal naar de Oostzee tot de lijn Stralsund-Trelleborg, alsmede door de Sont en de Belten naar het Kattegat tot de lijn Grenaa-Kullen, of

B. de vaart van de mond van de Westerschelde naar het zuiden langs de Nederlandse, Belgische en Franse kust tot Duinkerken;

j. binnen/buiten-schip: zeeschip dat:

1°. een lengte over alles heeft van minder dan 115 meter,

2°. blijkens zijn constructie vergelijkbaar is met een binnenschip, en

3°. gebruikt wordt of zal worden gebruikt voor de vaart op de binnenwateren die niet zijn opgenomen in de bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet en in een beperkt vaargebied op zee, in het bijzonder de kustwateren;

k. lage kruiplijn-coaster: zeeschip dat:

1°. een lengte over alles heeft van minder dan 115 meter, en

2°. een zodanige vorm of constructie heeft dat het geschikt is voor de vaart op niet-loodsplichtige binnenwateren en daarvoor wordt gebruikt of zal worden gebruikt;

l. breedte: de grootste breedte;

m. diepgang: de grootste diepgang;

n. scheepsramp: voorval of ongeval, overkomen aan een schip ten gevolge waarvan schade van betekenis aan dat schip of de zaken aan boord daarvan of letsel aan een of meer van de opvarenden, of schade aan een ander schip of de zaken aan boord daarvan, danwel letsel aan een of meer van de opvarenden of schade aan het mariene milieu daarvan is veroorzaakt.

2. Dit besluit is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een schip dat geen zeeschip is en degene die daarover de leiding heeft, indien dit schip zich op zee bevindt.

Hoofdstuk II. Ad hoc-loodsplicht

Artikel 2

1.De aanwijzing van een scheepvaartweg als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

2.De bevoegde autoriteit legt door middel van een aanwijzing loodsplicht op aan de kapitein van een zeeschip:

a. op een scheepvaartweg als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet, indien de kapitein van dat schip van loodsplicht is vrijgesteld, of

b. op een scheepvaartweg als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet,

uitsluitend indien er naar zijn oordeel sprake is van een situatie waarbij de weersomstandigheden of omstandigheden met betrekking tot het schip, de opvarenden, de lading, de scheepvaart of de scheepvaartweg van dien aard zijn dat het bevaren van die scheepvaartweg zonder gebruik te maken van de diensten van een loods ontoelaatbaar is.

3.Onze Minister geeft aanwijzingen met betrekking tot de gevallen waarin van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid gebruik gemaakt dient te worden ten aanzien van vaartuigen gebouwd of ingericht voor het winnen of vervoeren van zand, baggerspecie of grind, die tijdens de vaart op een scheepvaartweg voor dit doel worden gebruikt.

4.Een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid wordt mondeling door de bevoegde autoriteit, zo mogelijk via de marifoon, aan de kapitein of verkeersdeelnemer van het schip gegeven, wordt onverwijld ter kennis gebracht van de desbetreffende regionale loodsencorporatie en wordt zo spoedig mogelijk na het geven van die aanwijzing schriftelijk bevestigd.

Artikel 3

1.De bevoegde autoriteit geeft een aanwijzing als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de Scheepvaartverkeerswet uitsluitend voor zover

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x