Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Mediawet 2008

 

MEDIAREGELING  2008

Tekst zoals deze geldt op 24 juli 2014

 

 

 

 
REGELING
van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 december 2008, nr. WJZ/84447 (8240), houdende  uitvoeringsregels van de Mediawet 2008 (Mediaregeling 2008)

     De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
     Gelet op de artikelen 2.20, derde lid, 2.30, vierde lid, 2.44, tweede lid, 2.69, 2.157, eerste lid, 2.165, 2.187, tweede lid, 3.1, derde lid, 3.30, tweede lid, 6.5, tweede lid, 8.8, eerste lid, en artikel 9.6 van de Mediawet 2008 en de artikelen 6 en 29 van het Mediabesluit 2008;

     Besluit:

 

 

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

Stimuleringsfonds: Stimuleringsfonds voor de pers, genoemd in artikel 8.1 van de wet;

wet: Mediawet 2008.

Hoofdstuk 2. Publieke mediadiensten

Afdeling 2.1. Landelijke publieke mediadienst

Artikel 2. Indiening concessiebeleidsplan

De NPO dient het concessiebeleidsplan, bedoeld in artikel 2.20 van de wet, telkens in voor 1 maart van het kalenderjaar waarin de concessieperioden, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, van de wet, eindigen.

Artikel 3. Indiening aanvraag erkenning

1. Omroeporganisaties dienen de aanvraag voor een erkenning of voorlopige erkenning, bedoeld in artikel 2.30 van de wet, in de maand januari van het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan een nieuwe erkenningperiode in bij het Commissariaat.

2. Omroeporganisaties dienen de nieuwe aanvraag, bedoeld in artikel 2.31, vierde lid, eerste volzin, van de wet, uiterlijk vier maanden na de dagtekening van het besluit van de minister daartoe in bij het Commissariaat. De minister kan de periode, bedoeld in de eerste volzin, eenmalig verlengen met een periode van maximaal vier weken.

3. De minister besluit op de aanvragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, uiterlijk op 30 juni van het kalenderjaar dat voorafgaat aan een nieuwe erkenningperiode.

Artikel 3a. Inrichting aanvraag erkenning

1.Een aanvraag als bedoeld in artikel 3, eerste lid, bevat voor zover beschikbaar de opgave van het door het Commissariaat vastgestelde aantal leden van de omroepvereniging.

2.Een aanvraag gaat vergezeld van vier kopieŽn.

Artikel 4. Inrichting aanvraag erkenning

1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, bevat:

a. voor zover beschikbaar de opgave van het door het Commissariaat vastgestelde aantal leden van de omroepverenigingen, bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de wet;

b. een beschrijving van de structuur, bedoeld in artikel 2.142a, eerste lid, van de wet, van de omroeporganisatie, waarbij, indien van toepassing, specifiek wordt aangegeven op welke punten deze afwijkt van de gedragscode, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de wet;

c. een beschrijving van de inrichting, sturing en beheersing van bedrijfsprocessen en van de financiŽle en administratieve organisatie van de omroeporganisatie;

d. een overzicht van de financiŽn van de omroeporganisatie, wat voor de aanvraag voor een erkenning van een omroeporganisatie, niet zijnde een samenwerkingsomroep, in elk geval inhoudt: de jaarrekening over het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar van de indiening van de aanvraag van die omroeporganisatie of van de omroepverenigingen waaruit die organisatie gevormd is; en

e. in geval van een samenwerkingsomroep:

1į. de statuten en reglementen van de omroepverenigingen die de samenwerkingsomroep vormen;

2į. een beschrijving van de structuur, bedoeld in artikel 2.142a, eerste lid, van de wet, van de omroepverenigingen die de samenwerkingsomroep vormen, gelet op artikel 2.142a, derde lid;

3į. een beschrijving van de inrichting, sturing en beheersing van bedrijfsprocessen en van administratieve organisatie van de omroepverenigingen die de samenwerkingsomroep vormen;

4į. een overzicht van de financiŽn van de omroepverenigingen die de samenwerkingsomroep vormen, en in elk geval de jaarrekening over het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar van de indiening van de aanvraag van die omroepverenigingen; en

5į. notariŽle akten en overeenkomsten, anders dan bedoeld onder 1į tot en met 4į, die betrekking hebben op de samenwerking binnen de samenwerkingsomroep.

2. In geval van een aanvraag voor een voorlopige erkenning bevat de aanvraag de notariŽle akten en overeenkomsten die betrekking hebben op de samenwerking met de NTR of de omroeporganisatie waaraan de aanvrager de verzorging van haar media-aanbod heeft opgedragen.

3. Een aanvraag gaat vergezeld van vier kopieŽn.

Afdeling 2.2. Regionale en lokale publieke mediadiensten

ß 2.2.1. Aanwijzing

Artikel 5. Indiening aanvraag aanwijzing

De aanvraag voor een aanwijzing, bedoeld in artikel 2.65 van de wet, gaat vergezeld van:

a. een exemplaar van de notarieel vastgelegde statuten;

b. een overzicht van de belangrijkste in de gemeente respectievelijk provincie voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen van waaruit leden worden benoemd in het in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c, van de wet bedoelde orgaan;

c. een overzicht van de leden van het orgaan, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c, van de wet; en

d. een aanduiding van het gebied waarbinnen het media-aanbod zal worden verspreid.

Artikel 6. Advisering door provinciale staten en gemeenteraad

1. Het Commissariaat legt een aanvraag voor een aanwijzing van een regionale publieke media-instelling respectievelijk een lokale publieke media-instelling binnen vier weken na ontvangst daarvan ter advisering voor aan de desbetreffende provinciale staten respectievelijk gemeenteraad.

2. Provinciale staten brengen respectievelijk de gemeenteraad brengt binnen achttien weken na ontvangst van de aanvraag advies uit aan het Commissariaat.

3. Het Commissariaat beslist binnen vier weken na ontvangst van het advies, bedoeld in het tweede lid, op de aanvraag en bepaalt daarbij de ingangsdatum van de aanwijzing.

Artikel 7. Indiening aanvraag aanwijzing aansluitende periode

Als een aangewezen regionale of lokale publieke

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Mediawet 2008 | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x